Misverstanden over bekostiging

Door de vereenvoudiging van de bekostiging in het voortgezet onderwijs (afschaffing t-1-systematiek en de Gemiddelde Gewogen Leeftijd) zijn enkele misverstanden ontstaan. Een van de misverstanden is dat het betalingsritme zou leiden tot liquiditeitsproblemen. In dit ritme is echter niets veranderd. Wel kan zich een knelpunt voordoen bij scholen die te maken hebben met een dalend aantal leerlingen. Lees verder

In de afgelopen jaren was sprake van betaling van de personele bekostiging volgens het kasritme waarbij 32% in de maanden augustus tot en met december werd betaald en 68% in de maanden januari tot en met juli (dat wil zeggen 10% minder dan 5/12 over een periode van vijf maanden en 10% meer dan 7/12).

Dit kasritme is ontstaan bij de invoering van de lumpsum in 1996. Toen kregen alle scholen eenmalig de overlopende personeelskosten uit het oude stelsel uitbetaald. Om dit te compenseren werd het betaalritme van lumpsum aangepast. De minister kon immers niet in één jaar de rijksbegroting sterk overschrijden.

Overlopende posten
Het schoolbestuur heeft in de maanden augustus tot december ook niet 5/12 van de bekostiging nodig. De reden hiervoor ligt in de zogenoemde overlopende posten per 1 januari, te weten de kosten die verband houden met de tot en met december opgebouwde vakantieaanspraken en tegemoetkoming ziektekosten, alsmede de sociale lasten over de maand december.

Deze posten leiden namelijk pas in het volgende kalenderjaar tot uitbetaling door de bevoegde gezagsorganen. Tot het moment van de vereenvoudiging van de bekostiging nemen scholen op de jaarrekening aan het eind van een kalenderjaar daarom een vordering op OCW op. Dit systeem bestaat sinds de invoering van de lumpsum in 1996 en heeft nooit tot problemen geleid.

In artikel II van de Wet van 6 juli 2004 staat evenwel dat scholen voor de laatste vijf maanden van 2005 aanspraak hebben op 32% van de personele bekostiging. Daarmee is het opnemen van de vordering niet meer mogelijk.

Augustus
Dat is op zich niet zo erg, maar in de uitzonderlijke situatie dat een school op een ander moment wordt opgeheven (anders dan bij een fusie) dan 1 augustus, kan dat een financieel probleem opleveren. Op dat moment moet immers aan het personeel nog vakantiegeld en tegemoetkoming in de ziektekosten worden uitbetaald.

Om dit probleem op te lossen is er een ministeriële regeling in de maak, die binnenkort wordt gepubliceerd. Deze regeling houdt in dat in de jaarrekening toch een vordering op OCW kan worden opgenomen. Als dat niet zo was, dan zou dat op vrijwel alle scholen tot een negatief resultaat in 2005 leiden.  

Bovenstaande betekent dat er in het betaalritme – en de verdeling over het jaar – niets is veranderd en dat scholen hiermee dus niet in de problemen kunnen komen.

Minder leerlingen 
Een knelpunt kan zich wel voordoen door de wijziging van t-1-systematiek naar t-3-maanden. Dat geldt met name voor scholen met een teruglopend aantal leerlingen, omdat de financiele gevolgen van de terugloop van het aantal leerlingen sneller doorwerken dan in de oude situatie.

De gevolgen van de terugloop laten zich immers al na drie maanden voelen in plaats van na een jaar. Scholen met een teruglopend aantal leerlingen dienen hier nadrukkelijk rekening mee te houden. 

Informatie: Gertjan van Midden, 0348-405225, gvanmidden@vosabb.nl