Rechtbank: school aansprakelijk voor schade door onvoldoende pleintoezicht

De school moet over zodanige voorzieningen beschikken dat de aan haar toevertrouwde kinderen zo weinig mogelijk kans op schade zullen hebben. Lees verder

In dit geval schoot de school in die zorgplicht tekort omdat er maar één pleinwacht was op een plein dat niet geheel te overzien was waar 240 leerlingen speelden. De school was daarom aansprakelijk voor de schade die een kind had geleden terwijl het in de pauze op het schoolplein speelde.

Rechtbank Zwolle (mr. J. van der Hulst)
(27 januari 1999)

Art. 1:253k, 1:349 en 6:162 Burgerlijk Wetboek.

Inzake A., in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige B., wonende te M., gemeente N., eiser, advocaat mr. ].A. van der Burg te Alphen aan den Rijn, procureur mr. J.A. van Wijmen
tegen
Vereniging X., gevestigd te N., gedaagde, procureur mr. H.J. Schaatsbergen.

Motivering

  1. Vaststaande feiten
    1. Op 10 december 1993 raakte B. bij een ongeval in schoolgebouw "’Y" te M. met haar linkerpink zodanig bekneld tussen een stalen buitendeur dat haar vinder voor de helft moest worden geamputeerd. Het ongeval vond plaats tijdens het speelkwartier toen B. het schoolgebouw wilde verlaten, waarbij een aantal klasgenootjes de deur van buitenaf probeerde dicht te drukken.
    2. Het scholencomplex bestaat uit twee gebouwen waartussen een plein ligt, dat voor een gedeelte uit grasveld bestaat. Het schoolplein is zodanig gelegen dat men vanaf het ene gedeelte daarvan geen overzicht heeft over het andere gedeelte van het plein, dat om een hoek verder loopt. Er waren op het moment van het ongeluk in elk geval 100 leerlingen op het plein op wie de pleinwacht toezicht moest houden. De als pleinwacht dienstdoende leerkracht bevond zich tijdens het ongeval aan de andere zijde van het plein, van waaruit geen zicht was op de buitendeur van het gebouw waar het ongeval gebeurde. Deze leerkracht heeft derhalve niet kunnen zien dat er een groepje kinderen in de kleuterleeftijd bij de buitendeur stond, toen B. uit het gebouw wilde komen.
    3. Ten gevolge van bovenomschreven ongeval heeft B. aanzienlijke materiële en immateriële schade geleden en zal deze in de toekomst nog lijden.

  2. Standpunt A.
    1. De vereniging heeft onrechtmatig jegens B. gehandeld doordat zij tekort geschoten is in haar toezichthoudende taak en haar zorgverplichting ten aanzien van de aan haar toevertrouwde kinderen.
    2. De school heeft namelijk onvoldoende toezicht gehouden op de spelende kinderen, door slechts één leerkracht in te zetten om op een groep van circa 240 kinderen te passen, terwijl deze leerkracht door de ligging van het scholencomplex ten opzichte van het plein geen zicht had op de plaats van het ongeval, omdat er feitelijk twee schoolpleinen waren.
    3. De zorgplicht van een school hangt samen met de grootte van de school, zowel wat betreft het aantal leerlingen als de oppervlakte van het scholencomplex. Op veel scholen geldt de gedragslijn dat de kinderen in de pauze het schoolgebouw verlaten en niemand zich meer ophoudt in of om de school, hetgeen bedoeld is om gevaarlijke situaties te voorkomen wanneer kinderen in de dichte nabijheid van het schoolgebouw spelen. In de onderhavige situatie was het zonder toezicht in of in de nabijheid van het schoolgebouw spelen gevaarlijk gezien de kleuterleeftijd van de kinderen, die een grote mate van onbevangenheid met zich meebrengt.
    4. Voorts is De Vereniging te verwijten dat de stalen buitendeur waarmee het ongeluk is gebeurd was aangebracht zonder veiligheidsvoorzieningen, waardoor de kans op ongevallen groot was. Het plaatsen van een dranger dan wel een deurbuffer had het dichtdrukken van de deur door de leerlingen weliswaar niet voorkomen, de kracht echter waarmee dit gebeurde had door een dergelijke voorziening afgeremd kunnen worden. Door de extra tijd die hiermee gewonnen had kunnen worden had B. misschien haar vinger in veiligheid kunnen brengen ofwel had een leerkracht te hulp kunnen schieten.
    5. De geleden en nog te lijden schade dient volledig aan De Vereniging te worden
      toegerekend wegens schending van haar toezichthoudende taak enlof de op haar liggende zorgplicht.

  3. Standpunt de Vereniging
    1. De Vereniging kan niet aansprakelijk gehouden worden voor de schade. Er is door de school voldoende toezicht gehouden terwijl zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. Voorts ontbreekt het causaal verband tussen de beweerdelijke schending van de toezichthoudende taak enlof zorgplicht en de schade van B.
    2. Er is sprake van één schoolplein en niet twee. Eén pleinwacht hield toezicht op de 100 kinderen, hetgeen gelet op het aantal leerlingen gebruikelijk was. Zelfs al zou dit onvoldoende zijn dan nog is De Vereniging niet aansprakelijk: het gaat om een schuldaansprakelijkheid en niet om een risico-aansprakelijkheid. Van de gestelde "gebruikelijke gedragslijn" dat zich in de pauze niemand in of in de directe nabijheid van het schoolgebouw ophoudt is De Vereniging niets bekend. Het door De Vereniging gehanteerde uitgangspunt is zo dat in principe in de pauze alle kinderen op het plein spelen, en alleen de school ingaan voor toiletbezoek of om de jas op te halen. De Vereniging betwist dat direct een gevaarlijke situatie ontstaat als kinderen in de directe nabijheid van het schoolgebouw spelen.
    3. De zorgplicht van De Vereniging gaat niet zo ver dat iedere geringe kans op schade voor haar leidt tot een verplichting om in te grijpen. Deze zorgplicht is derhalve niet geschonden enkel en alleen door het feit dat de school een stalen deur had. Nergens blijkt uit dat deze deur niet aan de veiligheidseisen voldoet. Het betreft overigens een gedeeltelijk stalen, gedeeltelijk glazen deur. Een dranger zou het ongeluk of deurbuffer echter niet voorkomen hebben.
    4. Er is voorts geen causaal verband. Het dichtdrukken van de deur door de medeleerlingen is de enige relevante oorzaak geweest voor het intreden van de schade. De ouders van de medeleerlingen zijn aansprakelijk krachtens 6:169 BW. Het beweerdelijk onvoldoende toezicht houden door De Vereniging noch de omstandigheid dat de stalen deur niet extra beveiligd was is conditio sine qua non geweest voor het intreden hiervan. Meer pleinwachten of veiligheidsmaatregelen hadden de schade niet kunnen voorkomen.
    5. Mocht De Vereniging wel aansprakelijk gehouden worden: nu de schade niet voorzienbaar was – De Vereniging hoefde immers niet te verwachten dat de andere kinderen de deur zouden dichtduwen om een medeleerling de uitgang te beletten – kan op grond van 6:101 BW de schade slechts in zeer beperkte mate aan het schenden van een zorgplicht/toezichthoudende taak worden toegerekend.

  4. Beoordeling van het geschil
    1. De Vereniging heeft bij conclusie van antwoord gesteld dat A. op grond van het ontbreken van een machtiging van de kantonrechter ex art. 1:253( juncto 1:349 BW niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Bij conclusie van repliek heeft A. een dergelijke machtiging van de kantonrechter te Lelystad overgelegd teneinde in rechte te kunnen optreden als vader van de minderjarige B. in deze procedure. De rechtbank verklaart A., gelet op voornoemde machtiging, ontvankelijk in zijn vordering.
    2. Het gaat in casu om de vraag of De Vereniging door het toezicht op het schoolplein ten tijde van het ongeval van B. door één pleinwacht te laten geschieden, dan wel door de stalen buitendeur van de school niet te voorzien van veiligheidsmaatregelen zoals een dranger of een deurbuffer, onrechtmatig jegens B. heeft gehandeld, die met haar vinger tussen de deur beklemd raakte door toedoen van klasgenootjes, terwijl op dat moment geen leerkracht in de buurt was.
    3. De rechtbank stelt voorop dat in het algemeen dient te gelden dat een school niet zonder meer aansprakelijk gehouden kan worden voor schade die een kind lijdt als er een ongeluk op het schoolplein gebeurt dat geacht moet worden te zijn veroorzaakt door spelen of stoeien van de kinderen. Het mag immers een feit van algemene bekendheid heten dat kinderen in hun onbevangenheid en onoplettendheid gedragingen jegens elkaar kunnen vertonen die schade ten gevolge kunnen hebben. Van een school kan en mag redelijkerwijs niet worden verwacht dit voor te zijn: het zou niet alleen onmogelijk maar ook onwenselijk zijn om kinderen van jonge leeftijd zodanig in hun speelgedrag te beteugelen dat daarmee elke kans op ongelukken is uitgesloten. Zij moeten in het speelkwartier kunnen ravotten; ongelukjes die daarbij gebeuren moeten op de koop toegenomen worden.
      De omstandigheden van het geval kunnen evenwel tot een andere conclusie leiden. Daarbij speelt een rol de ongeschreven algemeen geldende norm dat een school over zodanige voorzieningen beschikt, dat de aan haar toevertrouwde kinderen zo weinig mogelijk kans op schade zullen hebben. Daarbij mogen aan een school – als pedagogisch deskundige organisatie bij uitstek – zwaardere eisen gesteld worden dan aan bijvoorbeeld de moeder van het klasgenootje bij wie een leerling na schooltijd gaat spelen. Indien komt vast te staan dat een school, met het oog op die voor haar geldende algemene zorgplicht om de kans op ongevallen tijdens schooltijd zo klein mogelijk te maken, door handelen of nalaten meer risico heeft genomen dan redelijkerwijs verantwoord was, kan zij voor de aldus ontstane schade aansprakelijk gehouden worden.
    4. Gelet op het hiervoor overwogene is in casu het volgende van belang. Vaststaat dat ten tijde van het ongeval toezicht werd gehouden op tenminste een honderdtal kinderen door één pleinwacht. Deze kon niet het gehele plein overzien vanwege de ligging daarvan ten opzichte van het schoolgebouw. Wanneer de pleinwacht aan de ene zijde van het plein liep was de andere kant derhalve op dat moment zonder toezicht. Vaststaat verder dat de kinderen in principe buiten moeten spelen in de pauze, maar dat het hun toegestaan was het schoolgebouw binnen te gaan voor toiletbezoek of om hun jas te pakken, en dat een (gedeeltelijk) stalen buitendeur toegang gaf tot het schoolgebouw. A heeft gesteld dat veiligheidsmaatregelen op of aan de deur getroffen hadden moeten worden, opdat het ongeluk voorkomen was dan wel minder ernstige gevolgen voor B. had gehad.
      De rechtbank neemt op dit punt over de stelling van De Vereniging dat toepassing van veiligheidsmaatregelen op de deur het ongeluk niet hadden kunnen voorkomen. Een dranger functioneert bij opening van een deur eerst vanaf een bepaalde openingsstand. De deur moet derhalve eerst een flink stuk zijn geopend. Als één kind van binnenaf tegen een deur duwt waartegen door een groepje kinderen tegendruk wordt uitgeoefend, zal een dranger geen functie hebben omdat het kind dat de deur tracht open te duwen onder de druk van buitenaf de deur niet zal kunnen openduwen tot de stand waarin de dranger zijn werk doet. Voor een deurbuffer, die werkt indien een deur hard wordt dichtgeslagen, geldt hetzelfde. Er was geen sprake van het dichtslaan van een deur, maar van geleidelijk duwen door B. en tegenduwen door het groepje.
      Niet de wijze waarop de deur al dan niet was beveiligd met drangers of buffers is zozeer van belang, als wel de omstandigheid dat een groepje kleuters de mogelijkheid had zich eerst op te houden bij de schooideur en vervolgens en masse tegen die deur te duwen waar een ander kind probeerde naar buiten te komen.
      Het gegeven dat het in casu ging om jonge kinderen in de kleuterleeftijd, die in hun speelgedrag zeer impulsief en onverwacht kunnen handelen, had van De Vereniging verwacht mogen worden dat zij, omdat het zonder toezicht alleen naar binnen of buiten gaan via een stalen deur voor een kleuter op zich al een risico inhoudt, extra oplettendheid zou betrachten als daar andere kinderen van dezelfde leeftijd bij die deur aan het spelen waren. Die alertheid zou hebben kunnen voorkomen dat zich eerst een groepje kleuters bij de deur verzamelt en vervolgens daartegen gaat duwen als een klasgenootje naar buiten komt, zoals B. is overkomen. Hoewel dit gebeuren zich waarschijnlijk binnen korte tijd heeft voltrokken, is de rechtbank van oordeel dat de aanwezigheid van een pleinwacht met zicht op de deur de samenscholing alsmede het duwen had kunnen voorkomen of beïnvloeden. Gelet op de jonge leeftijd van de kinderen had deze pleinwacht met klappen in de handen of roepen al kunnen bewerkstelligen dat de kinderen bij die deur weggingen.
      De Vereniging had naar het oordeel van de rechtbank moeten inschatten dat – gelet op de jeugdige leeftijd van die kinderen die onoplettendheid en onbevangenheid impliceert, die juist bij de deskundige medewerkers van de school bekend zou moeten zijn – de kans op een ongeluk met zo’n stalen deur tijdens het spelen bestaat. Dit risico moest, mede gelet op het gegeven dat De Vereniging toestond dat de kinderen vrij in en uit het schoolgebouw liepen tijdens de pauze en het feit dat slechts één pleinwacht toezicht hield op een plein dat niet geheel overzien kon worden, zeer groot, zo niet onvermijdbaar worden geacht. Onder deze omstandigheden had van De Vereniging verwacht mogen worden dat zij extra (toezichthoudende) maatregelen had getroffen om een ongeluk bij die deur te voorkomen of de gevolgen te beperken.
      Door slechts één leerkracht op het schoolplein te laten circuleren, zodat er ten tijde van het ongeluk geen toezicht was op de deur, heeft De Vereniging nagelaten extra maatregelen te treffen. Dat deze maatregelen niet in alle gevallen voldoende zijn om de gevolgen van een ongeluk te voorkomen of aanzienlijk te beperken doet daar niet aan af. De Vereniging heeft door haar nalaten meer risico genomen dan redelijkerwijs verantwoord was en daarmede haar zorgplicht verzaakt.
      Nu de kans op een ongeluk zich heeft verwezenlijkt kan de aldus ontstane schade van B. aan De Vereniging worden toegerekend.
    5. De omvang van de schade die B. heeft geleden, lijdt en nog zal lijden staat nog niet vast; de rechtbank zal derhalve de zaak verwijzen naar de schadestaatprocedure als door A. gevorderd.
    6. De Vereniging zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.
Delen: Email this to someoneShare on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedIn