Context verklaart inspectiecijfers

Het is elk jaar weer een gebeurtenis waar in onderwijsland met spanning op wordt gewacht: de presentatie van het onderwijsverslag van de inspectie. Dit jaar opent het met een mooi resultaat: de kwaliteit is op veel fronten toegenomen! Maar havo en vwo doen het volgens de inspectie minder goed. Daar schuilt een verhaal achter. Lees verder

De inspectie laat zien dat vooral het praktijkonderwijs een sterke kwaliteitsverbetering heeft gerealiseerd. Zeer zwakke praktijkscholen bestaan niet meer. Dat is een prachtig resultaat! Ook als ik kijk naar het totale aantal leerlingen dat op een school zit die door de inspectie als zwak of zeer zwak wordt beoordeeld, is er goed nieuws: dat aantal is vorig jaar met ongeveer 8000 afgenomen tot 137.000. Natuurlijk is ieder kind op een (zeer) zwakke school er één te veel, maar de situatie wordt beter.

Ook dit keer signaleert de inspectie echter negatieve ontwikkelingen. Zo voldoet eenderde van de scholen voor speciaal basisonderwijs niet aan nieuwe, aangescherpte normen. Maar hier laat de gevleugelde uitdrukking van Johan Cruyff zich gelden: de aanscherping heeft er ook toe geleid dat de sbo-scholen die vier jaar geleden nog als zwak of zeer zwak werden beoordeeld, zich fors hebben verbeterd.

Het echt slechte nieuws uit het inspectierapport gaat over het toegenomen aantal zwakke en zeer zwakke scholen voor havo en vwo. Hier noemt de inspectie onder meer de grote verschillen tussen de cijfers voor de schoolexamens en die voor de centrale examens. De inspectie legt ook nadruk op de lagere slagingspercentages.

Hier gaat een verhaal achter schuil, zoals dat altijd het geval is als het om cijfers gaat. De oorzaak zit hem in de toename van het aantal leerlingen dat naar havo en vwo gaat, terwijl het gemiddelde kind niet slimmer is geworden. De verhouding van de aantallen vmbo- en havo/vwo-leerlingen was jarenlang 60-40 en dat is inmiddels 50-50 geworden. Deze trend past in de internationale Lissabon-doelstelling om 80 procent door te laten stromen naar het hoger onderwijs.

Daarnaast speelt de vaak onterechte impopulariteit van het vmbo een grote rol. Afgezien van de noodzaak om het vmbo met meer trots een beter imago te geven, kunnen we constateren dat de trend die we nu waarnemen, tot gevolg heeft dat het gemiddelde niveau van vooral havo-leerlingen afneemt. Dan is het logisch dat er minder de eindstreep zullen halen.

Een school kan er natuurlijk voor kiezen om strenger te gaan selecteren. Dat zagen we vorig jaar in de discussie over de toelatingseisen die sommige havo’s aan leerlingen met een vmbo-diploma stellen. Beter zou zijn als leerlingen op wie het vmbo is toegesneden, daar ook voor kiezen. Dan zullen ze met meer succeservaringen hun diploma halen. Later we daar onze postieve inspanningen op richten.

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB