Toelating en verwijdering, ontvankelijkheid bestuurscommissie, bevoegdheid gemeente

Ouders van een jongen eisten onlangs van de gemeente en van de door de gemeente ingestelde bestuurscommissie, dat de jongen op een openbare basisschool zou worden toegelaten. De leerling was een jaar eerder verwijderd wegens ernstige gedragsproblemen, die naar de … Lees verder

Ouders van een jongen eisten onlangs van de gemeente en van de door de gemeente ingestelde bestuurscommissie, dat de jongen op een openbare basisschool zou worden toegelaten. De leerling was een jaar eerder verwijderd wegens ernstige gedragsproblemen, die naar de mening van de Permanente Commissie Leerlingenzorg (PCL) zelfs te ernstig waren voor een positieve beschikking voor een SVO-school. Naar de opvatting van de PCL moest de jongen naar het ZMOK. De ouders weigerden mee te werken aan plaatsing op de ZMOK-school, en hielden de jongen thuis. De openbare school voorzag de jongen van tijd tot tijd van wat huiswerk. Bij de President van de Arrondissementsrechtbank eisten de ouders in kort geding dat de bestuurscommissie c.q. de gemeente de jongen weer tot de openbare school diende toe te laten. Zij beriepen zich daarbij mede op een recente rapportage van een gedragsdeskundige waaruit bleek dat de leerling op een gewone basisschool zou thuishoren.

De president stelde allereerst vast, refererend aan een arrest van de Hoge Raad, dat de bestuurscommissie geen rechtspersoon is, en dus de bevoegdheid mist om in een burgerlijk geding op te treden. De ouders waren in hun vordering tegen de bestuurscommissie niet ontvankelijk.

De gemeente voerde als formeel verweer aan dat zij de bevoegdheden van openbaar schoolbestuur had gedelegeerd aan de bestuurscommissie, en dat zij dus ook niet meer de bevoegdheid had om leerlingen toe te laten of te verwijderen. De President was het met de gemeente eens, en wees de vordering jegens de gemeente af, omdat de gemeente niet aan de vordering zou kunnen voldoen.

De vraag was vervolgens: hoe kunnen de ouders dan hun recht halen?

De President stelde dat de ouders in elk geval hun zoon zouden kunnen aanmelden bij een openbare school van hun keuze. Als de school zou weigeren toe te laten, zouden de ouders op grond van art. 40 van de Wet op het Primair Onderwijs hiertegen bezwaar kunnen maken, waarna de beslissing in bezwaar aan de bestuursrechter ter beoordeling zou kunnen worden voorgelegd. Daarnaast zou in dit specifieke geval ook het oordeel van de PCL (nogmaals) kunnen worden gevraagd, waarbij de beschikking van de PCL om de jongen al dan niet toelaatbaar te achten tot de SVO-school eveneens in bezwaar en beroep zou kunnen worden getoetst.

(Arrondissementsrechtbank Utrecht, 12 juni 2001, kort geding nr. 129874 , www.rechtspraak.nl ).

Delen: Email this to someoneShare on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedIn