Bom onder openbaar onderwijs

Het advies van de Onderwijsraad over de gevolgen van demografische krimp legt in verschillende opzichten een bom onder de beschikbaarheid van openbaar onderwijs als basisvoorziening. Lees verder

In het advies Grenzen aan kleine scholen noemt de Onderwijsraad diverse organisaties en personen uit onder andere het openbaar en algemeen toegankelijk onderwijs die zijn geraadpleegd. Opmerkelijk is dat de raad geen gebruik heeft gemaakt van de expertise die VOS/ABB, de collegabesturenorganisaties op dit beleidsterrein hebben. In alle bescheidenheid kan worden geconstateerd dat dit een gemiste kans is om tot een evenwichtig advies te komen, dat recht doet aan de grondwettelijke positie van het openbaar en algemeen toegankelijk onderwijs als basisvoorziening.

Voordat ik toelicht waarom het advies onvoldoende recht doet aan de positie van de openbare en algemeen toegankelijke scholen, wil ik erop wijzen dat de Onderwijsraad in het rapport – dat bedoeld is voor het kabinet – wel heel sterk de nadruk legt op het kostenaspect. Het klopt dat kleine scholen relatief duur zijn. Per leerling kunnen de kosten drie keer zo hoog zijn als bij grote scholen. De raad constateert in het verlengde van het kostenaspect echter dat kleine scholen over het algemeen minder onderwijskwaliteit bieden dan grotere scholen. Daarbij hanteert de Onderwijsraad verouderde gegevens uit het schooljaar 2010-2011.

Wie de huidige situatie bekijkt, ziet dat na de inzet van onder andere de zogeheten Vliegende Brigades, waaraan onder andere VOS/ABB heeft meegewerkt, de onderwijskwaliteit van heel veel kleine scholen sterk is verbeterd. Dat is vooral te danken aan een enorme krachtsinspanning van de betrokken schoolbesturen en de (kleine) scholen zelf. De kwaliteitsverbetering die de afgelopen jaren tot stand is gebracht, is geen eindresultaat. Scholen blijven er voortdurend aan werken. De conclusie ligt voor de hand dat deze scholen het als fnuikend kunnen ervaren dat de Onderwijsraad nu het vermeende gebrek aan kwaliteit als argument gebruikt om te pleiten voor hun sluiting.

Een ander aspect dat opvalt, is dat het advies aansluit bij de beleidsmatige trend van schaalvergroting, terwijl in de publieke opinie de menselijke maat steeds meer de boventoon voert. In het regeerakkoord staat dat er op termijn alleen nog gemeenten met 100.000 inwoners of meer mogen bestaan. Minister Ronald Plasterk van Binnenlandse Zaken wil Noord-Holland, Utrecht en Flevoland laten fuseren tot één grote superprovincie. De schaalvergroting die het kabinet nastreeft, heeft alles te maken met efficiency en dus met kostenreductie. De Onderwijsraad sluit met haar advies duidelijk aan op die trend. Tegelijkertijd zie ik een tegenbeweging, vooral ook op het platteland, van mensen die zich verloren voelen in een grote bestuurlijke eenheid. Het is dus maar de vraag of de ingezette schaalvergroting maatschappelijk gezien wenselijk en daarmee haalbaar is.

Schaalvergroting komt in het advies van de Onderwijsraad tot uiting in de voorgestelde verhoging van de minimale opheffingsnorm voor basisscholen van 23 naar 100 leerlingen. Dit zou betekenen dat 605 openbare basisscholen in dunbevolkte gebieden hun deuren moeten sluiten. Bovendien zou in 462 dorpen de laatste school verdwijnen. Dit verhoudt zich slecht met de grondwettelijke basis dat de gemeenten moeten voorzien in voldoende openbaar onderwijs, hetgeen is vastgelegd in artikel 23 over de vrijheid van onderwijs. Als het kabinet het advies van de Onderwijsraad overneemt, ontstaat de onmogelijke situatie dat niet meer overal in Nederland kan worden gegarandeerd dat de openbare basisschool – die aansluit op de specifieke behoeften van ouders – als basisvoorziening kan blijven bestaan. Er zullen witte vlekken ontstaan op de openbaar-onderwijskaart, wat ongrondwettelijk is.

Kinderen zullen naar een school in een naburige plaats moeten, als in veel dorpen geen (openbare) school meer aanwezig is. Op grond van het feit dat openbaar onderwijs overal als basisvoorziening aanwezig dient te zijn, zou die school op afstand dus een openbare of in elk geval algemeen toegankelijke school moeten zijn. Een mogelijkheid is dat deze leerlingen naar een samenwerkingsschool gaan van openbaar en bijzonder onderwijs. Op zich is dat een acceptabele situatie, maar dan moet wel eerst de wet worden aangepast, zodat de samenwerkingsschool onder een bestuur voor openbaar onderwijs kan vallen. Nu is dat vreemd genoeg nog steeds niet mogelijk, wat het openbaar onderwijs als grondwettelijke basisvoorziening in de weg staat.

Als veel scholen sluiten en het (openbaar) onderwijs op grotere afstand van veel kinderen komt, brengt dat voor de overheid onherroepelijk kosten met zich mee voor het vervoer van deze leerlingen. Het mag niet zo zijn dat ouders in dunbevolkte gebieden boven een bepaald aantal kilometers een eigen bijdrage moeten gaan betalen, zoals de Onderwijsraad adviseert. Er is in Nederland immers leerplicht. Anders ligt deze discussie als ouders per se willen dat hun kind naar een bijzondere school op afstand gaat, omdat die volgens hen beter zou aansluiten bij hun godsdienstige of anderszins levensbeschouwelijke achtergrond. Hier gaat het om een vrije keuze die extra kosten met zich meebrengt, waarvoor de ouders zelf de verantwoordelijkheid dragen. Ook deze ouders kunnen voor hun kinderen voor de openbare school kiezen. Die staat per slot van rekening open voor élke leerling en biedt ouders die daarom vragen de mogelijkheid tot godsdienstig en/of humanistisch vormingsonderwijs.

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB