Opmerking Wilders benadrukt belang kernwaarden

Wij zijn op grond van de diversiteit die het openbaar onderwijs kenmerkt blij met álle kinderen. Dat is de gedachte die op de avond van de gemeenteraadsverkiezingen direct bij mij opkwam toen Geert Wilders zijn aanhang liet scanderen dat er in Nederland minder Marokkanen moeten komen.

Het mag duidelijk zijn dat ik als man met een warm hart voor de kernwaarden van het openbaar en algemeen toegankelijk onderwijs bepaald geen aanhanger ben van het gedachtegoed van het enige partijlid van de PVV. Maar toen hij op de verkiezingsavond zijn inmiddels zwaar bekritiseerde opmerkingen over ‘de Marokkanen’ maakte, liepen de rillingen mij werkelijk over de rug.

De uitleg achteraf van Wilders dat hij niet álle Marokkanen bedoelde, maar alleen criminele Marokkanen, doet niets af aan het alarmerende signaal dat hij over zichzelf heeft afgegeven. Het gaat er niet om dat er in Nederland minder criminele Marokkanen moeten zijn – het gaat erom dat de criminaliteit wordt aangepakt, ongeacht de afkomst van de mensen die daar schuldig aan zijn.

Ik hoop van harte dat de tijd waarin individuen werden afgerekend op hun afkomst ver achter ons blijft liggen. Er is in het verleden al veel te veel ellende over de samenleving heen gekomen toen voorgangers van Wilders op grond van vermeende etnische verschillen individuen veroordeelden.

In het openbaar onderwijs blijven we ons sterk maken voor onze kernwaarden, omdat diversiteit in combinatie met wederzijds respect en aandacht voor elkaars achtergrond en levensbeschouwing essentieel zijn voor een in alle opzichten gezonde samenleving.

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB

Wat het effect van de ongenuanceerde opmerking van Geert Wilders op kinderen kan zijn, vertelt de 11-jarige Amin Lachir op Omroep Brabant.

Wij worstelen en komen boven

Definitief uitsluitsel is er nog niet, maar het lijkt er sterk op dat de kleinescholentoeslag blijft bestaan. Dit wordt door veel kleine dorpsscholen als goed nieuws gezien, maar zij kunnen nu niet rustig voortdobberen op de woelige wateren van de demografische krimp. De leerlingendaling  zet door – daar heeft de toeslag geen invloed op – dus samenwerking blijft nodig om het hoofd boven water te houden!

Staatssecretaris Sander Dekker van OCW  maakte in mei vorig jaar tijdens een drukbezochte persconferentie in het normaal zo rustige dorpje Wolphaartsdijk bekend hoe hij de negatieve gevolgen van demografische krimp te lijf wilde gaan. Hij stelde voor om de kleinescholentoeslag af te schaffen. Daarvoor in de plaats moest een regeling komen om kleine scholen te stimuleren met elkaar samen te werken.

De keuze van Dekker om zijn krimpplan bekend te maken in Wolphaartsdijk, midden in het krimpgebied Zeeland, sloot aan op zijn visie dat er moet worden samengewerkt om het aanbod en de kwaliteit van het onderwijs ook in krimpgebieden op peil te houden. De persconferentie was niet voor niets in basisschool Samenspel, waarin openbare basisschool De Achthoek en de protestants-christelijke school Ichtus veel samen doen.

VOS/ABB ziet de noodzaak van samenwerking in krimpgebieden ook. Onze beleidsmedewerker Hans Teegelbeckers, die zich onder andere met de krimpproblematiek bezighoudt, lichtte zijn visie in maart vorig jaar toe tijdens een gesprek met het ministerie van OCW. Hij stelde voor om met een stimuleringsregeling de samenwerking tussen scholen en schoolbesturen te vergemakkelijken. Het idee van VOS/ABB kwam terug in de visie van de staatssecretaris.

Nu het erop lijkt dat de kleinescholentoeslag blijft bestaan, wat het resultaat is van een actieve lobby van ChristenUnie en SGP gesteund door D66, rijst de vraag of de besturen van kleine basisscholen de kansen voor een positieve samenwerking met andere schoolbesturen laten voor wat ze zijn. Dat zou niet verstandig zijn, omdat de demografische krimp ook met behoud van de kleinescholentoeslag doorzet.

Als scholen kiezen voor afwachten, kan het gebeuren dat de ene na de andere plattelandsschool omvalt. Daar zit niemand op te wachten. Bovendien zou dat tot de grondwettig onmogelijke situatie kunnen leiden dat niet meer overal voldoende openbaar onderwijs beschikbaar is.

De noodzaak blijft dus onverminderd aanwezig om elkaar op te zoeken. Als het openbaar en het bijzonder onderwijs samen het onderwijs in krimpregio’s op peil kunnen houden, verdient dat absoluut de voorkeur boven de doodlopende weg om op basis van de denominatieve scheidslijnen zelf het hoofd boven water te houden.

In Zeeland hebben ze daar een mooie Latijnse spreuk voor: luctor et emergo. Die zou wat betreft het krimpende onderwijs eigenlijk moeten luiden: luctamur et emergimus – wij worstelen en komen boven!

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB

Kernwaarden bieden brede blik op onderwijs

De kijk van de overheid op onderwijs is te smal. Het is goed dat de Onderwijsraad dit bevestigt.

De overheid bemoeit zich nu te veel met allerlei details. In plaats daarvan moet er op hoofdlijnen worden gestuurd, adviseert de Onderwijsraad. Er is behoefte aan een heldere balans tussen de kaders die de overheid stelt en de ruimte die scholen hebben om vanuit hun eigen visie aan het onderwijs vorm en inhoud te geven.

Dit advies sluit naadloos aan op de visie van VOS/ABB, die is gebaseerd op de kernwaarden van het openbaar onderwijs. Door te werken vanuit die kernwaarden, krijgen scholen een brede kijk op kwaliteit. Natuurlijk zijn rekenen en taal essentieel, maar op openbare scholen zijn wederzijds respect, waarden en normen en aandacht voor levensbeschouwing en godsdienst dat ook. Openbaar onderwijs is immers van en voor de samenleving.

Een brede kijk op goed onderwijs vergt een langetermijnvisie: wat hebben kinderen nodig om zich optimaal te ontwikkelen? Ambities op cognitief gebied zijn er volop in Den Haag, maar de visie van de overheid op de brede vorming van leerlingen blijft vaag. De uitdaging voor de scholen is om cognitieve vakken ondersteunend te laten zijn aan vormende vakken. Taal- en rekenonderwijs kunnen worden verweven met burgerschapsvorming, levensbeschouwing, filosoferen en kunst en cultuur. Voor de overheid ligt de uitdaging erin de scholen die dit doen te waarderen. Zij leiden leerlingen op tot breed ontwikkelde burgers.

Marleen Lammers, beleidsmedewerker VOS/ABB

Wil Dekker af van 1040 uur?

Is de brief van staatssecretaris Sander Dekker van OCW over de minimale onderwijstijd een politiek pressiemiddel of stuurt hij ermee aan op het loslaten van de omstreden 1040-urennorm?

In de Wet onderwijstijd, die door de Tweede en Eerste Kamer is aangenomen, staat dat de minimale onderwijstijd in de onderbouw van het voortgezet onderwijs 1040 klokuren per jaar is. Daarbij geldt dat de school 60 uur aan maatwerkactiviteiten mag meetellen. Hiertoe rekent OCW extra taallessen, mentoruren of bijlessen die niet alle leerlingen hoeven te volgen. De wet treedt op 1 augustus in werking, dus is het logisch dat de staatssecretaris aangeeft dat per die datum de norm van 1040 uur van kracht zal zijn.

In de gesprekken over het Nationaal Onderwijsakkoord leek echter te worden aangestuurd op 1000 klokuren. Nu die gesprekken nog geen resultaat hebben opgeleverd en bovendien sinds eind juni stilliggen, blijft de norm voor de onderbouw in elk geval in het schooljaar 2013-2014 op 1040 uur liggen.

Dat de gesprekken over het Nationaal Onderwijsakkoord stilliggen, heeft te maken met de extra structurele bezuiniging van 6 miljard euro die het kabinet vanaf 2014 wil doorvoeren. Onderdeel van die bezuiniging is de nullijn voor het onderwijspersoneel. Dit was voor de Stichting van het Onderwijs, waarin werkgevers en werknemers verenigd zijn, reden om de gesprekken met het kabinet stop te zetten.

Prompt volgt de brief van staatssecretaris Dekker, waarin hij stelt dat de 1040-urennnorm in het nieuwe schooljaar geldt, terwijl het voortgezet onderwijs uitging van 1000 uur. Daarmee hebben de scholen in hun begroting rekening gehouden. De sector heeft al herhaaldelijk kenbaar gemaakt dat 1040 uur budgettair niet gaat lukken, temeer daar OCW met allerlei stille bezuinigingen het de scholen steeds moeilijker maakt om de eindjes aan elkaar te knopen.

De brief kan worden gezien als een politiek pressiemiddel: wie niet meer wil praten over het Nationaal Onderwijsakkoord, moet op de blaren zitten. Of ligt het genuanceerder? In de brief staat immers ook dat de ambitie om ‘de kostbare onderwijstijd zo effectief mogelijk te benutten’ wordt ondersteund door de aangenomen motie van D66 in de Tweede Kamer ‘om de urennorm van 1040 uur te herzien op een wijze die maximale ruimte biedt aan maatwerk voor leerlingen’. Daar kan het voortgezet onderwijs mee uit de voeten!

Daarbij komt dat de Inspectie van het Onderwijs al heeft aangekondigd niet sec naar de urennorm te zullen kijken. Het gaat de inspectie – terecht – om de onderwijskwaliteit die een school biedt. Als daar aanleiding toe is, kan de inspectie ook kijken naar het aantal uren onderwijs dat door een school is gerealiseerd. De consequentie daarvan kan zijn dat de school een boete krijgt en rijkssubsidie moet terugbetalen.

Ik ga ervan uit dat de brief van de staatssecretaris niet meer en niet minder is dan een technische mededeling, gebaseerd op een wet die nu eenmaal per 1 augustus in werking treedt. Ik hoop dat hij zo verstandig is om de scholen die ook met minder dan 1040 klokuren per jaar goede onderwijskwaliteit leveren niet het vuur na aan de schenen te leggen. Goed onderwijs is immers te waardevol voor een politiek steekspel.

Ramen open, en deuren ook!

