Kritiek op kwantificeren van religieuze feestdagen

Het oordeel van de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) in een kwestie over het wel of niet vrij krijgen op Goede Vrijdag is ten onrechte gebaseerd op een rekensom. Dat stelt advocaat Bart Bouter in het Reformatorisch Dagblad (RD). Lees verder

De CGB oordeelde vlak voor Kerstmis over een kwestie binnen het openbare Staring College in Lochem. Een moeder had de school verzocht om haar twee dochters op Goede Vrijdag vrij te geven, maar de school weigerde dat. De moeder stapte naar de CGB, omdat er sprake zou zijn van verboden onderscheid op grond van godsdienst. De commissie gaf de moeder echter geen gelijk.

Het Staring College kent een verlofregeling, waarop een lijst met religieuze feestdagen staat. Een leerling kan maximaal twee dagen per schooljaar extra vrij krijgen. Op de lijst staan twee hindoefeestdagen, zes joodse feestdagen en twee islamitische feestdagen. Christelijke feestdagen ontbreken op deze lijst, wat de vraag doet rijzen of de school zich schuldig maakt aan verboden onderscheid op grond van geloofsovertuiging.

De commissie oordeelt echter dat niet het geval is, omdat leerlingen al vrij hebben op zeven christelijke feestdagen. Volgens de CGB is er dan ook geen sprake van een ongunstiger behandeling van christelijke leerlingen.

Advocaat Bouter is het hier niet mee eens. In een opiniestuk in het RD wijst hij erop dat openbare scholen op grond van lid 3 van grondwetsartikel 23 over de vrijheid van onderwijs ieders godsdienst of levensovertuiging moeten eerbiedigen. De lijst met feestdagen uit de verlofregeling had niet limitatief moeten zijn en ook christelijke feestdagen moeten bevatten, zo stelt hij.

'Dit had recht gedaan aan de extra verantwoordelijkheid die een openbare school heeft ten opzichte van religie', aldus Bouter.