Inspectie blijft kijken naar maatschappelijke stage

De Inspectie van het Onderwijs blijft de maatschappelijke stage zien als een van de manieren waarop het voortgezet onderwijs een bijdrage levert aan burgerschapsvorming. Dat antwoordt staatssecretaris Sander Dekker van OCW op vragen van de PvdA in de Tweede Kamer.

De maatschappelijke stage werd in het schooljaar 2011-2012 verplicht onderdeel van het voortgezet onderwijs, maar krijgt met ingang van het schooljaar 2014-2015 een vrijwillig karakter. Dit heeft te maken met een bezuiniging van het kabinet. Staatssecretaris Dekker verkoopt deze maatregel onder het mom van meer keuzevrijheid voor de scholen. Die mogen de maatschappelijke stages wel blijven aanbieden, maar ze krijgen er straks dus geen geld meer voor.

Eisen blijven
De vraag van de PvdA in de Tweede Kamer of de Inspectie van het Onderwijs de maatschappelijke stages blijft zien als een van de mogelijkheden voor scholen om invulling te geven aan hun burgerschapstaak, beantwoordt Dekker bevestigend. De PvdA wilde ook weten of het vrijwillige karakter van de stage voor de scholen een versoepeling van de eisen met zich meebrengt. Dat zal volgens de staatssecretaris niet het geval zijn. Een stageovereenkomst blijft noodzakelijk.

Het CDA in de Tweede Kamer wilde van Dekker weten of het niet meer verplicht stellen van de maatschappelijke stage is te rijmen met het streven naar de participatiesamenleving, zoals het kabinet dat heeft verwoord in de Troonrede. Hierop antwoordt Dekker dat de stages mogelijk blijven en dat de participatiesamenleving zich niet van bovenaf met verplichtingen laat dicteren.

Sigaar uit eigen doos
Op de vraag van het CDA waar de 75 miljoen euro blijft die wordt bespaard met het afschaffen van het verplichtende karakter van de maatschappelijke stages, antwoordt Dekker dat dit geld terugvloeit naar de staatskas waaruit de investeringen voor het onderwijs worden betaald. Hiermee erkent Dekker dat de ‘extra’ investering van 650 miljoen euro in het onderwijs deels wordt betaald door eerst 75 miljoen euro van het voortgezet onderwijs af te romen.