Klassengrootte: teldatum cruciaal

In de discussie over de klassengrootte is de teldatum cruciaal. Die teldatum kan verklaren waarom de onderwijsvakbond AOb en het ministerie van OCW tot zulke verschillende conclusies komen over de gemiddelde klassengrootte.

Dat zegt een van de leden van VOS/ABB, directeur Mieke Duvalois van obs De Nijenoord in Wageningen. Zij wijst erop dat met name groep 1, een instroomgroep, op 1 oktober veel minder leerlingen telt dan bijvoorbeeld op 1 juni.

De AOb meldde vorige week dat er veel klassen zijn met meer dan 28 leerlingen. Op scholen met 200 tot 500 leerlingen zou 40 procent van de klassen groter zijn dan 28 leerlingen, en een op de vijf leerkrachten op grote scholen zou zelfs voor een groep met meer dan 30 leerlingen staan. Staatssecretaris Dekker reageerde daarop door te wijzen op representatief onderzoek, waaruit blijkt dat de gemiddelde klas in Nederland 23,3 leerlingen telt.

Mieke Duvalois wijst erop dat groep 1 op 1 oktober vaak nog maar 15 kinderen heeft, terwijl dat er aan het eind van het schooljaar rond de 30 zijn, omdat het een instroomgroep is. Als er geteld wordt op 1 oktober, zoals het ministerie gewoonlijk doet, halen deze groepen het gemiddelde dus aanzienlijk naar beneden.

Deze discussie is een reactie op het burgerinitiatief tegen overvolle klassen van Leraren in Actie (LIA). Deze organisatie heeft vorige week bijna 47.000 handtekeningen aangeboden aan de Tweede Kamer met de oproep de klassen kleiner te maken.

 

4 reacties op “Klassengrootte: teldatum cruciaal

  1. Ook wij hebben een grote combigroep van boven de dertig. Maar hier tegenover staan ook kleinere groepen van 18 en 25 leerlingen. Soms kom je tot een grotere groep omdat qua leeftijd groepen niet gecombineerd worden (willen/kunnen).
    Deze keuzes worden niet genoemd in de onderzoeken. Dus een overzicht per school, groepen en aantallen en verantwoording van de keuzes verhelderen grote groepen en gemiddelden.

  2. Eens dat de groepen 3 t/m 8 over het algemeen zo’n 27/28 of meer leerlingen hebben en het klopt, dat de telling op 1 oktober een scheef beeld geeft. Daarnaast is het natuurlijk interessant, dat er wordt geschreven, dat grote scholen meer grotere groepen kennen. Hier speelt vaak nog een ander fenomeen doorheen, namelijk het in stand houden van kleine scholen. Door die grote scholen met (iets) grotere groepen, kunnen we vaak de kleine scholen die onder de opheffingsnorm zitten binnen gemeentes ism de grotere besturen, in stand houden. Dit zijn ook keuzes die gemaakt worden en het is bekend, dat er bij kleine scholen meer “snij-verlies” mbt de formatie is , omdat er minder leerlingen zijn.

  3. Het ministerie wordt van harte uitgenodigd bij mij op school om eens te komen kijken hoe e.e.a. geregeld is.
    Vorige jaar had ik zelfs 39 kinderen in een kleutergroep. Opzienbarend; het haalde natuurlijk de pers. Graag tot toelichting bereid.

    Met vriendelijke groet, Rob Zilverberg

  4. Belangrijk is om eerst helder te hebben hoe het gemiddelde wordt bepaald.
    Stel er zijn 200 leerlingen op een school. Dat kan gedeeld worden door het aantal FTE aan leerkrachten. Maar is bekend dat een fulltime leerkracht in de bovenbouw 1,085 FTE kost? Stel dat er een leerkracht vrij is geroosterd voor RT aan leerlingen, daalt daarmee dan het gemiddelde per groep? Stel dat een directeur lesgeeft? Kortom: eerst met elkaar de regels / uitgangspunten bepalen en dan pas gaan rekenen en vergelijken!

Reacties zijn gesloten.