Een vraag die regelmatig terugkomt is of medewerkers het PDI-budget alleen mogen inzetten wanneer een activiteit voldoet aan alle drie de doelen die in de cao PO worden genoemd. Het antwoord is eenvoudig:

Nee. De drie doelen moeten worden gelezen als drie afzonderlijke bestedingsmogelijkheden. Een activiteit hoeft dus niet tegelijkertijd aan alle drie de doelen te voldoen.

Een medewerker kan het budget besteden aan één van de drie doelen, zolang de besteding past binnen de afspraken uit de cao en hierover afstemming plaatsvindt met de leidinggevende.

Wat is het PDI-budget?

In de cao PO is afgesproken dat iedere medewerker recht heeft op ondersteuning bij professionele ontwikkeling én duurzame inzetbaarheid. Daarom ontvangt iedere medewerker jaarlijks een individueel PDI-budget (Professionalisering en Duurzame Inzetbaarheid).

Dit budget bestaat uit:

  • € 555 per jaar (naar rato van de werktijdfactor);
  • 123 PDI-uren per jaar (naar rato van de werktijdfactor).

De medewerker bespreekt met de leidinggevende hoe deze middelen worden ingezet.

Drie bestedingsdoelen

De cao noemt drie mogelijke doelen voor de inzet van het PDI-budget:

  1. Professionele ontwikkeling en vakbekwaamheid

Het budget kan worden ingezet voor activiteiten die bijdragen aan het onderhouden en versterken van de vakbekwaamheid.

  • Gezond, gemotiveerd en met plezier aan het werk blijven

Het budget kan ook worden ingezet voor activiteiten die bijdragen aan vitaliteit en welzijn op de langere termijn.

  • Duurzame inzetbaarheid en arbeidsmarktperspectief

Daarnaast kan het budget worden ingezet voor activiteiten die de medewerker breed inzetbaar houden, binnen of buiten de eigen organisatie.

Dus: één doel is voldoende

Soms ontstaat het beeld dat een activiteit zowel moet bijdragen aan professionalisering, vitaliteit én duurzame inzetbaarheid. Dat is niet de bedoeling van de regeling.

Een medewerker die bijvoorbeeld een vakinhoudelijke opleiding volgt, hoeft niet aan te tonen dat deze opleiding ook direct bijdraagt aan vitaliteit of mobiliteit. Andersom hoeft een medewerker die kiest voor loopbaan coaching niet aan te tonen dat hiermee de vakinhoudelijke kennis wordt vergroot.

De drie onderdelen zijn bedoeld als alternatieve bestedingsdoelen, niet als cumulatieve voorwaarden.

Een aandachtspunt: de balans verschuift

In de praktijk zien wij dat PDI-budgetten steeds vaker worden ingezet voor activiteiten rondom duurzame inzetbaarheid en vitaliteit. Dat past binnen de bedoeling van de regeling en kan zeer waardevol zijn.

Tegelijkertijd is het goed om tijdens het PDI-gesprek ook expliciet stil te staan bij de professionele ontwikkeling van medewerkers.

Het onderwijs verandert voortdurend. Nieuwe wet- en regelgeving, technologische ontwikkelingen, veranderende ondersteuningsbehoeften van leerlingen en maatschappelijke ontwikkelingen vragen om blijvende vakontwikkeling.

Deel dit bericht: