Besturen gaan over inzet professionaliseringsgeld

‘Zeker voor wat de prestatiebox betreft liggen er bestuurlijke afspraken dat het geld ook echt ingezet wordt voor de doelen die we hebben afgesproken in de bestuursakkoorden uit 2011-2012.’ Dat antwoordt staatssecretaris Sander Dekker van OCW op Kamervragen over de invoering van passend onderwijs.

SP-Kamerlid Jasper van Dijk had Kamervragen gesteld naar aanleiding van een bericht van de Algemene Onderwijsbond (AOb). Daarin stond dat de scholen nog niet klaar zijn voor de invoering van passend onderwijs per 1 augustus 2014.

Een van de vragen had betrekking op de inzet van de professionaliseringsgelden. Hierop antwoordt Dekker dat schoolbesturen verantwoordelijk voor de inzet van dat geld. ‘Dit budget is voor een deel ondergebracht in de lumpsum, en daarbinnen weer voor een deel in de prestatiebox van de schoolbesturen en wordt verantwoord in het jaarverslag en de bijbehorende jaarrekening van de schoolbesturen’, aldus de staatssecretaris.

Hij wijst erop dat de controle zowel op het niveau van de jaarrekening als op dat van het personeel zelf ligt. ‘Het personeel heeft via de medezeggenschapsraad een adviesbevoegdheid op de vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid en kan in die zin ook controleren of het geld wordt uitgegeven waarvoor het bestemd is.’

Klassengrootte
Van Dijk had ook een vraag gesteld over de klassengrootte in het reguliere onderwijs die als gevolg van de invoering van passend onderwijs zou toenemen. Dekker relativeert die angst: ‘Als samenwerkingsverbanden ervoor kiezen op termijn minder naar het speciaal onderwijs te verwijzen, ontstaat er meer ruimte voor extra ondersteuning in het regulier onderwijs. Bijvoorbeeld voor extra handen in de klas, het inrichten van speciale arrangementen of het kleiner maken van klassen.’

Het is volgens de staatssecretaris een misvatting dat er ten gevolge van passend onderwijs per klas drie tot vier extra leerlingen bij komen. ‘Zelfs in het theoretische geval dat alle leerlingen uit het speciaal onderwijs teruggeplaatst zouden worden naar het regulier onderwijs, hetgeen in de praktijk geenszins het geval zal zijn, verandert de klassengrootte hiermee heel beperkt.’

‘Heel beperkt’ wordt door Dekker gekwantificeerd: ‘Wanneer de bestaande 70.000 plekken in het speciaal onderwijs niet meer zouden bestaan, betekent dit dat er in het basisonderwijs per school gemiddeld vier leerlingen bij komen op een gemiddelde van 213 leerlingen per school. In het voortgezet onderwijs gaat het om gemiddeld 28 leerlingen per vestiging op een gemiddelde van 700 leerlingen per vestiging.’

In dit theoretische geval zou de klassengrootte volgens hem zelfs naar beneden kunnen gaan, ‘omdat de middelen van het speciaal onderwijs dan ook in het regulier onderwijs ingezet zouden worden. Die middelen zouden dan kunnen worden ingezet voor kleinere klassen.’