Gelijke kansen voor alle kinderen

Voorzitter Rinda den Besten van de PO-Raad wil af van de schotten tussen primair en voortgezet onderwijs. Want alle kinderen verdienen volgens haar gelijke kansen. Laten we dan ook een einde maken aan het onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs!

Kansengelijkheid, dat wil iedereen die hart heeft voor kinderen en goed onderwijs. Het past niet in onze samenleving dat het ene kind meer kansen krijgen dan het andere. Met het weghalen van de schotten tussen het primair en voortgezet onderwijs wordt de doorgaande leerlijn bevorderd en kan volgens Den Besten ook de vroege selectie van leerlingen worden tegengaan, wat goed is voor de kansengelijkheid.

Zij pleitte hiervoor op een bijeenkomst over de invlechting van het (voortgezet) speciaal onderwijs in het reguliere onderwijs. Uiteindelijk moeten wat haar betreft de Wet op het primair onderwijs (WPO) en de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) worden samengevoegd tot één wet op het funderend onderwijs. Dat is voor haar de stip op de horizon, zo liet ze op die bijeenkomst weten.

Artikel 23

Het is mooi dat de voorzitter van de PO-Raad hiervoor pleit, maar ik mis in haar pleidooi een bespiegeling op het huidige onderwijsbestel dat is gebaseerd op artikel 23 van de Grondwet. Dat houdt nog steeds het onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs in stand. We leven niet meer in de verzuilde 20e eeuw, vrijwel iedereen is het erover eens dat kinderen met en van elkaar moeten leren op basis van diversiteit en wederzijds respect, en tóch plaatsen we ze als het op de scholen aankomt nog steeds in denominatieve hokjes.

Als we met zijn allen écht willen dat kinderen gelijke kansen krijgen, is het niet genoeg om alleen de schotten tussen primair en voortgezet onderwijs weg te halen. Dan moeten ook de schotten tussen de openbare, christelijke, islamitische en alle andersoortige scholen weg. Daarvoor hebben VOS/ABB en de Vereniging Openbaar Onderwijs (VOO) het toekomstconcept School! ontwikkeld. In de toekomst kijken scholen niet meer of een kind christelijk, islamitisch of wat dan ook is, maar kijken zij op basis van diversiteit en gelijkwaardigheid naar de optimale kansen voor alle leerlingen, ongeacht hun afkomst.

Als u meer wilt weten over ons concept School!, downloadt u de School!Gids.

Hans Teegelbeckers, directeur VOS/ABB

Recept tegen segregatie en kansenongelijkheid

De segregatie en kansenongelijkheid nemen toe, signaleert de Inspectie van het Onderwijs. Daarom is het zo belangrijk om boven de denominaties uit te stijgen en daarmee de verzuiling achter ons te laten. Daarvoor hebben wij het concept School! ontwikkeld.

In het rapport De Staat van het Onderwijs 2016-2017 signaleert de inspectie ontwikkelingen die de kansenongelijkheid verder kunnen verscherpen. Het onderwijs vertoont namelijk toenemende sociale en economische segregatie. Vooral hoger opgeleide ouders scheiden zich af.

‘Dat gebeurt via de schoolkeuze: door te kiezen voor scholen met specifieke onderwijsconcepten, scholen waar alleen leerlingen met een vergelijkbare achtergrond op zitten of voor privaat onderwijs’, zo staat in het rapport.

De inspectie signaleert ook dat segregatie en kansenongelijkheid toenemen doordat ouders kiezen voor kleine religieuze scholen. De conclusie is dat in vergelijking met andere landen het Nederlandse onderwijs sterk is gesegregeerd.

Verzuiling achter ons laten

Dat kunnen we veranderen door eindelijk eens de verzuiling in het onderwijs achter ons te laten. VOS/ABB en de Vereniging Openbaar Onderwijs (VOO) hebben daartoe het concept School! ontwikkeld. Hiermee stijgt het onderwijs boven de denominaties uit.

Er zijn dan geen openbare, protestants-christelijke, rooms-katholieke, islamitische of wat voor scholen dan ook, maar scholen die van en voor iedereen zijn en waar gelijkwaardigheid en wederzijds respect centraal staan.

Onderwijs volgens het concept School! is het recept voor een in alle opzichten gezonde samenleving, waarin we mensen niet meer beoordelen op hun achtergrond, levensbeschouwing, maatschappelijke status of hun portemonnee, maar waarderen om wie ze zijn en wat ze kunnen

Wilt u meer over ons concept School! lezen? Download de School!Gids

Hans Teegelbeckers, directeur VOS/ABB

Peutervoorziening moet kansengelijkheid bevorderen

Er moet één peutervoorziening komen voor alle kinderen van 2,5 tot 4 jaar om kansengelijkheid te bevorderen. Dat vinden de PO-Raad, de Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang (BMK), de Brancheorganisatie Kinderopvang, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en Sociaal Werk Nederland, meldt Trouw. In een opiniestuk in die krant lichten voorzitter Rinda den Besten van de PO-Raad en haar collega Sharon Gesthuizen van de BMK het plan toe.

Zij vinden het niet goed dat peuters met verschillende sociaal-economische achtergronden van elkaar gescheiden worden:  ‘Sommige peuters gaan naar de kinderopvang in de buurt, andere peuters naar een voorschool een buurt verderop. En sommige peuters gaan helemaal nergens naartoe’, zo schrijven zij. De voordelen van één peutervoorziening is volgens hen onder meer dat kinderen van jongs af aan samen opgroeien.

Advies peutervoorziening

Het plan voor één peutervoorziening borduurt voort op het advies Tijd om door te pakken in de samenwerking tussen onderwijs en kinderopvang van de Taskforce samenwerking onderwijs en kinderopvang. In dat advies staat dat alle peuters samen moeten kunnen opgroeien en zich ook samen moeten kunnen ontwikkelen.

Lees meer…

Veel minder kansen voor kinderen uit arme gezinnen

Kinderen uit bijstandsgezinnen met een niet-westerse migratieachtergrond hebben veel minder kans om hun school succesvol en zonder vertraging te doorlopen dan kinderen uit gezinnen van hoogopgeleide ouders met veel geld, meldt de Rekenkamer Metropool Amsterdam (RMA).

De constatering van de RMA staat in het kader van de bezuiniging op de Scholierenvergoeding van de gemeente Amsterdam. Die vergoeding voor gezinnen met weinig geld blijkt positief effect te hebben op schoolprestaties. De RMA adviseert daarom deze gemeentelijke bezuiniging in de hoofdstad terug te draaien.

Daarbij verwijst de RMA naar de Sociaal-Economische Raad (SER), die in het advies Opgroeien zonder armoede het belang benadrukt van goede voorzieningen voor kinderen uit arme gezinnen. Die zouden volgens de SER dezelfde kansen moeten hebben als leeftijdgenoten van wie de ouders meer/veel geld hebben.

Lees meer…

Albert Heijn geeft gratis examentraining

Albert Heijn organiseert in de vier grote steden examentrainingen voor scholieren die vakkenvuller of caissière zijn, meldt NRC Handelsblad.

Sinds april organiseert de supermarktketen tweewekelijks examenklassen voor de 8000 vakkenvullers en caissières die eindexamen doen. De ouders hoeven hier niet voor te betalen. Ook is er gratis online examenbegeleiding. Albert Heijn wil zijn jonge werknemers hiermee een goede start geven op de arbeidsmarkt, schrijft NRC.

De VO-raad is er blij mee, meldt de krant. ‘Mooi voor kinderen die geen rijke ouders hebben’, reageert een woordvoerder van de sectororganisatie.

Lees meer…

Albert Heijn en gelijke kansen

Particuliere bijlessen waarvoor ouders wel moeten betalen, worden de laatste tijd in verband gebracht met kansenongelijkheid. Minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker van OCW zeiden in januari in reactie op Kamervragen van GroenLinks dat het funderend onderwijs de verantwoordelijkheid heeft om alle leerlingen onderwijs en begeleiding van hoge kwaliteit aan te bieden.

De minister en de staatssecretaris zeiden echter ook dat ouders de vrijheid hebben om ervoor te kiezen buitenschoolse begeleiding in te schakelen. ‘Er heeft en zal altijd een particuliere markt voor bijlessen en huiswerkbegeleiding bestaan’, aldus Bussemaker en Dekker.

Lees meer…

 

Inspectie kijkt met trots terug op 2016

Inspecteur-generaal Monique Vogelenzang van de Inspectie van het Onderwijs kijkt met trots terug op 2016. Dat meldt ze in haar voorwoord in Jaarbeeld 2016. Effectief toezicht voor beter onderwijs.

‘Aan de ene kant vernieuwden we ons toezicht, draaiden we pilots, evalueerden we, stelden we een nieuw onderzoekskader vast, gingen we proefdraaien en boden we onze mensen een stevig scholingstraject aan. Tegelijkertijd voerden we onze toezichttaak uit, deden we instellingsonderzoek en themaonderzoek en maakten we onder meer de Staat van het Onderwijs. We gaven, kortom, invulling aan effectief toezicht voor beter onderwijs, aan onze missie’, aldus Vogelenzang.

Inspectie over kansenongelijkheid

Het rapport De Staat van het Onderwijs 2014/2015 dat in 2016 werd uitgebracht, had volgens Vogelenzang grote impact. In dit rapport stond de groeiende kansenongelijkheid in het onderwijs centraal. ‘Onze boodschap over kansenongelijkheid resoneert nog steeds. En dat niet alleen, op allerlei plekken zijn er initiatieven om de kansenongelijkheid te bespreken en te bestrijden. Initiatieven waar wij zo nodig graag onze bijdrage aan leveren.’

In het Jaarbeeld 2016 staat dat de inspectie in het verslagjaar circa 2950 onderzoeken uitvoerde en besturen, scholen en opleidingen bezocht. ‘We rapporteerden ook over een aantal actuele thema’s, altijd met het oogmerk om perspectief op kwaliteitsverbetering te bieden. Daarbij kozen we vaker dan voorheen voor de dialoog met de betrokkenen over de uitkomsten in plaats van dat we alleen een rapport uitbrachten’, aldus de inspecteur-generaal.

Lees meer…

Inspectie: burgerschapsonderwijs schiet tekort

Het burgerschapsonderwijs vertoont weinig samenhang en is weinig doelgericht. Bovendien ontbreekt inzicht in wat leerlingen ervan leren. Dit en meer stelt de Inspectie van het Onderwijs in het onderwijsverslag De Staat van het Onderwijs, dat woensdag is overhandigd aan de demissionaire minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker van OCW.

De inspectie dringt aan op versterking van de condities voor burgerschapsonderwijs, maar ziet in de huidige situatie ook aanknopingspunten voor verbetering. Zo wordt in het onderwijsverslag samenwerking genoemd in de Alliantie voor Burgerschap. ‘Ook laten veel scholen zien dat burgerschapsonderwijs – anders dan soms wordt gedacht – niet altijd ‘ingewikkeld’ of ‘gevoelig’ voor meningsverschillen over waarden en normen hoeft te zijn’, aldus de inspectie.

De kritische bevindingen van de inspectie steken af tegen de positieve beoordeling van burgerschapsonderwijs door schoolleiders, zoals onlangs bleek uit een peiling van DUO Onderwijsonderzoek. Uit die peiling kwam onder andere naar voren dat een ruime meerderheid van zeven op de tien directeuren in zowel het basis- als voortgezet onderwijs (zeer) tevreden is over de kwaliteit van het burgerschapsonderwijs bij hen op school.

Rekenen en wiskunde

De Staat van het onderwijs gaat natuurlijk over (veel) meer dan alleen burgerschapsonderwijs. Zo signaleert de inspectie dat vooral bij rekenen, wiskunde en natuurwetenschappen de prestaties dalen. De sterkste daling is te zien bij de resultaten van basisschoolleerlingen in het natuuronderwijs. Toch presteren Nederlandse kinderen vergeleken met leeftijdgenoten in andere landen nog steeds goed als het gaat om rekenen, wiskunde en natuurwetenschappen.

Een ander punt dat de inspectie benoemt, is dat er in Nederland in vergelijking met andere landen relatief weinig zwakke en ook relatief weinig excellente leerlingen zijn.

Gelijke kansen

Hoewel in 2016 twee keer zoveel schooladviezen naar boven zijn bijgesteld dan in 2015, neemt de kansenongelijkheid niet af. ‘De kans op onderadvisering voor leerlingen met laagopgeleide ouders (…) is weliswaar sterk gedaald, maar vooral leerlingen met hoogopgeleide ouders profiteren van verschuivingen in 2016’, zo staat in het verslag.

Verder blijkt dat hoog presterende leerlingen met academisch geschoolde ouders vaker in homogene vwo-brugklassen zitten en dito leerlingen zonder academisch geschoolde ouders vaker in een gemengde brugklas. ‘Dit kan gevolgen hebben voor het niveau waarop zij de lesstof krijgen aangeboden’, stelt de inspectie.

De segregatie naar etnische achtergrond vermindert in zowel het basis- als voortgezet onderwijs. Sociale segregatie in het onderwijs is volgens de inspectie vooral een verschijnsel dat zich voordoet in steden. Op scholen met veel kinderen van ouders met een lage sociaaleconomische status signaleert de inspectie de meeste leerachterstanden.

Professionalisering

Leraren, scholen en schoolbesturen verschillen aanzienlijk van elkaar in tijd en aandacht voor professionalisering. ‘Op sommige scholen lijkt het leraren aan tijd te ontbreken om zich te professionaliseren, terwijl op andere scholen (…) leraren juist intensieve en gerichte professionaliseringsactiviteiten ondernemen’, schrijft de inspectie.

In het verslag staat ook dat professionaliseringsactiviteiten weinig gericht zijn op effectieve aanpakken en maar zelden een relatie hebben met het strategisch beleid van de school. Bovendien blijken de directie en de leraren vaak heel verschillend tegen de ontwikkeling van de school aan te kijken. ‘De onderwijsvisie (…) is niet altijd duidelijk en wordt niet altijd gedeeld. Leraren en schoolleider praten vaak langs elkaar heen (…).’

Passend onderwijs

Het beeld dat er met de invoering van passend onderwijs grote verschuivingen zijn opgetreden, klopt volgens de inspectie niet. ‘Leerlingen met een ondersteuningsbehoefte blijven vaker in het regulier onderwijs en vanuit het speciaal onderwijs gaan er leerlingen naar het regulier onderwijs. Het ging de afgelopen twee jaar om kleine verschuivingen, waardoor er per school geen of nauwelijks leerlingen uit het speciaal onderwijs bij komen’, zo staat in het onderwijsverslag.

Volgens de inspectie zijn er succesvolle interventies geweest om het aantal leerlingen dat zonder onderwijs thuiszit omlaag te brengen. ‘Samenwerkingsverbanden die doorzettingsmacht hebben georganiseerd, lijken er beter in te slagen leerlingen niet langdurig thuis te laten zitten.’

Informatie: André de Jong, 06-30056066, adejong@vosabb.nl

Nijmegen zet in op gelijke kansen

Nijmegen wil als Nationale Onderwijsstad 2017-2018 inzetten op gelijke kansen voor alle kinderen.

‘Het thema ‘gelijke kansen’ past Nijmegen als een jas,’ aldus onderwijswethouder Renske Helmer-Englebert (SP). ‘Met de innovatieagenda en een intensieve samenwerking tussen opvang, onderwijs en werk is Nijmegen altijd bezig kinderen, leerlingen en studenten een optimaal ontwikkelklimaat te bieden.’

Met ingang van 1 oktober aanstaande draagt Nijmegen een jaar lang de titel van Nationale Onderwijsstad. Deze titel wordt elk schooljaar aan een andere stad verleend. Op dit moment is Rotterdam Nationale Onderwijsstad, in het schooljaar 2015-2016 was het Dordrecht.

Lees meer…

Veel meer geld nodig voor gelijke kansen

In een brandbrief van onder andere de PO-Raad staat dat er veel meer geld moet naar het onderwijsachterstandenbeleid en voor- en vroegschoolse educatie (vve). De brief, die is gericht aan de Tweede Kamer, staat in het teken van gelijke kansen voor alle kinderen.

In de brandbrief slaan de afzenders alarm over een door het kabinet aangekondigde bezuiniging van 65 miljoen euro in 2018 op het budget voor schoolbesturen en gemeenten voor onderwijsachterstandenbeleid. Ook trekken ze aan de bel over een voorgestelde herverdeling van het beschikbare geld. Door die herverdeling zouden met name grote gemeenten minder geld krijgen, terwijl kleinere gemeenten meer zouden krijgen.

De brandbrief gaat tevens in op een recent rapport van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Daaruit blijkt volgens de afzenders dat er een verdubbeling van het budget nodig is, omdat het aantal kinderen met een groot risico op achterstand meer dan twee keer zo groot zou zijn als waar het kabinet van uitgaat.

‘Wij willen alles op alles zetten om voor alle kinderen een goede start mogelijk te maken. Maar het kabinet dreigt af te breken wat in de voorscholen en het primair onderwijs is opgebouwd’, aldus de afzender van de brandbrief.

Download de brandbrief die mede is ondertekend door de VO-raad, belangenorganisatie Ouder & Onderwijs, de schoolleidersvakbond AVS, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en andere gemeentelijke organisaties en organisaties in de kinderopvang.

Sociale partners pleiten voor kansengelijkheid

De sociale partners verenigd in de Stichting van het Onderwijs hebben voor een volgend kabinet een zespuntenplan gepresenteerd. Daarin staat onder andere dat kinderen vanaf twee jaar ontwikkelrecht moeten krijgen. Ook wordt gepleit voor gemengde schooladviezen en brede en meerjarige brugklassen.

In het plan wordt benadrukt dat het bieden van gelijke kansen erom vraagt om op jonge leeftijd met onderwijs te beginnen: ‘Kinderen leren het meest in de eerste jaren van hun leven. Hoe eerder je investeert, hoe meer leerwinst later en hoe meer achterstanden kunnen worden voorkomen en ingehaald.’

Laatbloeiers en zwakke milieus

Met gemengde schooladviezen, brede brugklassen en langere brugklasperiodes moet selectie op 12-jarige leeftijd worden tegengegaan. Die selectie zoals die nu is, leidt volgens de Stichting van het Onderwijs toe dat met name laatbloeiers en leerlingen uit zwakkere milieus op een voor hen te laag niveau terechtkomen.

Tevens wordt erop aangedrongen om het voortgezet onderwijs meer te verbinden met het middelbaar en hoger beroepsonderwijs en de universiteit.

Leraren

In het zespuntenplan wordt ook gepleit voor een verdere professionalisering van leraren en schoolleiders en voor investeringen in het imago van het onderwijs als werkgever. Hier komen kwesties aan bod als loon, werkdruk, de autonomie van de leraar en strategisch personeelsbeleid in het kader van het toenemende lerarentekort.

Een ander punt is dat scholen en lerarenopleidingen meer met elkaar moeten gaan samenwerken. De wetgeving zou daarop moeten worden aangepast.

Governance en sturing

Op het gebied van governance wordt in het zespuntenplan gepleit voor ‘een brede verantwoordingsmethodiek, zonder te veel focus op meetbare output en rendement’. De Stichting van het Onderwijs roept een volgend kabinet op tot terughoudendheid met nieuwe regulering en vertrouwen in de onderwijssector.

In de Stichting van het Onderwijs zitten de sociale partners, waaronder de sectororganisatie PO-Raad en VO-raad en de vakbonden.

Download zespuntenplan

Rond de presentatie van het zespuntenplan was een onderwijsdebat georganiseerd.

Download verslag onderwijsdebat

Basisschool verlengen tot 14 of 15 jaar

De Groningse onderwijskundige Marie-Christine Opdenakker pleit ervoor om kinderen op de basisschool te laten tot ze 14 of 15 jaar zijn, meldt onder andere het Algemeen Dagblad.

Opdenakker vindt het veel te vroeg om kinderen op hun twaalfde in te delen op niveau en naar het voortgezet onderwijs te sturen, zoals dat nu in Nederland gaat. Dat vergroot volgens haar verschillen en de kansenongelijkheid.

Ze wijst onder andere op het systeem in Finland, waar kinderen tot 14 of 15 jaar een basisopleiding krijgen. Pas daarna gaan ze door naar een beroepsopleiding of naar een vervolgopleiding voor hoger onderwijs of de universiteit. Opdenakker zegt dat vooral jongens, kinderen van laagopgeleide ouders, migrantenkinderen en laatbloeiers daarvan profiteren.

Lees meer…

Bijles is prima, mits regulier onderwijs in orde is

Ouders hebben de vrijheid om voor bijles of huiswerkbegeleiding te kiezen als zij dit zinvol achten. Dat zeggen minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker van OCW in antwoord op Kamervragen. Ze benadrukken dat er altijd een particuliere markt voor bijles en huiswerkbegeleiding blijft bestaan.

Tweede Kamerlid Rik Grashoff van GroenLinks had vragen gesteld naar aanleiding van het rapport Kansengelijkheid in het onderwijs van DUO Onderwijsonderzoek. Grashoff vroeg onder andere of Bussemaker en Dekker het ermee eens zijn dat het onderwijs van dusdanige kwaliteit moet zijn dat privéonderwijs niet nodig is.

De minister en de staatssecretaris beamen dat het funderend onderwijs de verantwoordelijkheid heeft om alle leerlingen onderwijs en begeleiding van hoge kwaliteit aan te bieden. ‘Privéonderwijs mag geen gevolg zijn van tekortschietend regulier onderwijs. Dit neemt niet weg dat ouders de vrijheid hebben om ervoor te kiezen buitenschoolse begeleiding in te schakelen, wanneer zij dit zinvol achten.’

‘Er heeft en zal altijd een particuliere markt voor bijlessen en huiswerkbegeleiding bestaan’, aldus Bussemaker en Dekker.

Gratis bijles

De vragen van Grashoff staan in het kader van het standpunt van GroenLinks dat leerlingen die dat nodig hebben, gratis bijles moeten kunnen krijgen.

Baas van Morgen: leerlingen aan de top

Leerlingen uit een omgeving met een sociaaleconomisch achterstand hebben een dag aan de top gestaan van grote Nederlandse bedrijven. Met het initiatief Baas van Morgen wil JINC benadrukken dat elk kind een eerlijke kans op een succesvolle toekomst verdient.

Aan de actie deden 150 directeuren van bedrijven mee. Samen met JINC lieten zij zien waarom een goede start op de arbeidsmarkt voor al het talent van morgen mogelijk moet zijn.

‘Ieder kind verdient een eerlijke kans op een succesvolle toekomst, daarom zetten we ons met Baas van Morgen samen in voor deze kinderen’, aldus financieel directeur Dirk Neelis van luchtvaartmaatschappij Transavia.

Andere bedrijven waar donderdag kinderen aan de top stonden, zijn Albert Heijn, Hilton, Ziggo, AkzoNobel, Madurodam, Rijkswaterstaat, Boskalis, Coca-Cola, Nestlé en Philips. Ook het ministerie van OCW deed aan de actie mee.

VO-raad wil vervolgadvies in tweede leerjaar

De VO-raad wil dat er in het voortgezet onderwijs aan het einde van het tweede jaar een vervolgadvies komt op het advies in groep 8 van de basisschool. Dat is een van de maatregelen die de sectororganisatie voorstelt om kansenongelijkheid tegen te gaan.

Het advies van de basisschool is volgens de VO-raad voor de start in het voortgezet onderwijs en niet voor het eindniveau. ‘Daarom moet er aan het eind van het tweede leerjaar een vervolgadvies komen. Dit kan betekenen dat de leerling geholpen wordt om een overstap te maken naar een ander schooltype (…) of op de eigen school meer maatwerk krijgt aangeboden’, zo meldt de sectororganisatie.

Dakpanbrugklassen en tienercolleges

De VO-raad wil ook extra geld voor verlenging van de onderwijstijd voor leerlingen van minder draagkrachtige ouders. Tevens vindt de raad dat er overal onderwijsvormen zijn die uitstel van selectie mogelijk maken, zoals dakpanbrugklassen en tienercolleges.

Verder wil de VO-raad dat leerlingen bij wie er ook maar enigszins twijfel is over de startpositie in het voortgezet onderwijs, in groep 8 van de basisschool een gemengd advies krijgen.

Lees meer…

Luis in de pels Eric van ’t Zelfde lijstduwer PvdA

Oud-directeur Eric van ’t Zelfde van openbare scholengemeenschap Hugo de Groot in Rotterdam is bij de Tweede Kamerverkiezingen in maart PvdA-lijstduwer. 

Van ’t Zelfde staat bekend als de luis in de pels van het Rotterdamse voortgezet onderwijs. Hij maakte van OSG Hugo de Groot, die in Rotterdam slecht bekendstond, een florerende school met goede resultaten. Hij maakte veel vrienden, maar ook vijanden, onder andere binnen zijn bestuur en bij de gemeente Rotterdam.

Het was al bekend dat hij na zijn politieke carrière bij de SP in Schiedam, waar hij enige tijd gemeenteraadslid was, landelijke politieke aspiraties had. Hij is nu dus lijstduwer van de PvdA.

Kansenongelijkheid

Op de website van de PvdA meldt hij dat de politiek instapt omdat ‘ons onderwijs beter moet worden en omdat ons onderwijs op dit moment bijdraagt aan de kansenongelijkheid van een groot deel van de jeugd’. Dat laatste noemt hij onacceptabel.

‘De sociaaldemocratische idealen van de Partij van de Arbeid vormen voor mij de basis in mijn handelen om de jeugd gelijke kansen te garanderen’, aldus Van ’t Zelfde.

OSG Hugo de Groot

Het mag opmerkelijk worden genoemd dat hij op de PvdA-website wel meldt dat hij heeft gewerkt voor het openbare Johan de Witt College in Den Haag, maar dat hij onvermeld laat dat hij directeur was van OSG Hugo de Groot in Rotterdam.

In juni nam hij met tegenzin afscheid van OSG Hugo de Groot. Hij is nu directeur van het christelijke Lyceum Oude Hoven in Gorinchem.

Van ’t Zelfde schreef over zijn tijd bij OSG Hugo de Groot het boek Superschool.

Schooldirecteuren zien kansenongelijkheid

Bijna de helft van de directeuren in het voortgezet onderwijs erkent dat kinderen van laagopgeleide ouders vaker onder hun niveau worden ingedeeld dan kinderen van ouders met een hoge opleiding, meldt het Algemeen Dagblad.

De krant liet door DUO Onderwijsonderzoek een peiling uitvoeren onder in totaal 2000 schooldirecteuren en leraren. Daaruit kwam naar voren dat kinderen van laagopgeleide ouders regelmatig op bijvoorbeeld het vmbo belanden, terwijl ze slim genoeg zijn voor de havo. Dat gebeurt, zo blijkt uit de peiling, minder vaak bij leerlingen met hoogopgeleide ouders.

Kansenongelijkheid neemt toe

Het beeld past bij wat de inspectie in april in De staat van het onderwijs meldde, namelijk dat de kansenongelijkheid in het onderwijs toeneemt. ‘De laatste jaren nemen de verschillen toe tussen leerlingen met lager en hoger opgeleide ouders. Hierdoor krijgen kinderen van laagopgeleide ouders niet het onderwijs dat ze aan zouden kunnen en blijft talent onderbenut’, aldus de inspectie.

Tientallen miljoenen voor tegengaan kansenongelijkheid

Het kabinet investeert tientallen miljoenen euro’s in maatregelen om kansenongelijkheid in het onderwijs tegen te gaan. Dat staat in een brief van minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker van OCW aan de Tweede Kamer.

De minister en de staatssecretaris schrijven dat ze een impuls willen geven aan het bevorderen van gelijke kansen in het onderwijs. ‘Hiervoor trekken we in 2017 25 miljoen euro uit, oplopend in 2018 tot 32 miljoen euro. Vanaf 2020 is structureel 26 miljoen euro per jaar beschikbaar, waarvan 25 miljoen euro door het kabinet structureel is vrijgemaakt voor kansengelijkheid.’

Zij schrijven verder dat ze met deze invesering maatregelen ‘die het meest effectief blijken’ kunnen voortzetten. In hun brief noemen ze vier actielijnen:

  1. Soepele overgangen
  2. Stimulerend onderwijs
  3. Sterke netwerken
  4. Onderzoek en kennisopbouw

‘Met het maatregelenpakket (…) leveren wij vanuit onze verantwoordelijkheid een bijdrage aan onderwijs dat álle jongeren maximale kansen biedt en hen waar nodig extra ondersteunt om die kansen te benutten’, aldus Bussemaker en Dekker in hun brief aan de Tweede Kamer.

D66 wil via onderwijs tweedeling tegengaan

D66 vindt dat iedereen ongeacht zijn of haar achtergrond gelijke kansen verdient voor de toekomst en dat beter onderwijs de beste manier is om dit te bereiken. Dat staat in het verkiezingsprogramma van de partij van Alexander Pechtold.

‘Wij willen brede buurtscholen (kindcentra), waar ieder kind vanaf twee jaar gelijke kansen krijgt door uitstekend onderwijs met aandacht voor cultuur, sport, digitale vaardigheden en een gezond leven.’ D66 denkt op die manier achterstanden te kunnen voorkomen.

Ook zegt D66 te willen investeren in docenten ‘die door minder regels en minder lesuren meer ruimte krijgen om steeds beter onderwijs aan onze kinderen te geven’. Verder wil de partij van Pechtold stapelen in het voortgezet onderwijs makkelijker maken.

Lees het verkiezingsprogramma van D66

 

PvdA-plan voor gelijke onderwijskansen

De Tweede Kamerleden Loes Ypma en Mohammed Mohandis van de Partij van de Arbeid hebben een initiatiefnota gepresenteerd voor gelijke onderwijskansen. Hun nota volgt op de constatering van de Inspectie van het Onderwijs dat er in toenemende mate sprake is van kansenongelijkheid in het onderwijs.

In de initiatiefnota staan 14 punten vermeld:

  1. Bij iedere beleidswijziging moet het kabinet beargumenteren hoe deze beleidswijziging bijdraagt aan het vergroten van gelijke onderwijskansen.
  2. De leraar kan omgaan met verschil en maakt meer gebruik van de mogelijkheden van ICT.
  3. Ieder lerarenteam op de basisschool bestaat over 5 jaar voor 15% en over 10 jaar voor 30% uit universitair opgeleide leraren.
  4. Leraren krijgen meer tijd om hun lessen voor te bereiden, elkaar feedback te geven en kinderen individueel te begeleiden.
  5. Alle kinderen kunnen vanaf hun tweede jaar twee dagen per week op de voorschool terecht.
  6. Het schooladvies wordt verplicht naar boven bijgesteld als de uitslag op de eindtoets hoger is dan het originele schooladvies.
  7. Ieder kind heeft recht op een meervoudig advies (bijvoorbeeld vmbo GL/T-havo) en heeft het recht te worden toegelaten op beide onderwijsniveaus van het advies.
  8. Scholengemeenschappen en brugklassen met meerdere onderwijsniveaus worden financieel en in regelgeving gestimuleerd.
  9. Doorstroomrecht naar een ander onderwijsniveau zonder aanvullende eisen.
  10. Het is mogelijk vakken op een hoger (of lager) niveau af te ronden en dit wordt op het maatwerkdiploma vermeld.
  11. Waardering van ons beroepsonderwijs en een betere overstap van mbo naar hbo.
  12. Scholen worden positief gewaardeerd en beoordeeld als zij maatwerk mogelijk maken voor hun leerlingen door ruimte te bieden voor verschil in tempo, leerstijl en het volgen van vakken op verschillende niveaus.
  13. Scholen met veel aantal achterstandsleerlingen ontvangen een hogere bijdrage per leerling.
  14. Minderjarige mbo’ers krijgen een vergoeding voor bijkomende schoolkosten, zodat ze niet langer duurder uit zijn dan hun leeftijdsgenoten op de havo of het vwo.

Download de initiatiefnota Gelijke onderwijskansen

Kansencheck voor betere benutting van talenten

Onderwerp het hele onderwijssysteem, van 0 tot 23 jaar, aan een kansencheck. Zo kan duidelijk worden waar het systeem knelt en leerlingen worden belemmerd bij het doorstromen naar hogere onderwijsniveaus.

Dit idee komt van voorzitter Rinda den Besten van de PO-Raad. Ze denkt dat met een dergelijke check de kansenongelijkheid in het onderwijs kan worden weggewerkt.

Dubbeltje wordt geen kwartje

Volgens Den Besten blijft nu veel talent onderbenut: ‘Een dubbeltje lijkt geen kwartje meer te kunnen worden.’ Zij vindt dat het onderwijs er alles aan moet doen om ongelijkheid aan te pakken.

Een kansencheck zou inzichtelijk kunnen maken ‘aan welke knoppen precies moet worden gedraaid om ieder kind gelijke kansen te kunnen geven’.

Het idee van Den Besten volgt op de constatering van de Inspectie van het Onderwijs dat de kansenongelijkheid in het onderwijs de laatste jaren is toegenomen.

Kansenongelijkheid tegengaan: mogelijk meer geld

Minister Jet Bussemaker van OCW staat ervoor open om meer geld uit te trekken om de kansenongelijkheid te verminderen. Dat heeft ze zondag gezegd in het tv-programma Buitenhof.

Bussemaker ging in Buitenhof in gesprek met voorzitter Paul Rosenmöller van de VO-raad. Directe aanleiding voor het gesprek was de publicatie van het OESO-rapport waarin staat dat het Nederlandse onderwijs goed is, maar ook dat er kansenongelijkheid is.

De Inspectie van het Onderwijs signaleerde onlangs ook dat leerlingen met hetzelfde verstand maar uit verschillende sociale klassen in het onderwijs niet dezelfde kansen hebben.

Kansenongelijkheid ernstige zaak

De PvdA-minister noemde de toegenomen kansenongelijkheid een ernstige zaak die om actie vraagt. Als dat nodig is, dan is ze bereid om er extra geld voor uit te trekken.

Kijk het gesprek terug via de website van Buitenhof.

 

OESO vindt Nederlandse onderwijs hartstikke goed

De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) is zeer positief over het Nederlandse onderwijs. Er zijn wel verbeterpunten, maar het onderwijs in ons land is volgens de OESO veel beter dan in andere landen.

De OESO vindt dan ook dat er in het Nederlandse onderwijs geen fundamentele veranderingen nodig zijn. Verbeterpunten hebben betrekking op de voorschoolse educatie en de doorstroming naar hogere niveaus.

OESO wil betere VVE

De kwaliteit van de voorschoolse educatie laat nu te wensen over, vindt de OESO. Die pleit daarom voor betere professionals in VVE-instellingen, die open moeten zijn voor álle kinderen. Dat sluit aan bij wat het kabinet wil. Dat maakte recentelijk bekend dat er in principe voor elk kind voor- en vroegschoolse educatie moet zijn.

De doorstroming naar een hoger niveau is volgens de OESO in Nederland onvoldoende. Dat vergroot volgens de organisatie de kansenongelijkheid in het Nederlandse onderwijs. De Inspectie van het Onderwijs signaleerde dat onlangs ook al.

Salarissen omhoog

De OESO ziet de vergrijzing van het personeelsbestand en de komende pensioengolf als een risico voor het Nederlandse onderwijs. Een optie die wordt genoemd om meer jonge leraren te trekken, is dat de salarissen omhoog zouden kunnen.

Het onderzoek waarop de bevindingen over het Nederlandse onderwijs zijn gebaseerd, is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van OCW.

U kunt het onderzoeksrapport downloaden.

 

‘Voortgezet onderwijs selecteert uit angst’

Onderwijskundige Louise Elffers van de Universiteit van Amsterdam stelt in een interview met Trouw dat scholen voor voortgezet onderwijs uit angst voor slechte rendementen risico’s mijden.

‘Ze verzeilen in een slag om de beste leerlingen die diploma’s in één keer halen en niet afstromen naar een lager niveau. Dat laatste levert hen namelijk strafpunten op, de inspectie beoordeelt het als zwakte’, aldus Elffers.

‘In plaats van optimale ontwikkelingskansen bieden, snijden we dus kinderen vroegtijdig de pas af. Het staat haaks op een toegankelijk onderwijsstelsel. De politiek moet hier ingrijpen en het tij keren’.

OCW moet ingrijpen in voortgezet onderwijs

Elffers vindt dat het ministerie van OCW moet ingrijpen om samen met de scholen het voortgezet onderwijs te flexibiliseren en schotten weg te halen.

Lees meer…

Minder ongelijkheid door latere schoolkeuze

Kinderen uit gezinnen met lagere inkomens hebben veel baat bij het verhogen van de leeftijd waarop ze een schoolkeuze maken. Door het uitstellen van die keuze hebben ze een grotere kans op het halen van een universitair diploma.

Bovendien kan het de gezondheidsverschillen tussen arm en rijk verminderen als kinderen niet meer direct na groep 8 moeten kiezen voor vmbo, havo of vwo, zo blijkt uit promotieonderzoek aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam door gezondheidseconoom Bastian Ravesteijn van het Tinbergen Institute.

Ongelijkheid in Finland

Hij baseert zich voor zijn conclusies op de situatie in Finland. Daar werd de schoolkeuzeleeftijd met vijf jaar verhoogd. Dat bleek daar met name goed uit te pakken voor kinderen uit gezinnen met lage inkomens.

Hun kans om een universitair diploma te halen steeg van 6 naar 7,5 procent. Nadeel van de Finse keuze was dat de kans op een universitaire opleiding voor kinderen uit gezinnen met hogere inkomens daalde 24 naar 22,5 procent.

Later/eerder dood

De late schoolkeuzeleeftijd in Finland had effecten over de gehele levensloop: de sterftekans van kinderen uit arme gezinnen tot aan het vijftigste levensjaar nam met 20 procent af. Ook hier was het effect voor kinderen met rijkere ouders negatief: hun (oorspronkelijk lagere) sterftekans voor het vijftigste levensjaar nam met 25 procent toe.

Lees meer….