Wie maakt het onderwijsbeleid?

Wie maakt het onderwijsbeleid? Het kabinet of de oppositie? De laatste, zo lijkt het. De constructieve oppositie dan wel te verstaan – dus D66, ChristenUnie en SGP. Het kabinet heeft de steun van die partijen hard nodig om ook in de Eerste Kamer te kunnen rekenen op een werkbare meerderheid. 

Ook in de politiek geldt ‘voor wat, hoort wat’, zo blijkt uit het feit dat D66 met miljoenen voor het onderwijs mag strooien. Onderwijswoordvoerder Paul van Meenen mag even voor ministertje spelen door in totaal 40 miljoen euro te verdelen. Dat geld was gereserveerd om de afschaffing van de kleinescholentoeslag in goede banen te leiden. Nu die toeslag blijft bestaan, kan het geld andere bestemmingen krijgen. Voorbeelden zijn schone en energiezuinige scholen, passend onderwijs en het Nederlandse onderwijs in het buitenland. Dat laatste past bij D66 als een partij die zich graag als kosmopolitisch profileert.

Als D66 mooie sier mag maken met onderwijsgeld, dan mag de ChristenUnie dat als constructieve oppositiepartij natuurlijk ook. De partij van Joël Voordewind mag bekendmaken dat er 29 miljoen extra in de lumpsum van de samenwerkingsverbanden komt. Dat is niet-geoormerkt geld, maar de ChristenUnie is een politieke partij, dus die heeft al wel een idee waar het aan besteed kan worden. Een deel zou moeten worden gebruikt om de verevening in het kader van de invoering van passend onderwijs te verzachten. Vooral voor samenwerkingsverbanden in krimpgebieden is dit goed nieuws. De keuze past bij de ChristenUnie, omdat die partij haar stemmers vooral in de regio vindt.

Opmerkelijk is dat niet minister Jet Bussemaker of staatssecretaris Sander Dekker van OCW met het nieuws komen over extra geld voor het onderwijs, maar twee oppositiepartijen (waar blijft de SGP?). Het lijkt dus wel of niet het kabinet, maar de oppositie het onderwijsbeleid bepaalt. Wie regeert er nu eigenlijk?

Nu echter D66 en ChristenUnie met geld hebben mogen strooien als beloning voor goed gedrag, lijkt het feestje voorbij. Arie Slob van de ChristenUnie zet het kabinet in de discussie over de strafbaarstelling van illegaliteit onder druk. Als het kabinet dat plan van staatssecretaris Fred Teeven van Justitie doorzet, trekt Slob de stekker uit de gedoogconstructie en wordt het kabinet in de Eerste Kamer weer vleugellam.

Het is goed dat de strafbaarstelling van illegaliteit kennelijk een breekpunt is. Afgezien van de algemene politieke vraag of strafbaarstelling wenselijk is – in die discussie wil ik mij als directeur van VOS/ABB niet mengen – signaleer ik dat het onderwijs in een onmogelijke positie kan komen als Teeven zijn zin krijgt. Want wat wordt er dan van scholen verwacht als zij weten van het illegale verblijf in Nederland van bepaalde leerlingen en hun ouders? Moeten zij dat dan melden, omdat ze immers op de hoogte zijn van een strafbaar feit? Nee, het mag nooit zo zijn dat scholen het verlengstuk van de opsporingsdiensten worden!

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB