Meer indicatoren om onderwijskwaliteit te meten

Onderwijs is méér dan taal en rekenen. Dat bevestigt staatssecretaris Sander Dekker in zijn schriftelijke reactie op moties uit de Tweede Kamer om meer aandacht te hebben voor de toegevoegde waarde van de school en nuttige criteria om kwaliteit te meten.

Kamerlid Paul van Meenen van D66 en zijn collega Loes Ypma van de PvdA hadden tijdens de behandeling van de onderwijsbegroting een motie ingediend tegen de doelstelling van het kabinet om de gemiddelde citoscore te verhogen naar 537. Zij pleitten voor een doelstelling op basis van toegevoegde waarde van het onderwijs.

Ook in een andere motie stond dat de verhoging van de cito-eindscore te schrappen als beleidsdoelstelling en om met ‘nuttige criteria’ te komen om de kwaliteit van het onderwijs te meten. Deze motie werd ingediend door Jesse Klaver van GroenLinks, samen met Michel Rog van het CDA, Jasper van Dijk van de SP, Joël Voordewind van de ChristenUnie en Roelof Bisschop van de SGP.

In zijn reactie op de moties laat de staatssecretaris weten dat hij een uitgebreidere set van indicatoren zal samenstellen ‘die recht doet aan de veelzijdige kwaliteit van het onderwijs’. Hiervan zullen volgens hem indicatoren van de eindopbrengsten van leerlingen en van de toegevoegde waarde van scholen deel uitmaken. Hij onderzoekt ook of een beleidsdoelstelling op basis van toegevoegde waarde van scholen mogelijk is.

In de toelichting op zijn reactie bevestigt hij dat de kwaliteit van het basisonderwijs meer is ‘dan de opbrengsten wat betreft de gebieden taal en rekenen’.

De staatssecretaris gaat in zijn antwoorden niet in op het onderdeel van de moties waarin van hem wordt geëist de doelstelling te schrappen om de gemiddelde citoscore te verhogen naar 537.