Speklaag gebruiken voor álle kinderen

De commissie-Don adviseert schoolbesturen om hun kapitaal effectiever in te zetten. Zo zou er eenmalig extra geld kunnen worden vrijgemaakt. De boodschap is uiteraard vooral van belang voor besturen die rijkelijke reserves hebben opgebouwd. Deze besturen worden nu in de gelegenheid gesteld om meer aandacht te besteden aan goed onderwijs voor álle kinderen. Lees verder

Arm en rijk zijn relatieve begrippen. De commissie-Don maakt dan ook uitdrukkelijk geen onderscheid tussen arme en rijke besturen. Hoe een schoolbestuur er financieel voorstaat, hangt van veel meer dingen af dan -om het maar even simpel uit te drukken- alleen maar de hoeveelheid euro’s die achter de hand wordt gehouden.

In 2008 maakte PricewaterhouseCoopers (PwC) echter wel een onderscheid tussen schoolbesturen met een laag en hoog eigen vermogen. PwC ging daarbij uit van de financierings- en bufferfunctie van het eigen vermogen, onder aftrek van meefinancierend vreemd vermogen. Een eigen vermogen wordt gekwalificeerd als laag wanneer het minder dan 50 procent van de vervangingswaarde van materiële vaste activa bedraagt. Zo’n bestuur zou je dus arm kunnen noemen.  Een schoolbestuur is rijk als de 100 procent wordt overschreden.

Bijzonder is rijker dan openbaar
Zonder dat ik verder wil ingaan op alle technische details –daar hebben de adviseurs bedrijfsvoering van VOS/ABB gelukkig meer verstand van dan ik- valt het me op dat uit de gegevens van PwC een opmerkelijk aspect naar voren dat niet wordt benoemd door de commissie-Don, namelijk dat het bijzonder onderwijs gemiddeld een stuk rijker is dan het openbaar onderwijs.

Terwijl van de protestants-christelijke besturen één op de vijf boven de norm van 100 procent zit en dus als rijk kan worden bestempeld, is dat bij het openbaar onderwijs slechts één op de twaalf. Als wordt gekeken naar de arme besturen, die dus onder de norm van 50 procent zitten, blijkt dat één op de drie openbare schoolbesturen daaronder valt. Bij de protestants-christelijke besturen is dat één op de vier en bij rooms-katholieke schoolbesturen maar één op de zes. Hier laat het rijke roomse leven zich dus letterlijk gelden.

Algemene toegankelijkheid
Wat kan hieruit worden afgeleid? Dat er in het bijzonder onderwijs gemiddeld aanmerkelijk meer kapitaal kan worden vrijgemaakt dan in het openbaar onderwijs. Ik zie wat dit betreft in het kader van de discussie over de algemene toegankelijkheid van het onderwijs mooie kansen weggelegd voor het onevenredig grote aandeel rijke besturen voor bijzonder onderwijs.

Zonder dat ik wil beweren dat protestants-christelijke en katholieke scholen geen leerlingen opvangen met speciale behoeften, is het een algemeen bekend feit dat deze leerlingen oververtegenwoordigd zijn in het openbaar onderwijs. Dat heeft te maken met de mogelijkheid van het bijzonder onderwijs om kinderen die niet in het eigen plaatje passen te weigeren. De besturen voor bijzonder onderwijs kunnen nu hun grote reserves aanspreken om te laten zien dat ze allemaal serieus werk maken van goed onderwijs voor álle kinderen.

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB