Convenant professionalisering succes

Scholen hebben het geld dat via het Convenant professionalisering en begeleiding van onderwijspersoneel beschikbaar is gekomen, goed besteed. Dat blijkt uit onderzoek naar de effecten van het convenant, dat OCW in 2006 sloot met de werkgevers- en werknemersorganisaties in het primair en voortgezet onderwijs. De bijbehorende streefdoelen zijn grotendeels gehaald. Dat maakt duidelijk dat via zo’n convenant uitstekend afspraken kunnen worden gemaakt tussen werkgevers en werknemers. Lees verder

Via het convenant kwam structureel 100 miljoen euro per jaar beschikbaar. Dat geld was bedoeld om leraren en werkgevers invulling te laten geven aan de Wet op de beroepen in het onderwijs (Wet BIO) die op 1 augustus 2006 in werking is getreden. Scholen konden het geld ook besteden aan scholing van zij-instromers, de begeleiding van beginnende leraren, de begeleiding van stagiaires en leraren in opleiding of het opleiden van onderwijspersoneel in de school. De helft van de 100 miljoen euro was al eerder bestemd voor afzonderlijke subsidieregelingen voor scholing en ontwikkeling, maar die kwamen met het convenant te vervallen. De andere helft van het geld was nieuw. Van de beschikbare 100 miljoen euro kreeg het primair onderwijs 59 miljoen euro.

Positief beeld
Onderdeel van de afspraken was dat het convenant periodiek zou worden geëvalueerd. Dat is onlangs gebeurd door onderzoekers van ITS, het onderzoeksinstituut van de Radboud Universiteit in Nijmegen. Zij concluderen dat uit de nulmeting bij directeuren en besturen over het algemeen een redelijk positief beeld naar voren komt. Er blijkt een sterke tendens het interne opleidings-, begeleidings en scholingsbeleid op te starten, vorm te geven, te versterken of te verbeteren.

Uit de resultaten van het onderzoek kan worden afgeleid dat het convenant hieraan heeft bijgedragen. Dit beeld wordt ondersteund uit het feit dat er naast de convenantsgelden ook andere middelen worden ingezet op de verschillende onderdelen van het convenant. Scholen en besturen maken hierbij zowel ten aanzien van de vele convenantsonderdelen als ten aanzien van de besteding van de gelden eigen keuzes. 

Er is veel aandacht voor het onderhouden van de bekwaamheid (competentieprofielen, functioneringsgesprekken en het leggen van relaties met het bekwaamheidsdossier), de professionalisering van directeuren (certificering) en de begeleiding van beginnend personeel. Ook de opleiding van leraren op school wordt ter hand genomen, maar met minder prioriteit dan het onderhouden van de bekwaamheid. Een tussenpositie is er voor de ontwikkeling van een meerjarige strategische personeelsplanning en innovatie.

Minder aandacht is er voor het convenantsonderdeel ‘meer vrouwen in het management’ en – in het primair onderwijs – de begeleiding en scholing van zij-instromers. 

Meer informatie over de resultaten van het onderzoek staan in de rapportage die als bijlage in de rechterkolom van dit bericht is opgenomen. Vooral de managementsamenvatting en de meer uitgebreide samenvatting zijn zeer lezenswaardig.

Vervolgonderzoek: casestudies
De CAO-tafels PO en VO hebben ITS een vervolgopdracht gegeven. De komende maanden worden casestudies uitgevoerd (zes in het PO en zes in het VO). In het kader van dit onderzoek worden ook gesprekken gevoerd met MR’en en personeelsleden. Uit deze casestudies moet onder meer duidelijk worden welke processen bij individuele scholen en personen daarbinnen op gang worden gebracht door (de gelden van)  het convenant en welke afwegingen daarbij zijn of worden gemaakt.

Actieplan Leerkracht van Nederland
Minister Plasterk en de vakorganisaties hebben het beeld opgeroepen dat werkgevers in het PO en VO alleen in beweging te krijgen zijn wanneer er harde prestatieafspraken worden gemaakt. De resultaten van de evaluatie van het Convenant professionalisering en begeleiding weerleggen dit standpunt in belangrijke mate. Het benoemen van streefdoelen in een convenant en een op onderdelen nadere uitwerking daarvan in de desbetreffende CAO’s leidt tot goede resultaten.

Een groot voordeel van een dergelijke benadering is dat scholen en schoolbesturen zelf in belangrijke mate de richting van de verdere professionele ontwikkeling van hun organisaties bepalen. Precies zoals dat is bedoeld met de sinds enige jaren ingezette lijn van decentralisatie van verantwoordelijkheden.  Bij de komende onderhandelingen over de uitwerking van het actieplan in het convenant ‘de professionelere school’ zal dit gegeven de inzet van de werkgeversvertegenwoordigers in het PO en VO verder inkleuren.

Informatie: Hans van Willegen, 0348-405277, jvanwillegen@vosabb.nl

Bijlagen