Overleg schoolbesturen en gemeenten

In het nieuwe onderwijsachterstandenbeleid zijn gemeenten en schoolbesturen verplicht gezamenlijk overleg te voeren over het bevorderen van integratie en het tegengaan van segregatie. Dit geldt voor het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs en de agrarische opleidingscentra voor het daarin verzorgde voorbereidend beroepsonderwijs. Met dit overleg wordt onder andere voor het basisonderwijs beoogd een betere spreiding van achterstandsleerlingen over de scholen in een gemeente te realiseren. Lees verder

Schoolbesturen en gemeenten overleggen minimaal een keer per jaar met elkaar over het bevorderen van integratie, het tegengaan van segregatie en het bestrijden van onderwijsachterstanden. Naast het maken van afspraken over de spreiding van leerlingen (wat het basisonderwijs betreft), kunnen afspraken gemaakt worden over bijvoorbeeld het uitwisselen van leraren en leerlingen en het gezamenlijk organiseren van activiteiten om de integratie tussen allochtone en autochtone leerlingen te bevorderen. Hierbij kan het advies van de Onderwijsraad ‘Bakens voor spreiding en integratie’ (18 mei 2005) worden betrokken.

Te maken afspraken

Beoogd wordt dat de agenda voor dit overleg in gezamenlijkheid en op basis van gelijkwaardigheid wordt opgesteld met inachtneming van de wettelijke rantwoordelijkheden van schoolbesturen enerzijds en die van gemeenten anderzijds. Op deze wijze kan een zogenoemd kwaliteitsdialoog tussen schoolbesturen en gemeenten ontstaan.

Het overleg wordt tevens benut voor het maken van afspraken over de aanwending van de  gemeentelijke middelen voor het bestrijden van onderwijsachterstanden. Om de gemeentelijke activiteiten goed te kunnen afstemmen op de activiteiten van de schoolbesturen ligt het voor de hand dat de schoolbesturen aangeven welke activiteiten zij ondernemen ter bestrijding van onderwijsachterstanden en welke middelen daartoe worden ingezet. Hierbij is ook de doorlopende leerlijn van de voorschoolse educatie naar de vroegschoolse educatie onderwerp van overleg.

Voortgezet onderwijs

Voor het voortgezet onderwijs en de agrarische opleidingscentra hebben gemeenten een wettelijke taak bij het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten. Gezien het belang van een goed functionerende jeugdketen rond de school is het goed denkbaar dat de lokale partijen besluiten tot uitbreiding van dit overleg met organisaties zoals de jeugdzorg, het maatschappelijk werk en de politie, en tot een hogere frequentie van het overleg. Onderwerp van overleg op het terrein van het voortgezet onderwijs en de agrarische opleidingscentra zijn in ieder geval de doorlopende leerlijn van het primair onderwijs naar het voortgezet onderwijs en van het voortgezet onderwijs naar de beroeps- en volwasseneneducatie en het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten. Voor scholen die aanvullende financiering ontvangen in het kader van het Leerplusarrangement VO om probleemcumulatie aan te pakken, is die aanpak ook onderwerp van het overleg.

Monitor

De benodigde beleidsinformatie voor het genoemde overleg komt voort uit een analyse van landelijke monitorgegevens, onderzoeksgegevens, inspectiegegevens en lokale monitor – en onderzoeksgegevens. Het Rijk richt daartoe een landelijke monitor in.

Het is de bedoeling het startmoment van deze monitor voor het primair onderwijs te laten aansluiten bij de invoering van het onderwijsnummer in het primair onderwijs en het startmoment van deze monitor voor het voortgezet onderwijs en de agrarische opleidingscentra in te voeren vanaf 1 augustus 2006. De Inspectie van het onderwijs ziet erop toe dat schoolbesturen (en daarmee scholen) rekening houden met de omgeving van de school en overleg voeren met gemeenten over het lokale onderwijsachterstandenbeleid.

Bindende afspraken en een landelijke geschillenregeling

De regeling van het overleg is door de Tweede Kamer ingrijpend aangepast. De benadering van de minister werd als veel te zwak en vrijblijvend beoordeeld en daarom is de wens te komen tot meetbare resultaten nu stevig in de wet vastgelegd. Een uitvoerige discussie vond plaats over de interpretatie van de vrijheid van onderwijs in relatie tot de positie van de gemeente. Een duidelijke meerderheid wilde komen tot bindende afspraken op het terrein van integratie en segregatie, de afstemming over inschrijvings- en toelatingsprocedures en een evenwichtige verdeling van leerlingen met een achterstand.

In de wet is nu bepaald dat B&W de uitkomsten van het verplichte op overeenstemming gerichte overleg (OOGO) kunnen omzetten in bindende afspraken nadat de voorstellen terzake aan de orde zijn gesteld. Als het overleg daarover niet tot overeenstemming leidt kan opnieuw een poging worden gedaan in een nieuw overleg gericht op een zo groot mogelijke consensus. Als ook dat overleg niet leidt tot overeenstemming kan één der partijen, gemeente of een schoolbestuur, om een bindend advies vragen bij de landelijke, door de minister ingestelde geschillencommissie. Die brengt dan binnen vier week een bindend advies uit.

Deze aanpassing van het wetsvoorstel die nu in de wet is verankerd is een belangrijke doorbraak om op lokaal niveau harde afspraken te kunnen maken over de spreiding van achterstandsleerlingen. Het lijkt de eerste keer te zijn de ‘vrijheid van onderwijs’, die het onmogelijk scheen te maken om de beleidsvrijheid van een individueel bevoegd gezag op zo’n gevoelig punt als de toelating van leerlingen aan te tasten, in zo’n vergaande mate in te perken. Het maakt tevens duidelijk hoe belangrijk het tegengaan van segregatie door de Tweede Kamer als maatschappelijk vraagstuk wordt gezien.

Delen: Email this to someoneShare on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedIn