Strikte regels stichting en instandhouding

Sinds kort past het ministerie van OCW de regels rond stichting en instandhouding van scholen strikt toe. Dat heeft gevolgen voor toekomstige scholen en voor scholen die verhuizen of worden verplaatst. Lees verder

Het ministerie heeft deze beleidswijziging zonder overleg met de besturenorganisaties doorgevoerd. Concrete aanleiding is het feit dat dislocaties die willen verzelfstandigen, gedurende één jaar te maken hebben met een dubbele bekostiging. Dit is het gevolg van het feit dat de leerlingen op de betreffende dislocatie niet alleen op 1 oktober meetellen voor de bestaande school (T-1) maar ook meetellen op 1-10 van het startjaar van de nieuwe school (T).

Het ministerie legt dit uit als oneigenlijk gebruik van de regelgeving. Hoewel het natuurlijk niet de bedoeling kan zijn dat  leerlingen dubbel worden bekostigd, heeft de keuze van het ministerie wel grote gevolgen voor de scholen.

De wijzigingen op een rijtje.

1. Het omvormen van een dislocatie naar een zelfstandige school wordt op grond van artikel 78 van de WPO vrijwel onmogelijk gemaakt. Artikel 78 bepaalt immers dat bij de berekening van het leerlingen niet die leerlingen worden die binnen een redelijke afstand van een school van dezelfde richting wonen en voor wie plaats is in die school.

In tegenstelling tot de voorgaande jaren telt het ministerie bij de beoordeling van de verzoeken om schoolstichting de leerlingen die een dergelijke dislocatie bezoeken dus niet meer mee bij de leerlingen voor wie een school moet worden gesticht.

In plaats van de oplossing van het probleem van de dubbele bekostiging te zoeken bij de oorzaak daarvan – namelijk de bekostigingsregels – heeft het ministerie ervoor gekozen in te grijpen in het tot op heden gevoerde beleid op het punt van de verzelfstandiging van dislocaties.

Hoewel het ministerie de WPO op dit punt wil aanpassen, betekent dit dat scholen gedurende een aantal jaren te maken krijgen met de gevolgen van deze beleidswijziging. 
Inmiddels loopt hierover een aantal beroepszaken, waarbij VOS/ABB betrokken is.

2. Bij verhuizing van scholen zal het ministerie nagaan of er sprake is van een feitelijke verhuizing. Met andere woorden, het plakken van een brinnummer aan bijvoorbeeld een nevenvestiging of dislocatie (wat soms noodzakelijk kan zijn om te voorkomen dat ook de dislocatie of nevenvestiging ten onder gaat als een school onder de opheffingsnorm komt) is niet meer mogelijk.

3. Bij samenvoeging van scholen zal het ministerie in het vervolg nagaan of dat ook defacto het geval is.

4. Het verschuiven van dislocaties (waardoor soms recht op de groeiregeling ontstaat) zal kritisch worden gevolgd.

Zowel de besturenorganisaties als de VNG hebben bij het ministerie aangegeven dat deze wijziging van beleid grote gevolgen kan hebben voor de scholen en hun besturen. Niet alleen in de bekostigingssfeer, maar vooral ook doordat het tot gevolg zal hebben dat in nieuwbouwwijken het stichten van zelfstandige scholen tot problemen zal leiden zo niet onmogelijk zal worden. Dislocaties met een omvang van meer dan 600 of 700 leerlingen zullen het gevolg zijn.

Los van deze beleidswijzigingen van het ministerie –die dus volledig voorbijgaat aan de gegroeide praktijk en de gewijzigde maatschappelijke ontwikkelingen sinds de invoering van de huidige wettelijke bepalingen– vindt VOS/ABB dat het gehele stelsel van regelingen rondom stichting en instandhouding op de helling moet. De bestaande regelingen zijn complex, werken bureaucratie in de hand (terwijl het streven juist is gericht op het verminderen van de administratieve lasten) en maken lokaal maatwerk moeilijk en soms onmogelijk.

Naar aanleiding van een en ander is met het ministerie, de collegabesturenorganisaties en de VNG afgesproken voorstellen te ontwikkelen voor aangepaste wetgeving op dit terrein.

Informatie: Gertjan van Midden, 0348-405225, gvanmidden@vosabb.nl