Onderzoek naar minimale onderwijstijd

De VO-raad is een onderzoek begonnen naar de gevolgen van de minimale onderwijstijd. Scholen wordt gevraagd hoeveel uren ze programmeren, welke maatregelen ze nemen om meer onderwijstijd te realiseren en wat de gevolgen zijn voor werkdruk, kwaliteit en (extra) kosten. In oktober worden de resultaten van dit onderzoek gepresenteerd. Tegelijkertijd roepen schoolleiders in een open brief de politiek op de minimale onderwijstijd te heroverwegen. Wat is uw mening? Lees verder

Voorzitter Sjoerd Slagter van de VO-raad vraagt zich af of scholen wel genoeg geld hebben om de jaarlijkse minimale onderwijstijd van 1040 uur in de onderbouw te realiseren. Hij wijst op het ziekteverzuim dat tussen de 5 en 7 procent ligt, terwijl de scholen slechts ruim 2 procent vergoed krijgen.

Het grootste probleem is echter het tellen van de uren, zegt Slagter. “Voor scholen staat de kwaliteit van het onderwijs voorop. Veel ouders hebben vooral klachten over onverwachte lesuitval bij ziekte van de docent en over de lesvrije periode aan het begin en het einde van het schooljaar. Het is echter de vraag of ouders en leerlingen ook zitten te wachten op meer reguliere lesuren per week.”

Slagter zegt dat sommige scholen maatregelen moeten nemen om aan de 1040 urennorm te voldoen die ten koste gaan van de kwaliteit van het onderwijs. Voorbeelden daarvan zijn het verminderen van het aantal professionaliseringsuren voor docenten en het afschaffen van extra zorg voor een deel van de leerlingen onder schooltijd.

OMO
Het begin van het onderzoek van de VO-raad valt samen met de publicatie van een open brief in de Volkskrant, waarin schoolleiders van de Brabantse Vereniging Ons Middelbaar Onderwijs (OMO) de gevolgen van de strenge controles op de minimale onderwijstijd aan de kaak stellen. De open brief is gericht aan minister Ronald Plasterk en staatssecretaris Marja van Bijsterveldt van OCW en aan de Tweede Kamer.

De Brabantse schoolleiders van OMO stellen net als de VO-raad dat de controles op de minimale onderwijstijd ten koste gaan van de onderwijskwaliteit. Ze schrijven ook dat de wijze waarop de Inspectie van het Onderwijs de controles uitvoert ‘onze verwachting, dat er mogelijk nog ruimte zou zijn voor een dialoog in deze, vooralsnog de grond (heeft) ingeboord’.

“Wij zijn van mening dat het onderwijs door uw opstelling en uw beleid én door alle negatieve publiciteit rond dit fenomeen, op onterechte wijze in een verkeerd daglicht wordt gesteld. Het doet zeker ook geen recht aan alle mensen die met hart en ziel werkzaam zijn in onze scholen. Uw aanpak wekt voorts de suggestie dat de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs slechts gemeten kan worden naar kwantitatieve maatstaven”, aldus de opstellers van de open brief.

Medeverantwoordelijk
Ze noemen het onrechtvaardig en onacceptabel dat een aantal scholen mogelijk fors wordt gekort, omdat ze niet aan de minimale onderwijstijd voldoen. “De kwaliteit van het onderwijs waar u met uw maatregel voor op wilt komen, komt daarmee juist in het gedrang. Daarbij komt dat u zelf door het jarenlang, zelfs decennialang, gedogen van de bestaande situatie medeverantwoordelijk bent voor de ontstane problematiek.”

De schoolleiders van OMO roepen de minister en de staatssecretaris op om opnieuw over de minimale onderwijstijd in discussie te gaan en om de vo-scholen extra geld te geven. “Binnen onze huidige bekostiging kunnen wij onmogelijk aan uw eisen voldoen. Zou het zo zijn dat één of meerdere van onze scholen echt gekort gaat worden doordat er in de ogen van de inspectie niet aan de onderwijstijd is voldaan, dan zijn de gevolgen groot.”

Als minister Plasterk en staatssecretaris Van Bijsterveldt de gewenste dialoog met de scholen niet willen aangaan, volgen er mogelijk gerechtelijke stappen. “Wij hopen echter, dat het zover niet zal komen.”

De open brief van de schoolleiders van OMO staat in de rechterkolom.

Informatie: Betty Smits-van Sonsbeek, 06-22939680, bsmits@vosabb.nl

Bijlagen