Voor – en vroegschoolse educatie (VVE)

Het belang van de vroege kinderjaren voor ontwikkelingskansen en maatschappelijke
participatie kan moeilijk worden overschat. In die jaren vindt de snelste ontwikkeling (motorisch,
cognitief, sociaal-emotioneel) plaats en blijken in de praktijk ook aanzienlijke verschillen in de
ontwikkeling van de kinderen te ontstaan. De kwaliteit van de opvoedingsomgeving en de
communicatie met kinderen is van grote invloed op de individuele ontwikkeling. Lees verder

De VVE

speelt hier een belangrijke rol. Doel van VVE is de taal – en ontwikkelingsachterstand bij de

doelgroep van het onderwijsachterstandenbeleid te voorkomen, dan wel zo snel

mogelijk aan te

pakken. Daarom is een belangrijk element van VVE dat de aanpak al start voordat

kinderen in het

basisonderwijs beginnen. Vervolgens ontstaat een doorlopende leerlijn van

voorschools (bijvoorbeeld peuterspeelzaal)

naar vroegschools (groep 1 en 2 van het basisonderwijs). Het in te stellen overleg

tussen gemeenten en scholen is mede gericht op het vormgeven van deze

doorlopende leerlijn.

Voorschoolse

educatie is bestemd voor doelgroepkinderen van 2 en 3 jaar en wordt

verzorgd op een

peuterspeelzaal of kinderdagverblijven. Hiervoor zijn de gemeenten

verantwoordelijk. Vroegschoolse

educatie is bestemd voor doelgroepkinderen van 4 en 5 jaar en wordt verzorgd in groep 1 en 2

van een basisschool. Hiervoor zijn de scholen verantwoordelijk. Scholen krijgen een eigen budget

voor het realiseren van de vroegschoolse educatie (zie verder ‘doelgroepbereik’).

De doelgroepkinderen

in de voorschoolse periode dienen in ieder geval gedurende 12 maanden minimaal 3

dagdelen per week deel te nemen aan voorschoolse educatie. In de huidige

praktijk is de bekostiging

toereikend voor 4 dagdelen. In dit besluit is gekozen voor 3 dagdelen omdat hiermee rekening

wordt gehouden met jonge kinderen van wie de belastbaarheid voor deelname aan

voorschoolse educatie kleiner is. Gemeenten en basisscholen zijn vrij om een keuze te maken uit

een bepaald VVE-programma. Het is van belang dat wordt gewerkt met kwalitatief goede

VVE-programma’s met een gestructureerde didactische aanpak, die worden uitgevoerd door

gekwalificeerd personeel. Verschillende onderzoeken hebben aangetoond dat VVE alleen

effectief is als aan deze voorwaarden wordt voldaan. Bij het kiezen van een Programma voorschoolse educatie is het raadzaam gebruik te maken van de Keuzegids, waarin een

VVE

overzicht staat van de beschikbare VVE- programma’s of van de databank

effectieve jeugdinterventies

waarin informatie wordt aangeboden over de effectiviteit van interventies die dienst- en

hulpverleners gebruiken bij kinderen.

Gezien de beperkte

middelen is er in dit besluit voor gekozen dat de VVE-middelen worden ingezet voor

programma’s, die door doelgroepkinderen worden gevolgd in een voorschoolse instelling (peuterspeelzaal

en kinderdagopvang) onder leiding van professionele leidsters. Door een meerderheid

van de Tweede Kamer is gevraagd om ook gezinsgerichte programma’s zoals Opstap en

Opstapje, die aan kinderen thuis worden aangeboden, vanuit de VVE-middelen te financieren. Dit

besluit geeft gemeenten de mogelijkheid om in het kader van het

onderwijsachterstandenbeleid gezinsgerichte programma’s te financieren vanuit

het deel van het budget dat is bedoeld voor coördinerende of overige

activiteiten.

Doelgroep
De

doelgroepkinderen in de eerste twee groepen van het basisonderwijs zijn

kinderen met een gewicht, als

bedoeld in artikel 27 van het Besluit bekostiging WPO. In kinderdagverblijven

en peuterspeelzalen

wordt het begrip leerlinggewicht in beginsel niet gehanteerd. Om toch vooraf de totale omvang

van de doelgroep in de voorschoolse periode te bepalen wordt uitgegaan van de omvang van de

doelgroep in de vroegschoolse periode (groepen 1 en 2 in het basisonderwijs).

Daarbij worden de criteria voor de gewichtenregeling in het basisonderwijs als uitgangspunt

gehanteerd om de definitie van de deelnemers aan voorschoolse educatie te bepalen.

Gemeenten kunnen

ervoor kiezen andere criteria te hanteren om een doelgroepkind in
de voorschoolse

periode te definiëren. Op lokaal niveau bestaat in sommige gevallen een eigen praktijk voor de

wijze waarop de definitie van een doelgroepkind in de voorschoolse periode wordt bepaald,

bijvoorbeeld door middel van een indicatie van achterstanden door
Jeugdgezondheidszorginstellingen.

Hierover kunnen op lokaal niveau afspraken worden
gemaakt (tussen

gemeenten, consultatiebureaus, peuterspeelzalen, kinderdagverblijven en
basisscholen) in

het kader van de lokale educatieve agenda, zodat ook in die gevallen een
doorlopende

leerlijn wordt gerealiseerd. Duidelijk moet zijn welke criteria bij het

definiëren van een doelgroepkind

in een kinderdagverblijf of peuterspeelzaal zijn gehanteerd.


Het streven is om

Doelgroepbereik

een landelijk doelgroepbereik van 70% te realiseren op 1 augustus 2010 in de voorschoolse

periode (waarvoor gemeenten verantwoordelijk zijn) en 70% doelgroepbereik op 1

augustus 2010 in

het vroegschoolse traject (waarvoor scholen verantwoordelijk zijn). Scholen ontvangen

daarvoor middelen in het kader van de gewichtenregeling. Gemeenten zullen zich

de komende jaren in toenemende mate richten op de financiering van het aanbod

in de voorschoolse periode, met als doel in 2010 landelijk een bereik van 70%

te realiseren.

Streefcijfer op landelijk niveau
Het behalen van

70% van de doelgroep is een streefcijfer op landelijk niveau. Maatwerk moet gemeenten in de

gelegenheid stellen dit bereik te realiseren. Van belang is dat met deze ambitie niet

voorbij wordt gegaan aan de moeilijk bereikbare allochtone en autochtone achterstandskinderen.

Per gemeente

kunnen tempoverschillen ontstaan bij het uiteindelijk realiseren van deze

doelstelling op 1 augustus 2010. Als op lokaal niveau op 1 augustus 2010 niet

70% van de doelgroepkinderen voorschoolse educatie heeft gevolgd, dan dient op

lokaal niveau in ieder geval minimaal 20% punten méér van de doelgroep te zijn

bereikt ten opzichte van het niveau op 1 augustus 2006, waarbij niet meer dan

70% hoeft te worden bereikt. Als een gemeente bijvoorbeeld thans 40% van de

doelgroep in de voorschoolse periode bereikt dan zou per 1 augustus 2010

minimaal 60% van de doelgroep moeten zijn bereikt. Bij de

verantwoording aan het einde van de periode zal dit geen financiële

consequenties hebben voor gemeenten,

maar tijdens de periode 2006-2010 zal de vooruitgang in doelgroepbereik wel worden gevolgd.

Delen: Email this to someoneShare on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedIn