Kritiek op duur project Lekker Fit

Het Rotterdamse onderwijsproject Lekker Fit, tegen overgewicht bij kinderen, kost te veel en levert te weinig op. Dat vindt de gemeenteraadsfractie Leefbaar Rotterdam, die ermee wil stoppen. 

Al sinds 2005 besteedt de gemeente Rotterdam circa 10 miljoen euro per jaar aan Lekker Fit en ze wil het project met drie jaar verlengen tot 2022. Het geld wordt ingezet voor meer bewegingsonderwijs op 94 basisscholen, lessen over gezond eten en een actief naschools programma op opvanglocaties. Volgens de gemeente is er wél effect: het overgewicht bij jonge kinderen stabiliseert.

1650 euro per dik kind

Maar gemeenteraadslid Caroline Aafjes van Leefbaar Rotterdam vindt het te weinig. Zij berekent dat er per kind met overgewicht 1650 euro per jaar wordt uitgegeven en dat de resultaten daarvan nauwelijks aantoonbaar zijn. In de groepen 3 tot en met 8 van de basisschool is het aantal kinderen met overgewicht in 10 jaar tijd met 0,4 procent gedaald, terwijl dat aantal elders in die periode met 0,5 procent is gestegen. Voor raadslid Aafjes is dit effect marginaal.

Kwartier touwtje springen

Aafjes heeft een alternatief idee. ‘Laat de kinderen gewoon 15 minuten eerder naar school komen een kwartiertje touwtje springen. Geef ze daarna lekker water te drinken en elke dag een stuk fruit. De kosten zijn dan voor 31.000 kinderen nog geen 2 miljoen euro per jaar.’

Meer kritische kanttekeningen staan in schriftelijke vragen die Leefbaar Rotterdam stelde aan het college van burgemeester en wethouders.

 

 

Leefbaarheid blijft op peil in dorpen zonder school

Bewoners van plattelandsdorpen waar voorzieningen zoals de basisschool verdwijnen, zijn de afgelopen jaren niet negatiever gaan denken over de leefbaarheid van hun woonplaats. Dat staat in het rapport Dorpsleven tussen stad en land van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP).

Het SCP schrijft dat leefbaarheid in dorpen vaak in verband wordt gebracht met voorzieningen, zoals de aanwezigheid van een basisschool. ‘In de dorpen in krimpgebieden zijn wat meer voorzieningen aanwezig dan in andere dorpen, maar hun aantal nam (…) wel sneller af. Dorpen in krimpregio’s bij de stad verloren vooral levensmiddelenzaken, zoals bakkers en slagers; in de dorpen in afgelegen krimpregio’s sloten deze winkels ook regelmatig hun deuren en verdwenen daarbij relatief vaak de laatste basisschool, het café of de supermarkt’, zo staat in het rapport.

Toch gingen dorpsbewoners volgens het SCP hun dorpen tussen 2011 en 2014 niet als minder leefbaar ervaren, ook niet die in krimpregio’s. ‘Ondanks de demografische ontwikkelingen en de sluiting van voorzieningen in de krimpende delen van het platteland zien wij in de beleving van bewoners en hun betrokkenheid bij het dorpsleven geen tekenen van toenemende contrasten binnen het Nederlandse platteland.’

Lees meer…