Asscher: voordeel van de twijfel

De eigen kwaliteitsnorm waarmee de Amsterdamse wethouder Lodewijk Asscher (PvdA) ruimschoots de publiciteit heeft gehaald, getuigt aan de ene kant van politieke betrokkenheid bij het onderwijs en aan de andere kant van een gebrek aan invoelingsvermogen. Besturen en scholen die hun best doen om de onderwijskwaliteit te verbeteren, zitten niet te wachten op het opgeheven vingertje van hun eigen wethouder. Lees verder

De reacties van de Besturenraad en het CDA waren wel heel erg fel en negatief. Maar ja, die zijn zoals bekend allergisch voor overheidsbezorgdheid over handhaving van de bekostigingsnorm. In openbaar onderwijs zijn we wat dat betreft meer gewend. Bovendien is het niet vreemd dat in een grote stad als Amsterdam, waar onderwijs, woonbeleid, ruimtelijke ordening en integratievraagstukken in samenhang worden bezien, de lokale overheid veel belang hecht aan de kwaliteit van het onderwijs. De geïntegreerde aanpak, zoals die onlangs op het symposium SCHOOL! van de Vereniging Openbaar Onderwijs werd verwoord door de Utrechtse onderwijswethouder Rinda den Besten (PvdA), is hiervan een goed voorbeeld.

De aanpak van Asscher in Amsterdam roept echter vragen op. Het lijkt vooral op het naming and shaming,  dat in de tijd van de sociaaldemocraat Tony Blair in Groot-Brittannië vooral angst en onzekerheid teweegbracht. De regering in Londen gebruikte de normen van de Britse onderwijsinspectie. Asscher gaat verder. Hij denkt het beter te kunnen dan de inspectie en ontwerpt een eigen kwaliteitssysteem. Voordat je het weet gaat de discussie over het systeem en niet over de bewaking van de kwaliteit door besturen. Dat gebeurt nu dan ook.

Tweede Kamerlid Jan Jacob van Dijk (CDA) en de Besturenraad, die het protestants-christelijk onderwijs vertegenwoordigt, roepen meteen dat alleen de inspectie mag beoordelen. Het ligt echter genuanceerder: naast de bekostigingscontrole door de rijksinspectie, is er ook maatschappelijke controle. Daar mogen gemeenten best een stevige rol in spelen, zeker als die via de samenhang met hun corebusiness wordt gerechtvaardigd.

Het is de vraag of Asscher met zijn eigen systeem de aandacht afleidt van de dialoog met besturen om een politiek succes te boeken, zoals wel wordt beweerd. Maar het is ook zeer de vraag of hij de meest effectieve weg heeft gekozen om het Amsterdamse onderwijs op een (nog) hoger peil te brengen. De geste van het gemeentebestuur om een aantal inspecteurs aan te stellen die matig presterende scholen kunnen helpen, is in elk geval een sympathieke geste.

Laten we Asscher het voordeel van de twijfel gunnen, met daarbij wel heel duidelijk een aantekening voor de zeer matige uitvoering van zijn ongetwijfeld positieve idealen.

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB