De monitoring het Nationaal Programma Onderwijs (NPO) bestaat uit een implementatiemonitor en een resultatenmonitor. Daarnaast vindt specifiek aanvullend onderzoek plaats naar de effectiviteit van een aantal interventies. Dat meldt demissionair onderwijsminister Arie Slob in een brief aan de Tweede Kamer.

De implementatiemonitor richt zich op de uitvoering van NPO door de scholen. ‘Een belangrijke bron voor dit deel van de monitoring vormt de waarneming van scholen zelf’, aldus Slob. Hij doelt daarmee op de waarneming van de vertragingen bij leerlingen om op basis daarvan een gerichte keuze te maken uit de menukaart met interventies.

De minister gaat uit van een ‘beperkte monitoringslast’. Hij meldt dat alle scholen een korte vragenlijst krijgen en dat op basis van steekproeven verdiepend onderzoek wordt gedaan.

Resultatenmonitor

Over de resultatenmonitor meldt Slob, dat die op sectorniveau inzicht moet bieden ‘in de omvang, aard en verdeling van de vertragingen en andere verstoringen in de ontwikkeling en mentale gezondheid van leerlingen’. Dit inzicht wordt onder andere verkregen op basis van data uit leerlingvolgsystemen en onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs.

In dit verband is het volgens Slob van belang is dat zoveel mogelijk scholen meedoen aan het Nationaal Cohortonderzoek (NCO). ‘Grotere deelname aan het NCO vergemakkelijkt niet alleen het monitoren van de voortgang op stelselniveau, maar biedt scholen zelf ook belangrijke inzichten in hun eigen situatie.’

Lees meer…