Brief naar Kamer over beleidsagenda openbaar onderwijs

Minister Marja van Bijsterveldt van OCW heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van de Beleidsagenda openbaar onderwijs. In een brief aan de Kamer belicht zij onder meer de Wet samenwerkingsscholen en een aangekondigd wetsvoorstel om verzelfstandigde openbare schoolbesturen het recht te geven bij hun gemeente(n) een verzoek in te dienen tot het opnemen van een eigen openbare school op het plan van scholen. Lees verder

De Beleidsagenda openbaar onderwijs uit 2009 heeft tot doel om de positie van het openbaar (primair) onderwijs te versterken. De behandeling van een aantal wetsvoorstellen waaraan de beleidsagenda refereert, is inmiddels afgerond.

Zo is sinds augustus 2010 de Wet goed onderwijs, goed bestuur van kracht. Deze wet maakt het voor het verzelfstandigde openbaar onderwijs mogelijk een een eigentijdse professionele vorm van intern toezicht te creëren.

De minister noemt in haar brief ook de Wet samenwerkingsschool, die officieel per 1 september 2011 van kracht wordt. Deze wet maakt het mogelijk om in geval van de dreigende opheffing van een openbare en/of bijzondere school een scholenfusie toe te staan.

In de brief wordt ook de Wet fusietoets in het onderwijs genoemd, die het volgens de minister mogelijk maakt om met behoud van het duale karakter van het Nederlandse onderwijsbestel samenwerkingsbesturen toe te staan als één of meer scholen met opheffing worden bedreigd.

Stichten openbare school
Vervolgens noemt de minister het aangekondigde wetsvoorstel om het voor verzelfstandigde besturen voor openbaar onderwijs mogelijk te maken een nieuwe openbare school te stichten.  In de huidige situatie kan een openbaar bestuur daartoe geen verzoek indienen bij de gemeente. Bovendien kan een bestuur voor openbaar onderwijs een school niet opheffen, terwijl het bijzonder onderwijs dat wel kan.

Het wetsvoorstel is erop gericht om dit onderscheid weg te nemen. Tevens is het erop gericht om ouders het initiatiefrecht te geven om bij de gemeente een verzoek in te dienen tot het stichten van een openbare school. VOS/ABB juicht deze ontwikkelingen toe, omdat ze ertoe leiden dat het openbaar onderwijs een meer gelijkwaardige positie krijgt ten opzichte van het bijzonder onderwijs.

Meten is weten
Ook schrijft de minister dat ze wil kijken naar instrumenten om de behoefte aan (openbaar) onderwijs te peilen. Tot nu toe wordt gebruikgemaakt van de indirecte meting. Dit houdt in feite in dat naar de situatie in het verleden wordt gekeken om te bepalen of er in het heden of de toekomst behoefte is of ontstaat aan een bepaalde vorm van onderwijs.

VOS/ABB pleit voor de directe meting, omdat die een beter beeld geeft van de situatie en de verwachte ontwikkelingen. De minister wil hier echter pas een oordeel over geven, nadat de Onderwijsraad met een advies is gekomen over de toekomstbestendigheid van grondwetsartikel 23 over de vrijheid van onderwijs. VOS/ABB heeft haar visie hierop op verzoek van de Onderwijsraad verwoord (zie een van de gerelateerde berichten in de rechterkolom).

Vereniging
De minister noemt in haar brief ook de vereniging als mogelijke bestuursvorm voor het openbaar onderwijs. VOS/ABB en de Vereniging Openbaar Onderwijs (VOO) hebben haar geadviseerd hier niet voor te kiezen, aangezien de bereidheid van ouders om actief deel te nemen in verenigingen afneemt.

Bovendien is de ervaring van VOS/ABB dat verenigingen in het onderwijs zeer kwetsbaar zijn als er organisatorische problemen ontstaan. De minister neemt het negatieve advies van VOS/ABB en de VOO over.

De brief van minister Van Bijsterveldt aan de Tweede Kamer kunt u downloaden uit de rechterkolom.

Informatie: Janine Eshuis, 06-30041175, jeshuis@vosabb.nl

Bijlagen