Door deze keuze sluit het schoolbestuur aan bij de ontwikkelingen in onze samenleving. Die heeft haar waarden en normen weliswaar gestoeld op de christelijke traditie, maar er is tevens ruimte voor een diversiteit aan culturen en opvattingen. Kinderen moeten die rijkdom meekrijgen. Door hier als school bewust mee om te gaan, kun je alle ramen open zetten, zonder dat alles wegwaait. Sterker nog: zet ook de deuren open en heet leerlingen met diverse achtergronden welkom om de rijkdom van de samenleving binnen te halen.

De ervaring leert dat ouders graag willen dat hun kinderen ‘iets’ meekrijgen van het geloof. De kracht van openbaar onderwijs is dat de school vanuit de openbare gedachte, dus vanuit diverse invalshoeken, naar religies kan kijken. Dit is een geweldige kans om kinderen kennis te laten maken met levensbeschouwing. Ze beperken hun blik niet tot één stroming of visie, maar leren wat diversiteit is.

Daarnaast biedt het openbaar onderwijs kinderen de mogelijkheid om vormingsonderwijs in een specifieke richting te volgen, indien hun ouders dat wensen. Vanuit een landelijk dienstencentrum wordt naast humanistisch vormingsonderwijs ook protestants-christelijk, rooms-katholiek, islamitisch en hindoeïstisch godsdienstonderwijs op openbare scholen verzorgd.

Het verdwijnen van de rooms-katholieke basisscholen in Den Bosch betekent dus niet dat er voor katholieke leerlingen geen plaats meer is!

Marleen Lammers MSc, beleidsmedewerker VOS/ABB

Onderwijs dient reisbranche?

In het Algemeen Dagblad pleit topman Steven van Nieuwenhuijzen van D-reizen voor een meer flexibele spreiding van de zomervakanties. Hij zegt met de reisbranche daarvoor te lobbyen bij het ministerie van Onderwijs.

Van Nieuwenhuijzen vindt dat ouders meer inspraak moeten krijgen bij het plannen van hun zomervakantie. ‘Nu krijgen mensen een tik op de vingers en een boete als ze hun kinderen een of twee dagen eerder van school halen’, aldus de reisbaas. ‘Als niet iedereen tegelijk gaat’, vervolgt hij, ‘wordt de drukte beter gespreid en het maakt de prijzen voor de vakantie ook lager.’

Wat hij lijkt de vergeten, is dat de schoolvakanties al zijn gespreid, in drie regio’s. Verder kunnen scholen al onder bepaalde voorwaarden flexibel met vakanties omgaan. Wat mij stoort in de discussie die Van Nieuwenhuijzen wil losmaken, is dat scholen zich kennelijk moeten aanpassen om het de reisbranche naar de zin te maken.

Laten we alsjeblieft oppassen dat we het onderwijs niet ondergeschikt maken aan zaken als vakantiereizen, die al of niet in het hoogseizoen moeten worden ondernomen. Onderwijs als recht voor kinderen om zich te ontwikkelen, is daar veel te belangrijk voor. Flexibele tijden prima, maar niet in dienst van de commercie.

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB

Excellent!

Eind vorig jaar lanceerde VOS/ABB het project TOP-scholen met de E-factor. TOP staat voor Talentvol Openbaar Praktijkvoorbeeld, de E voor Excellentie. Met dit project willen wij de nadruk leggen op het waarde(n)volle karakter van het (openbaar) onderwijs.

Daarbij zoeken wij naar scholen die uitblinken op verschillende aspecten, zoals levensbeschouwing, diversiteit, maatschappelijke betrokkenheid en partnerschap met ouders. VOS/ABB wil met dit project laten zien dat het openbaar en algemeen toegankelijk onderwijs álle kinderen kansen biedt en dat goed onderwijs om méér gaat dan alleen leerprestaties.

De benoeming tot TOP-school levert veel moois op. Allereerst is het waardevol dat scholen erkenning krijgen voor wat ze doen. Medewerkers en soms ook ouders en leerlingen werken keihard om op een bepaald domein uit te blinken. Met het predicaat TOP-school willen we hun de focus geven om zich verder te ontwikkelen.

Een andere belangrijke opbrengst is de inspiratie die het voor andere scholen biedt. In ons magazine School! staat in elke editie een portret van een TOP-school. Op die manier kunnen andere scholen leren van de kansen die TOP-scholen hebben gegrepen.

Dat andere scholen willen leren, blijkt wel uit het voorbeeld van openbare basisschool De Achtbaan in Amersfoort, die excelleert op partnerschap met ouders. De directrice van deze TOP-school is door diverse organisaties gevraagd om te laten zien hoe het onderwijs met ouders kan samenwerken.

Het is goed om te zien dat de aandacht voor excellente scholen nu ook door het ministerie van OCW wordt erkend. Het gaat daarbij om de brede maatschappelijke taak van het onderwijs en dus niet alleen om de economische meerwaarde van de scholen. Er is immers veel méér dan alleen taal en rekenen.

Marleen Lammers MSc, beleidsmedewerker VOS/ABB

Wat is er mis?

Kijk naar de ellende rond de Onderwijsgroep Amarantis voor mbo en voortgezet onderwijs, die door wanbestuur en torenhoge huisvestingskosten –het bestuursbureau zat nota bene aan de peperdure Zuidas in Amsterdam- financieel kapot is gegaan. Of, dichter bij huis, het gedoe rond de stichting BOOR voor openbaar onderwijs in Rotterdam, een van de grootste organisaties voor primair en voortgezet onderwijs in ons land. Eerst een onderzoek naar jarenlange bouwfraude met diverse arrestaties en toen een buitengewoon kritisch of eigenlijk vernietigend rapport over het functioneren van de organisatie en het aftreden van het toezichthoudende algemeen bestuur. Vervolgens ontstonden er ook nog ernstige twijfels over dure buitenlandse reizen, waarvan het maar de vraag is of die ooit iets hebben bijgedragen aan het onderwijs. Allemaal bepaald geen reclame voor het funderend onderwijs en vooral ook schadelijk voor de reputatie van al die bestuurders en toezichthouders die naar eer en geweten handelen.

Het is van alle tijden dat er overal mensen zijn die niet de verleidingen kunnen weerstaan, die verbonden zijn aan posities met veel verantwoordelijkheden. Ook zijn er altijd wel mensen die eenmaal op hun plek niet doen wat ze zouden moeten doen. De één laat als bestuurder spiegelende onderwijspaleizen bouwen en vergeet dat er ook nog financiële ruimte moet zijn om leraren hun werk goed te laten doen. De ander laat zich als toezichthouder kritiekloos als klankbord gebruiken, zonder de controlefunctie uit te oefenen waarvoor hij of zij is aangesteld, met alle negatieve gevolgen van dien.

De grote vraag is of de cultuur van bestuurders en toezichthouders op de schop moet of dat hier ‘slechts’ sprake is van incidenten, die nu eenmaal –helaas- bij het leven horen. Met die fatalistische gedachte kan ik niet leven, zeker niet omdat ik sta voor het openbaar en algemeen toegankelijk onderwijs, dat van en voor iedereen is. De recente ontwikkelingen vragen om een grondige analyse, en als de resultaten daarvan bekend zijn, moeten we daar open en eerlijk over communiceren. Voorzitter Pieter Hettema van de Vereniging van Toezichthouders in Onderwijsinstellingen (VTOI) zei onlangs dat we het ons niet kunnen permitteren om, en nu citeer ik hem, ‘na enkele grote incidenten de bladzijde om te slaan en door te gaan waar we gebleven waren’. Ik ben het helemaal met hem eens, want het onderwijs is veel te mooi en waardevol om het door bestuurscrises te laten bezoedelen!

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB

Artikel 23: plussen en minnen

De Onderwijsraad vindt de vrijheid van onderwijs en daarmee het duale bestel van bijzondere en openbare scholen een groot goed. Het huidige grondwetsartikel uit 1917 hoeft niet te worden aangepast, maar het kan wel ruimer worden geïnterpreteerd, zo stelt de raad.

Waar zit hem die ruimere interpretatie in? Bijvoorbeeld in het advies voor ‘richtingvrije scholenplanning’. Dit houdt in dat er naast bijzondere scholen op levenbeschouwelijke of religieuze grondslag ook scholen kunnen worden gesticht op grond van bepaalde pedagogische of didactische uitgangspunten. Dit ‘richtingvrije’ plannen is goed, want dat sluit meer aan op de behoeften die in de huidige maatschappij leven.

Verder verzuilen?
Er staat echter ook vermeld dat er op basis van ‘relatief nieuwe levensbeschouwelijke overtuigingen’ bijzondere scholen kunnen worden gesticht. Hier schuilt volgens mij de mogelijkheid dat we het onderwijs (nog) verder gaan verzuilen, met het risico dat kinderen van bepaalde levensbeschouwelijke of religieuze stromingen in hun school geen andersdenkenden meer ontmoeten. Tekenend is dat het woord ontmoeting in het hele advies niet voorkomt, terwijl dat samen met respect en aandacht voor diversiteit juist een sterk punt is van het openbaar en algemeen toegankelijk onderwijs.

In dit kader vind ik het buitengewoon zorgelijk dat de Onderwijsraad aangeeft dat er geen noodzaak is om in het bijzonder onderwijs algemene acceptatieplicht in te voeren. Als het aan de raad ligt, behouden bijzondere scholen het wettelijk recht om op basis van levensbeschouwelijke uitgangspunten leerlingen te weigeren. Ook algemene benoembaarheid blijft in het bijzonder onderwijs een illusie, omdat de raad adviseert bijzondere scholen de wettelijke mogelijkheid te laten behouden om leerkrachten te weigeren.

Homo’s weren?
Hier gaat het in de praktijk met name om homoseksuele personeelsleden, die door sommige christelijke en islamitische scholen worden geweerd. De zogenoemde enkelefeitconstructie, die dit wettelijk mogelijk maakt, hoeft van de Onderwijsraad niet afgeschaft te worden. Deze constructie bepaalt dat een homoseksueel personeelslid niet kan worden geweerd op basis van het enkele feit dat hij of zij homoseksueel is, maar wel als diegene een homoseksuele relatie heeft. Vanuit de kernwaarden van het openbaar onderwijs vind ik dit volstrekt onjuist. 

Maar laat ik afsluiten met een buitengewoon positief punt, waar VOS/ABB bij de Onderwijsraad sterk op heeft aangedrongen: de directe meting. Met dit instrument kan de positie van het openbaar en algemeen toegankelijk onderwijs worden versterkt. Als er bijvoorbeeld in een nieuwbouwwijk of in een dorp zonder openbaar onderwijs een groep ouders of een bestuur een openbare school wil stichten, wordt tot nu toe de indirecte meting toegepast. Die brengt op basis van de scholensamenstelling in een bepaald gebied slechts de onderwijsbehoeften uit het verleden in kaart. De directe meting is veel beter, want die laat een actueel beeld zien. Het mag duidelijk zijn, dat vanwege de ontkerkelijking van de maatschappij, dat beeld steeds meer doorslaat naar openbaar onderwijs.

Voortvarend doorgaan
Het pleidooi van de Onderwijsraad voor de directe meting is uiteraard goed nieuws voor ouders die openbaar onderwijs in hun omgeving willen realiseren. VOS/ABB is actief bij dergelijke initiatieven betrokken, onder andere in Maasbree, Barneveld en Haarlem. Het advies van de Onderwijsraad sterkt mij in de overtuiging dat we daar als VOS/ABB voortvarend mee moeten doorgaan!

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB

Waar is minister van openbaar onderwijs?

Eén keer een misstap begaan, door te zeggen dat vorming van kinderen bij uitstek een taak is van bijzondere scholen, is weliswaar een beetje dom, maar kan een van huis uit christendemocratische minister worden vergeven. Zij kwam in september met haar ondoordachte uitspraak, in een ingezonden artikel in de Volkskrant over de ambities van het funderend onderwijs. Ze schreef toen dat de bijzondere scholen een voorbeeldfunctie hebben als het gaat om de levensbeschouwelijke vorming van kinderen. De taak die juist ook het openbaar onderwijs op dit punt heeft, zag zij kennelijk niet.

Een foutje, denk je dan. Kan iedereen wel eens overkomen. VOS/ABB wees haar in september naar aanleiding van haar stuk in de Volkskrant dan ook op haar beperkte visie. Die boodschap is bij mevrouw Van Bijsterveldt kennelijk niet doorgedrongen, omdat zij tijdens het congres van de Verenigde Bijzondere Scholen (VBS) op 23 november haar woorden herhaalde, alsof het openbaar onderwijs voor haar niet bestaat! Ook daar zei zij, en nu citeer ik haar, ‘dat juist voor het bijzonder onderwijs er een taak ligt als het gaat om de brede vorming van kinderen’.

Nu stoot een ezel zich in het gemeen niet twee keer aan dezelfde steen, maar de minister van Onderwijs doet dat kennelijk wel. Na onze reactie in september zou zij toch moeten weten dat de brede vorming van kinderen niet is voorbehouden aan de bijzondere scholen. Ik neem het haar echt kwalijk dat zij als minister van het gehele onderwijs kennelijk de ogen sluit voor de sociaal-maatschappelijke en levensbeschouwelijke inspanningen van de openbare scholen om leerlingen te vormen tot volwaardige burgers die met wederzijds respect omgaan met anderen.

Alleen een brief schrijven om haar te wijzen op de meerwaarde van het openbaar onderwijs, is bij deze minister kennelijk onvoldoende. Wij willen haar nu dan ook graag uitnodigen voor een bezoek aan één of meer openbare scholen in het primair én voortgezet onderwijs, zodat zij kan ervaren dat ook die scholen een voorbeeldfunctie hebben als het gaat om de brede vorming van kinderen.

Wilt u de minister ontvangen om haar de maatschappelijke meerwaarde van uw openbare school te tonen? Mail dan naar welkom@vosabb.nl onder vermelding ‘Minister is welkom’.

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB

Context verklaart inspectiecijfers

De inspectie laat zien dat vooral het praktijkonderwijs een sterke kwaliteitsverbetering heeft gerealiseerd. Zeer zwakke praktijkscholen bestaan niet meer. Dat is een prachtig resultaat! Ook als ik kijk naar het totale aantal leerlingen dat op een school zit die door de inspectie als zwak of zeer zwak wordt beoordeeld, is er goed nieuws: dat aantal is vorig jaar met ongeveer 8000 afgenomen tot 137.000. Natuurlijk is ieder kind op een (zeer) zwakke school er één te veel, maar de situatie wordt beter.

Ook dit keer signaleert de inspectie echter negatieve ontwikkelingen. Zo voldoet eenderde van de scholen voor speciaal basisonderwijs niet aan nieuwe, aangescherpte normen. Maar hier laat de gevleugelde uitdrukking van Johan Cruyff zich gelden: de aanscherping heeft er ook toe geleid dat de sbo-scholen die vier jaar geleden nog als zwak of zeer zwak werden beoordeeld, zich fors hebben verbeterd.

Het echt slechte nieuws uit het inspectierapport gaat over het toegenomen aantal zwakke en zeer zwakke scholen voor havo en vwo. Hier noemt de inspectie onder meer de grote verschillen tussen de cijfers voor de schoolexamens en die voor de centrale examens. De inspectie legt ook nadruk op de lagere slagingspercentages.

