Welke juridische vragen spelen in de dagelijkse praktijk van het onderwijs? Iedere week beantwoorden onze juristen een veelgestelde vraag.
Op welke wijze moet het werkverdelingsplan voor een school worden opgesteld?
Sinds 1 augustus 2019 kent de cao po het werkverdelingsplan. Dit is opgenomen in hoofdstuk 2 van de cao po. Het werkverdelingsplan kent de volgende stappen die doorlopen moeten worden.
- De werkgever (of de schoolleider als hij hiertoe is gemandateerd) brengt de werkzaamheden voor het volgende schooljaar in kaart, waaronder het aantal groepen, het aantal (zorg)leerlingen, overige werkzaamheden en geplande scholingen.
- Het team moet vaststellen hoe wordt bepaald of er voldoende draagvlak bestaat voor invoering van het werkverdelingsplan. Dit wordt vastgelegd in het werkverdelingsplan.
- Er vindt voor de zomervakantie een teamgesprek plaats over de werkzaamheden op school.
- De werkgever maakt op basis van het teamgesprek een schriftelijk concept-werkverdelingsplan. Hierbij moet rekening worden gehouden met competenties, kwaliteiten, belastbaarheid, wensen en mogelijkheden van individuele werknemers en de noodzakelijke tijd voor professionalisering.
- De werkgever legt het op schrift gestelde concept-werkverdelingsplan voor aan het team. Op deze wijze kunnen werkgever en PMR gelegenheid krijgen om vast te stellen of er voldoende draagvlak is voor het concept-werkverdelingsplan.
- De werkgever legt het concept-werkverdelingsplan voor aan de PMR. De PMR heeft instemmingsrecht op het werkverdelingsplan. De PMR toetst tevens of de procedure tot vaststelling van het plan goed is doorlopen en of het plan draagvlak geniet onder de teamleden. Met de vaststelling van het werkverdelingsplan is door de PMR tevens instemming verleend op artikel 12 lid 1 sub d, f en h van de WMS (vaststelling/wijziging werkreglement, arbeids- en rusttijdenregeling, taakverdeling).
- De werkgever bespreekt met elke werknemer voor de zomervakantie de inzet van de werknemer in het volgende schooljaar waarbij het werkverdelingsplan het uitgangspunt vormt. Met wederzijds goedvinden kan worden afgesproken dat de werknemer meer dan 940 uur lesgevende taken heeft, met inachtneming van de totale 1659 uur. Het overleg is gericht op overeenstemming tussen werkgever en werknemer. Indien geen overeenstemming wordt bereikt en er een onwerkbare situatie ontstaat op school, dan stelt de werkgever de inzet van de werknemer voor het volgende schooljaar vast.