Berichten over oppotten tendentieuze onzin

Een verantwoorde financiële buffer opbouwen is wat anders dan geld overhouden. Dat is de strekking van antwoorden van minister Jet Bussemaker van OCW op Kamervragen van de Partij van de Arbeid.

Kamerlid Mohammed Mohandis van de PvdA stelde vragen naar aanleiding van een artikel in NRC. De krant meldde op basis van een bericht van de Algemene Onderwijsbond (AOb) dat onderwijsinstellingen in 2012 ruim 300 miljoen euro hebben overgehouden. De AOb gebruikt de tendentieuze term ‘oppotten’.

De minister zet dit bericht voor Mohandis in een verhelderend kader: ‘Een incidenteel positief resultaat betekent niet per definitie dat de sectoren geld ‘overhouden’. Voor een prudent financieel beleid is het zaak om op de lange termijn naar evenwicht te streven. Dit sluit aan bij de bevindingen van de commissie Vermogensbeheer Onderwijsinstelling.’

Deze commissie, ook wel bekend als de commissie-Don, adviseerde dat onderwijsinstellingen een meerjarige financiële planning en een op de eigen omstandigheden toegesneden risicoanalyse moesten opstellen. ‘Instellingen kunnen zelf van jaar tot jaar een inschatting maken om in te teren, te lenen of te sparen om zo een financiële buffer op te bouwen voor het opvangen van risico’s of om te investeren’, aldus Bussemaker.

De situatie in het primair en voortgezet onderwijs relativeert het AOb- en NRC-bericht nog verder. Het basisonderwijs liet in 2012 een positief resultaat zien van 5 miljoen euro, wat overeenkomst met 0,1 procent van de totale baten. Het was voor het eerst sinds 2008 dat er een positief resultaat was. In de jaren 2010 en 2011 was het totale negatieve resultaat 233 miljoen euro (in de min dus).

Het voortgezet onderwijs had in deze jaren een totaal negatief resultaat van 140 miljoen euro. In 2012 was er een positief resultaat van 94 miljoen euro. Dat kwam overeen met 1,2 procent van de totale baten.

Besturen in geldnood: continuïteit onderwijs voorop

'Ik voel me verantwoordelijk voor de continuïteit van het onderwijs aan leerlingen, niet voor de continuïteit van een bestuur waar sprake is geweest van onvoldoende financieel beheer.' Dat antwoordt staatssecretaris Sander Dekker van OCW op vragen van PvdA-Kamerlid Tanja Jadnanansing.

Aanleiding voor de vragen was het bericht dat een toenemend aantal schoolbesturen onder financieel toezicht van de Inspectie van het Onderwijs wordt gesteld. Dekker legt uit dat de problemen veelal het gevolg zijn van een te trage reactie van het schoolbestuur op dalende leerlingenaantallen en daardoor dalende inkomsten. 'De uitgebleven aanpassingen hebben (…) in vrijwel alle gevallen te maken met personele kosten, die ruim 80% van de uitgaven van een gemiddeld schoolbestuur uitmaken', aldus de staatssecretaris.

Op de vraag hoe er wordt omgegaan met schoolbesturen die niet meer kunnen voldoen aan hun betalings- en onderwijsverplichtingen, antwoordt Dekker dat hij zich verantwoordelijk voelt voor de continuïteit van het onderwijs, maar niet voor de continuïteit van het bestuur. Hij benadrukt dat schoolbesturen zelf verantwoordelijk blijven voor hun financiële gezondheid. In dit kader steunt hij initiatieven van het primair en voortgezet onderwijs zelf om de financiën van schoolbesturen op orde te houden of te brengen.

Informatie: Helpdesk, 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, helpdesk@vosabb.nl