Onderwijsraad: minimum 100 leerlingen kan prima

De verhoging van de minimale opheffingsnorm van 23 naar 100 leerlingen is geen aantasting van de bereikbaarheid en variatie van het basisonderwijs. Als er was gekozen voor een ondergrens van 200 leerlingen, zou het dat wel zijn geweest. Dat heeft secretaris Adrie van der Rest van de Onderwijsraad woensdag in Driebergen gezegd tijdens de tweede discussiebijeenkomst over het recente krimpadvies van zijn organisatie.

Er volgen nog vier bijeenkomsten waarop het onderwijs zijn mening kan geven over het advies Grenzen aan kleine scholen. De bijeenkomsten worden georganiseerd door de PO-Raad in samenwerking met VOS/ABB en de andere besturenorganisaties. Aan het einde van dit bericht kunt u zien wanneer en waar de volgende bijeenkomsten plaatshebben. Ook vindt u daar de link om u online voor een van de bijeenkomsten aan te melden.

Voorafgaand aan de mogelijkheid voor vertegenwoordigers van scholen en besturen om aanbevelingen te doen, gaf Van der Rest in Driebergen uitleg over het krimpadvies. Hij zei onder andere dat bij het opstellen ervan de verhoging van de minimale opheffingsnorm naar 200 leerlingen is besproken. Daar is volgens hem niet voor gekozen, omdat een dergelijke verhoging de bereikbaarheid en variatie van het basisonderwijs in dunbevolkte plattelandsgebieden zou aantasten. De geadviseerde verhoging naar 100 leerlingen doet dit volgens hem niet.

Van der Rest plaatste het krimpadvies in een internationaal perspectief. Hij wees op de situatie in buurlanden, waar scholen verder van elkaar liggen dan in Nederland. Wat hij daarbij niet vermeldde, en hier rept het advies van de Onderwijsraad ook niet over, is dat de situatie in een land als Denemarken of Duitsland heel anders is dan in Nederland. Denemarken bijvoorbeeld is veel minder dichtbevolkt dan Nederland. Bovendien zijn daar de faciliteiten en financiële ondersteuning die de overheid biedt op het terrein van leerlingenvervoer veel beter dan in Nederland.

De inbreng van de aanwezigen had overeenkomsten met de aanbevelingen die werden ingebracht tijdens de eerste krimpbijeenkomst maandag in Arnhem, maar er kwamen in Driebergen ook nieuwe visies onder de aandacht. Tijdens beide bijeenkomsten werd opgemerkt dat de discussie over krimp niet moet gaan over getallen, maar over kwaliteit. De voorgestelde verhoging van de minimale opheffingsnorm naar 100 leerlingen zou voor het openbaar onderwijs met zich meebrengen dat er 605 basisscholen dicht moeten, los van de vraag of die scholen goed onderwijs bieden.

Ook werd opgemerkt dat het advies in het licht lijkt te staan van de drang van de overheid tot schaalvergroting, tot bezuinigen en een beperking van de beleidsvrijheid van de schoolbesturen. De overheid zou volgens een aantal aanwezigen belemmeringen moeten wegnemen die het nu voor besturen nog lastig of zelfs onmogelijk te maken om met elkaar samen te werken.

Dit raakt het openbaar onderwijs, dat immers bij samenwerking nog steeds is achtergesteld. Zo is het voor openbare schoolbesturen wettelijk niet mogelijk een samenwerkingsschool of een integraal kindcentrum in stand te houden. Tijdens de bijeenkomst in Driebergen werd erop gewezen dat de gemeenteraad samenwerking kan dwarsbomen, ook als het openbaar en bijzonder onderwijs elkaar al hebben gevonden. Bovendien kunnen er op personeel vlak belemmeringen zijn.

Een ander punt waarop werd gewezen, is de remmende werking die de kleinescholentoeslag op samenwerking kan hebben. Als die toeslag verdwijnt, mag het niet zo zijn dat de overheid dit inboekt als een bezuiniging. Bij opmerkingen over het vermeende verband tussen het advies van de Onderwijsraad en bezuinigingen van de overheid werd erop aangedrongen ‘het beestje bij de naam te noemen’. Het lijkt er volgens een aantal aanwezigen op dat de overheid het advies wil benutten om meer argumenten voor bezuinigingen in handen te krijgen. Er werd in dit kader ook op gewezen dat schaalvergroting extra kosten met zich mee zal brengen, bijvoorbeeld op huisvestingsgebied. Ook zou er meer leerlingenvervoer nodig zijn, wat eveneens extra kosten met zich mee zal brengen.

Vooral vertegenwoordigers van een aantal eenpitters uitten hun vrees voor schaalvergroting. Zij benadrukten dat ze al jaren onder de voorgestelde opheffingsnorm zitten en onderwijs bieden dat van hoogstaande kwaliteit is. Er werd door hen opgemerkt dat het advies van de Onderwijsraad lijkt te zijn geschreven vanuit een Randstedelijke onderwijsblik, waarin een tendens van de overheid tot centralisering te bespeuren is. Vertegenwoordigers van een aantal kleine scholen drongen erop aan de discussie helemaal los te koppelen van krimp. Er zijn volgens hen genoeg voorbeelden van kleine scholen die niet krimpen. Deze scholen zijn al jarenlang klein maar stabiel en doen het al die tijd prima. Nu de Onderwijsraad een verhoging van de minimale opheffingsnorm adviseert, staat hun voortbestaan ineens op het spel.

De mogelijke beperking van de autonomie van de schoolbesturen is een ander punt waarvan zowel in Arnhem als in Driebergen bleek dat de aanwezigen zich daar zorgen over maken. Alleen al het van bovenaf opleggen van een hogere minimale opheffingsnorm – het meest markante punt uit het advies van de Onderwijsraad – wordt gezien als een ongewenste bemoeienis van de overheid. Opgemerkt werd dat het beter is om de schoolbesturen te laten bepalen hoe zij met het geld dat zij van de overheid krijgen kwalitatief onderwijs bieden, of dat nu in grote of kleine scholen is.

Laat krachtig geluid horen!
Er volgen nog vier regiobijeenkomsten waarop ook u uw mening kunt geven over het krimpadvies van de Onderwijsraad. VOS/ABB adviseert u om uw stem te laten horen, omdat het advies ook voor de positie van het openbaar en algemeen toegankelijk onderwijs zeer ingrijpend is.

Aanmelden kan via de website van de PO-Raad.

Het krimpadvies van de Onderwijsraad komt op donderdag 14 maart aan de orde in een openbare procedurevergadering in de Tweede Kamer.

Informatie: Helpdesk, 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, helpdesk@vosabb.nl.