Hier gaat een verhaal achter schuil, zoals dat altijd het geval is als het om cijfers gaat. De oorzaak zit hem in de toename van het aantal leerlingen dat naar havo en vwo gaat, terwijl het gemiddelde kind niet slimmer is geworden. De verhouding van de aantallen vmbo- en havo/vwo-leerlingen was jarenlang 60-40 en dat is inmiddels 50-50 geworden. Deze trend past in de internationale Lissabon-doelstelling om 80 procent door te laten stromen naar het hoger onderwijs.

Daarnaast speelt de vaak onterechte impopulariteit van het vmbo een grote rol. Afgezien van de noodzaak om het vmbo met meer trots een beter imago te geven, kunnen we constateren dat de trend die we nu waarnemen, tot gevolg heeft dat het gemiddelde niveau van vooral havo-leerlingen afneemt. Dan is het logisch dat er minder de eindstreep zullen halen.

Een school kan er natuurlijk voor kiezen om strenger te gaan selecteren. Dat zagen we vorig jaar in de discussie over de toelatingseisen die sommige havo’s aan leerlingen met een vmbo-diploma stellen. Beter zou zijn als leerlingen op wie het vmbo is toegesneden, daar ook voor kiezen. Dan zullen ze met meer succeservaringen hun diploma halen. Later we daar onze postieve inspanningen op richten.

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB

Vaste vakanties? Nergens voor nodig!

Wat een raar plan van minister Marja van Bijsterveldt om landelijk van bovenaf te bepalen wanneer scholen kerst- en meivakantie moeten hebben. Het druist in tegen de ontwikkeling dat scholen waar mogelijk hun organisatie inrichten naar de wensen van de gebruikers. De drang om dat centralistisch vanuit Den Haag te bepalen is niet meer van deze tijd.

De ontwikkeling dat scholen steeds meer met hun stakeholders afspraken maken, zien we bijvoorbeeld heel duidelijk in het project Andere Tijden. Als belangenbehartiger voor kwalitatief sterk openbaar en algemeen toegankelijk onderwijs, dat aansluit bij de wensen van de huidige gebruikers, ondersteunt VOS/ABB dit project voor mogelijke alternatieve indelingen van de schooldag en -week. In de praktijk blijkt dit heel goed aan te slaan.

Dan is het op zijn minst opmerkelijk dat de minister nu wil vastleggen wanneer de scholen rond kerst en in mei vrij moeten zijn. Ik begrijp dat er bepaalde marges zijn -bijvoorbeeld vier weken vrij rond kerst en Nieuwjaar kan niet- maar laat de scholen binnen die marges alsjeblieft doen wat goed is voor henzelf, de ouders, het personeel en de leerlingen, kortom voor hun core-business: goed onderwijs.

De media-aandacht voor de schoolvakanties kan bovendien een negatief bij-effect hebben: het leidt de aandacht af van waar het op dit moment écht om draait, namelijk de bezuiniging op passend onderwijs. Die hakt er zowel bij het speciaal als regulier onderwijs hard in.

Als het kabinet de bezuiniging doorvoert, komen veel leerlingen die extra zorg nodig hebben, thuis te zitten. Op die manier regelt de minister 52 weken per jaar vakantie voor deze leerlingen…

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB

Prestaties zijn meer dan goede cijfers

Het is essentieel dat er op school veel geleerd wordt en dat de tijd die daarvoor beschikbaar is, op efficiënte wijze wordt benut. Ook is het een goed pleidooi van de minister dat scholen de ontwikkeling van hun leerlingen structureel moeten toetsen, én waar nodig op basis van de toetsresultaten sturing moeten geven aan een beter onderwijsproces. Dit kan de druk op die scholen die tot nu toe zwak presteren verhogen, waardoor ze hun kwaliteit mogelijk sneller op orde brengen. Ook is het nodig dat de kwaliteit van leraren en ook managers omhoog gaat, zonder dat ik hiermee degenen die het nu al prima doen in diskrediet wil brengen! Het uiteindelijk doel moet zijn dat kwalitatieve scholen excellent onderwijs geven aan de generatie die in de toekomst de kenniseconomie van Nederland verder ontwikkelt. Dat is nodig als we ons huidige welvaartsniveau minimaal willen behouden.

De minister haakt ook in op de klacht van veel scholen dat er allerlei maatschappelijke en opvoedkundige taken over hen worden uitgestort. Als voorbeeld worden vaak de lessen tegen obesitas en financiële schulden genoemd. Die zouden wat minister Van Bijsterveldt betreft kunnen verdwijnen of in elk geval een stuk minder moeten worden. De redenering die hierachter schuilgaat, is dat kwesties als gezond eten en verstandig met geld omgaan tot de opvoedingstaak van de ouders behoren.

Ik vraag mij echter af of het zo simpel is. De realiteit leert dat niet alle ouders hun opvoedkundige taken serieus nemen en dan is het goed dat de school dat wel doet. We mogen leerlingen niet de dupe laten worden van het feit dat een deel van de ouders in de opvoeding tekortschiet. Dat is niet alleen van belang voor die leerlingen zelf, maar voor de hele samenleving. De maatschappelijke rol van de school mag daarom niet op de achtergrond verdwijnen als er meer aandacht gaat naar meetbare prestaties.

Presteren is namelijk meer dan alleen maar goede cijfers halen voor wiskunde en Engels, of voor rekenen en taal, om het in basisschooltermen te benoemen. Zeker voor het openbaar onderwijs is het van belang dat ook de maatschappelijke rol prominent aanwezig blijft. Openbare scholen staan immers midden in de samenleving en zorgen ervoor dat leerlingen met verschillende achtergronden ook op sociaal-maatschappelijk gebied van elkaar leren. Dan denk ik aan burgerschap, sociale integratie, levensbeschouwing en wederzijds respect. Dat is de meerwaarde die het openbaar onderwijs moet blijven bieden.

Naast excellent onderwijs, dat leerlingen op cognitief gebied het beste moet bieden, blijft het dus ook essentieel dat scholen op maatschappelijk en opvoedkundig vlak actief blijven. Dat is goed voor de sociale cohesie van de toekomstige samenleving, en dus uiteindelijk voor de economie en de internationale concurrentiepositie van Nederland, waar de minister zich -terecht- zorgen over maakt.

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB

Te krap bij kas? Jammer dan!

Vorig jaar werd op Prinsjesdag bekend dat er voor ruim 90 miljoen euro zou worden bezuinigd op de lumpsum van het primair onderwijs. De inmiddels vertrokken staatssecretaris Sharon Dijksma van OCW verpakte dit op een slimme manier. Zij zei dat het een korting was op het budget voor bestuur en management, terwijl dat aparte budget in de lumpsum in feite niet meer bestaat. Het was kortom een greep in de kas.

Daarbovenop kwam een aanpassing van de groeiregeling. Niet meer de groei per school, maar per bestuur is nu bepalend. Daarmee is structureel nog eens 46 miljoen euro bij het primair onderwijs weggehaald. In totaal dus voor het lopende jaar ruim 136 miljoen, een bezuiniging waarmee de Tweede Kamer ondanks protesten van VOS/ABB en later ook de PO-Raad akkoord ging.

Iedereen wist al dat behoud van de kwaliteit van het primaire proces een zeer lastige, zo niet onmogelijke opgave zou zijn. Te meer omdat stafbureaus al zeer sober werken. Daar zit al jarenlang geen enkel vet meer op de botten. Het kan dan ook voor de nieuwe minister van OCW geen verrassing zijn dat er verspreid over het land in het primair onderwijs problemen ontstaan.

In antwoorden op recente Kamervragen hierover, neemt Van Bijsterveldt het probleem volledig niet serieus. Dat de Tweede Kamer met de bezuinigingen heeft ingestemd, mag (helaas) duidelijk zijn. Maar dat mag geen reden zijn om de ogen voor de problemen te sluiten, zoals de nieuwe minister doet. Zij durft zelfs te beweren dat de besturen de problemen voor een groot deel zelf veroorzaken, doordat ze te veel personeel zouden aannemen. Kortom: de boodschap van de nieuwe minister is dat de besturen het allemaal zelf maar moeten oplossen. Er is in de lumpsum nog geld genoeg om het primaire proces op peil te houden, denkt ze.

Het is te gek voor woorden dat de nieuwe minister zo kortzichtig en met gebrek aan kennis over de groeiende problemen van het primair onderwijs heenwalst. Haar optreden schept een verontrustend precedent, niet alleen voor het primair onderwijs maar voor de hele sector. De korting van 300 miljoen euro op passend onderwijs en het budgetplafond voor het speciaal onderwijs moeten nog worden ingeboekt en ook het voortgezet onderwijs ligt in de gevarenzone.

Ritske van der Veen

In de rechterkolom kunt u een nieuwsbericht over deze kwestie aanklikken.

Boerka op school? Er zijn grenzen!

Openbare scholen zijn geen anti-religieuze instellingen. Maar het uitgangspunt van levensbeschouwelijke diversiteit en de verworvenheden van onze democratische rechtstaat stellen wel grenzen aan de eerbiediging van ieders godsdienst of levensbeschouwing. Openbare scholen hebben een actief pluriforme opdracht die veel van de scholen en de leraren vraagt. Daarnaast bestaat er op de openbare school ruimte voor het volgen van godsdienstig of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs. Randvoorwaardelijk kan de overheid hieraan kwaliteitseisen stellen maar inhoudelijk behoort de overheid zich daar niet mee te bemoeien. Dit zijn de uitgangspunten van het openbaar onderwijs, die niet ter discussie staan.

Marcouch stelt in het interview dat islamitische scholen eigenlijk ontstaan zijn uit nood omdat op openbare scholen geen ruimte was voor religie en moslims zich constant moeten verantwoorden. ‘Over het hoofddoekje, al dan niet gemengd douchen en zwemmen, feestdagen. Daar hebben openbare scholen geen centraal beleid voor, dat bepaalt de schooldirecteur. Terwijl uitgangpunt moet zijn dat een moslimjongere in het openbaar onderwijs terecht kan zonder zijn religie te verloochenen.’  

Beginselen
De stadsdeelvoorzitter raakt hier één van de fundamentele beginselen van het openbaar onderwijs, namelijk: ‘Openbaar onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensbeschouwing’.  Dat betekent onder meer dat niemand zijn godsdienst of levensbeschouwing op een openbare school hoeft te verloochenen.

Echter, net als andere in de grondwet verankerde rechten zoals vrijheid van meningsuiting, gelijkheid van man en vrouw en verbod op discriminatie is de eerbiediging – vrijheid – van godsdienst geen absoluut gegeven.  Marcouch bepleit nu dat het dragen van een boerka op de openbare school zou moeten kunnen, maar de regering heeft daar al een standpunt over ingenomen. Minister Plasterk heeft aangekondigd dat het dragen van een boerka op de openbare school verboden gaat worden. VOS/ABB is met de regering van mening dat op een school het contact van aangezicht tot aangezicht van essentieel belang is. Een hoofddoek hoeft daar geen belemmering voor te zijn.

Scheppingsleer
Een ander belangrijk uitgangspunt is dat het openbaar onderwijs bijdraagt ‘aan de ontwikkeling van de leerlingen met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden zoals die leven in de Nederlandse samenleving en met onderkenning van de betekenis van de verscheidenheid van die waarden’ (ook wel de actief pluriforme opdracht van het openbaar onderwijs genoemd). Daarbij kan aandacht worden besteed aan scheppingsverhalen die in verschillende godsdiensten voorkomen. De evolutieleer vormt echter het wetenschappelijke uitgangspunt voor de verklaring en de ontwikkeling van het heelal, de aarde en de verschillende levensvormen en moet als zodanig worden onderwezen op de openbare school.

Tenslotte biedt een openbare school ouders de gelegenheid om hun kinderen godsdienstig of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te laten volgen. Dit is een recht van ouders en geen verplichting. Voor dit onderwijs treedt de openbare school op als gastheer. De leraar die dit onderwijs verzorgt valt niet onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag van de school maar onder het genootschap op godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag die de leraar ter beschikking stelt. Deze regeling komt voort uit het principe van ‘scheiding kerk en staat’.

De overheid kan wel didactische en pedagogische kwaliteitseisen stellen maar geen inhoudelijke. Nu de Wet beroepen in het onderwijs (Wet BIO) ook van toepassing zal worden voor de leraren godsdienst- en humanistisch vormingsonderwijs zal de inhoudelijke component moeten worden ingevuld door de betrokken genootschappen.
Openbare scholen zijn gebaat bij bekwame leraren. VOS/ABB ondersteunt daarom het initiatief om volgens de Wet BIO gekwalificeerde leraren godsdienst- en levensbeschouwelijk vormingsonderwijs structureel te bekostigen via de zendende genootschappen.

De vormgeving van de uitgangspunten van het openbaar onderwijs vindt plaats op elke school in relatie met zijn omgeving. Ongetwijfeld dat daarin verbeteringen mogelijk of wenselijk zijn. Maar met de uitgangspunten van het openbaar onderwijs is niets mis.

Eerste stap in de goede richting

De VO-raad en de WvPO (namens de nieuwe PO-raad) hebben namens de werkgevers de onderhandelingen gevoerd. Ik wil ze vanaf deze plaats complimenteren met hun inspanningen en het bereikte resultaat! Mooi ook om te zien dat het funderend onderwijs gezamenlijk – in deze nieuwe orde – optrekt om zijn belangen te verdedigen. Dat is waar we met z’n allen ook naar toe hebben gewerkt.

Alle betrokken partijen zijn het er denk ik wel over eens dat er – gegeven de financiële ruimte die er was – een behoorlijk resultaat is behaald. Al hoor je na de euforie van het eerste uur nu ook geluiden die zeggen dat het vooral een salaristechnisch verhaal is geworden. En de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het positieve effect van salarismaatregelen vaak maar van korte duur is.

Uiteraard is ook VOS/ABB tevreden met het miljard dat er nu bijkomt, maar het is voor de lange termijn zeker nog niet voldoende. Daarnaast denk ik dat de werkgevers en werknemers gezamenlijk er hard aan moeten trekken om het imago van de leerkracht in positieve zin te verbeteren. Hierin ligt ook een mooie taak voor het openbaar en algemeen toegankelijk onderwijs. Want ook wij willen een aantrekkelijke werkgever blijven voor aanstormend talent en het behoud van onze zittende mensen!

Er zijn twee zaken die ik vanuit het nu bereikte akkoord toch nog kort er uit wil lichten: de BAPO-regeling én het onderwijsondersteunend personeel. Ik heb gisteren tijdens ons congres over Bedrijfsvoering al gemeld dat ik me zorgen maak over de nieuwe regeling inzake de BAPO.  Een mooi resultaat natuurlijk voor de oudere leerkrachten.  Nu de regeling voorlopig blijft bestaan, willen de rekenmeesters van het ministerie echter dat besturen de kosten hiervoor berekenen als ware het een pensioenvoorziening. Met andere woorden: er moet een veelvoud (soms wel het vijfvoudige!) van de kosten worden gereserveerd. Jammer dat de impact van deze maatregel twee weken geleden niet in het nieuws kwam. De berichten over de ‘schatrijke’ schoolbesturen die alsmaar oppotten komen dan weer in een iets ander daglicht te staan.

Een mooi bericht ook vond ik dat er iets meer ruimte komt om weer onderwijsondersteunend personeel en conciërges aan te trekken op de scholen. Dit is een punt waarvoor ook VOS/ABB zich in het verleden al vaker heeft hard gemaakt. En hoewel het niet echt scoort in de publiciteit vind ik dit bemoedigend. Jammer alleen dat er nog onvoldoende geld is om straks weer op alle scholen deze mensen aan te stellen!  Want ook zij zijn onmisbaar!