School! stijgt boven de denominaties uit

De huidige discussie over het afschaffen van het bijzonder onderwijs wijst in de richting van ons toekomstconcept School!, dat boven de denominaties uitstijgt.

Volgens Volkskrant-columniste Aleid Truijens tonen de recente onverkwikkelijkheden tussen Erdogan- en Gülensympathisanten in Nederland aan dat het hoog tijd is het verzuilde onderwijssysteem af te schaffen.

Dat wil VOS/ABB ook, maar het is te betreuren dat ruzie tussen ouders met een Turkse achtergrond aanleiding is voor het pleidooi van Truijens. Andere stromingen in het bijzonder onderwijs voelen zich nu ten onrechte meegezogen in de discussie, omdat zij niets met Gülen of Erdogan te maken hebben. Daar hebben zij geheel terecht een punt.

Zelfstandig leren nadenken

Waar het Truijens echter om gaat is dat de school niet meer vertelt wat een kind moet denken. De school is er volgens haar om kinderen zelfstandig te leren nadenken over de wereld en hen zelf verantwoordelijk te maken voor hun eigen leven. Dat is wat wij in ons concept School! benadrukken en wat overigens ook al voortvloeit uit de kernwaarden van het huidige openbaar en algemeen toegankelijk onderwijs.

Een misverstand over het openbaar onderwijs is dat ‘God daar niets te zoeken heeft’, zoals Truijens nog in 2009 in een column schreef. Ze is daar gelukkig op teruggekomen. De openbare school – en dat noemen wij ook in ons toekomstconcept School! – besteedt op basis van gelijkwaardigheid en wederzijds respect aandacht aan verschillende levensovertuigingen.

Op school leren kinderen ook dat kernwaarden als de democratie, de rechtsstaat, de gelijkwaardigheid van iedereen en het recht op vrije meningsuiting boven persoonlijke overtuigingen gaan. Hiermee sluit Truijens naadloos aan op wat wij al jaren stellen, en wat we eveneens in ons concept School! hebben opgenomen.

School! ontstijgt denominaties

Maar het gaat ons niet om het afschaffen van het bijzonder onderwijs ten gunste van het openbaar onderwijs. Met het concept School! stijgen wij boven de verzuiling en de denominaties uit. In de toekomst zijn er wat ons betreft geen openbare, protestants-christelijke, rooms-katholieke of wat voor scholen dan ook, maar is elke school ‘School!’.

Dat betekent natuurlijk niet dat er een eenheidsworst zal ontstaan, zoals wij nogal eens te horen krijgen. Nee, ‘School!’ voorziet juist in diversiteit, maar dan wel met z’n allen en natuurlijk met oog voor de behoeften van ouders en leerlingen die van plaats tot plaats kunnen verschillen.

Zo kunnen we ervoor zorgen dat we op de lange termijn een gezonde samenleving behouden die uitgaat van gelijkwaardigheid en wederzijdse interesse en respect.

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB

Leerlingen en personeel verdienen goede schoolgebouwen

Veel gemeenten zijn te karig met onderwijshuisvesting. Het is goed dat de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) dat nu erkent.

Een woordvoerder van de VNG bevestigt in het Algemeen Dagblad dat veel gemeenten voor onderwijshuisvesting nog rekenen met bedragen die in de jaren 80 zijn vastgesteld. Iedereen weet dat je daar niet meer mee uitkomt, omdat de eisen die tegenwoordig aan schoolgebouwen worden gesteld (veel) meer geld vergen.

Het gevolg is dat er maar weinig nieuwbouw is en dat leerlingen en personeel in slechte schoolgebouwen blijven zitten. Dit probleem wordt erger nu de economische crisis min of meer voorbij is en bouwbedrijven weer meer geld voor grote klussen kunnen vragen.

Bij VOS/ABB roepen we al jaren dat er meer geld naar onderwijshuisvesting moet. De gemeenten kunnen simpelweg niet meer met sterk verouderde bedragen blijven rekenen. Budgettair is dat voor hen wellicht interessant en ik snap ook wel dat er bij veel gemeenten al jaren fors wordt bezuinigd, maar voor het onderwijs is dit een buitengewoon slechte zaak. Kijk maar naar het slechte binnenklimaat van veel schoolgebouwen uit de jaren 60 en naar de torenhoge energiekosten in dergelijke gebouwen. Dat kunnen we ook in het kader van de klimaatdiscussie niet meer maken!

Nu ook in het primair onderwijs het buitenonderhoud is gedecentraliseerd – de schoolbesturen zijn daar in het voortgezet onderwijs al jarenlang verantwoordelijk voor – is het voor gemeenten aantrekkelijk om aan te dringen op renovatie. De praktijk leert echter dat dat voor veel besturen niet te betalen is. Die doen daarom liever een aanvraag voor nieuwbouw, waarvoor de gemeente verantwoordelijk is. Zo blijven we met z’n allen in een kringetje ronddraaien.

Een voorstel om daar uit te komen, kwam onlangs van onze huisvestingspartner HEVO: het moet wettelijk worden vastgelegd dat schoolbesturen en gemeenten samen de kosten voor de renovatie van schoolgebouwen dragen. Als dat wettelijk wordt vastgelegd, kan dat veel verlammend gesteggel voorkomen. Bovendien kunnen gemeenten dan geld besparen, omdat renovatie over het algemeen goedkoper is dan nieuwbouw.

Een ander punt is dat de situatie zoals hierboven geschetst de vraag rechtvaardigt of het Rijk een taak heeft om de gemeenten beter in staat te stellen om waar nodig de nieuwbouw van scholen nu eindelijk eens goed van de grond te laten komen. Ook is het verstandig om de vraag te stellen of de situatie het noodzakelijk maakt om budgetten van onderwijshuisvesting bij de gemeenten duidelijk te oormerken.

Goed onderwijs voor álle kinderen

De discussie over de Syrische ‘kindbruiden’ die naar Nederland komen, benadrukt ook voor het onderwijs het belang van kinderrechten en mensenrechten.

Het nieuws over tientallen tienermeisjes uit Syrië die hier herenigd zouden worden met hun vaak veel oudere echtgenoten die al in Nederland zijn, kwam van RTV Noord. De regionale zender baseerde zich op een interne notitie van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst.

Het bericht veroorzaakte – terecht – verontwaardiging. Het zijn vaak getraumatiseerde kinderen die onder dwang zijn getrouwd. Het mag duidelijk zijn dat dit onverteerbaar is. In de politiek werd er daarom direct voor gepleit om deze meisjes op een veilige plaats bescherming te bieden en hen dus niet naar hun echtgenoten te laten gaan.

In november zal de Eerste Kamer zich overigens uitspreken over een wetswijziging om buitenlandse huwelijken met kindbruiden niet meer te erkennen. Een goed zaak, lijkt mij, als dit in het belang van deze meisjes is.

Álle kinderen welkom
De kindbruiden uit Syrië (of andere landen), of die nu naar Nederland komen of niet, benadrukken het belang om altijd te blijven uitgaan van de kinderrechten en mensenrechten. Dit betekent dat ze hier in Nederland niet alleen recht hebben op bescherming, maar bijvoorbeeld ook op goed onderwijs. Juist in het openbaar en algemeen toegankelijk onderwijs moeten wij dat beseffen, omdat we benadrukken dat álle kinderen welkom zijn.

Uiteindelijk gaat het om elk individueel kind dat zich moet kunnen ontplooien, ongeacht zijn of haar culturele en/of religieuze achtergrond en de situatie waarin het verkeert.

Omkeren correctievolgorde: kijk naar Engeland!

Bijna niemand in het voortgezet onderwijs wil het, maar staatssecretaris Sander Dekker van OCW houdt voet bij stuk: de correctievolgorde van de centrale eindexamens wordt omgedraaid. Als het dan per se anders moet, kies dan voor de manier waarop het in Engeland gaat.

Volgens de staatssecretaris is omkering van de correctievolgorde nodig voor een objectieve beoordeling van de centrale examens. Dat kan worden bewerkstelligd, stelt hij, door eerst een leraar van een andere school het examen te laten nakijken en pas daarna de leraar van de betreffende leerling, die kennelijk volgens hem niet objectief kan zijn.

Dekker baseert zich voor zijn besluit op een advies van de VO-raad. De sectororganisatie stelde dat advies op na een pilot waaraan tien scholen met in totaal welgeteld 39 docenten meededen. Nu ben ik geen statisticus, maar het aantal van 39 leraren lijkt mij erg klein om uitspraken te kunnen doen over de wenselijkheid van welke maatregel dan ook, laat staan van een omstreden maatregel als deze.

Wantrouwen
De kritiek vanuit het onderwijs is dat een omkering van de correctievolgorde getuigt van wantrouwen jegens hen. Kennelijk veronderstelt Dekker dat leraren bij het nakijken van de examens van hun eigen leerlingen een oogje toeknijpen als blijkt dat het eigenlijk niet zo goed gemaakt is. Genadezesjes liggen op de loer, zo is de gedachte van Dekker.

De maatregel getuigt ook van wantrouwen jegens de schoolbesturen. Die zijn echt wel in staat om leraren aan te nemen die ook bij het nakijken van de examens integer zijn!

Werkdruk
Daarbij komt de vrees dat omkering van de correctievolgorde tot meer werkdruk leidt. Volgens Dekker zal dat niet het geval zijn. ‘Het corrigeren is immers al onderdeel van de taken van een docent’, aldus de staatssecretaris in een brief aan de Tweede Kamer.

Hij lijkt te vergeten dat de tweede correctie er één op hoofdlijnen is. De eigen docent van de leerling zal het nooit willen om als tweede corrector slechts op hoofdlijnen na te kijken. In de situatie zoals Dekker die voor zich ziet, zal er dus wel degelijk meer werk op de leraren afkomen, tenzij die dus genoegen nemen met een oppervlakkige check van de examens van hun eigen leerlingen.

Een ander punt, dat weet iedereen die in het onderwijs werkt, is dat de tweede corrector nu slechts een zeer bescheiden of zelfs helemaal geen financiële vergoeding krijgt en nauwelijks of niet in tijd wordt gecompenseerd. Dit is al jaren een bron van ergernis.

Engelse systeem
De argumenten tegen de voorgenomen omkering van de correctievolgorde zijn in mijn ogen zeer waardevol. Alles wijst er echter op dat Dekker voet bij stuk houdt, dus intrekking van de maatregel lijkt niet reëel. Wellicht is het een optie voor hem, als dan toch per se anders moet, om naar Engeland te kijken.

Daar worden de centrale examens nagekeken door een pool van docenten die de betreffende leerlingen niet kennen. Deze leraren krijgen daar voldoende tijd en geld voor.

In achterhoofd parkeren
Het vervelende gevoel van het onderwijs in Nederland dat Dekker met de omkering van de correctievolgorde zijn wantrouwen uitspreekt, wordt met de keuze voor het Engelse systeem niet weggenomen. Wellicht kunnen we dat in ons achterhoofd parkeren?

Als Dekker voor het Engelse systeem kiest, kan hij er ten minste wel voor zorgen dat de hoge werkdruk die leraren nu al ervaren niet nog verder omhoog gaat. Bovendien kan hij een einde maken aan de lage vergoeding voor het nakijken van examens.

Ik geef mijn overwegingen mee aan Dekker en aan de Tweede Kamer die op 24 juni opnieuw overlegt over deze kwestie.

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB

Onderwijsraad staat mijlenver van realiteit krimpgebieden

Met het advies tegen de samenwerkingsscholen laat de Onderwijsraad zien mijlenver af te staan van de realiteit waarmee het funderend onderwijs in krimpgebieden te maken heeft. Het is bovendien onbegrijpelijk dat de raad adviseert de achtergestelde positie van het openbaar onderwijs te handhaven.

Staatssecretaris Sander Dekker van OCW wil het realiseren van samenwerkingsscholen gemakkelijker maken en ook de bestuurlijke vormgeving ervan vereenvoudigen. Het is alweer bijna twee jaar geleden dat hij in brede school Het Samenspel in het dorpje Wolphaartsdijk zijn beleidsvisie op krimp presenteerde. De locatie in Zeeland had hij niet voor niets gekozen: in Het Samenspel – de naam doet het al vermoeden – werken openbaar en bijzonder onderwijs met elkaar samen.

Er was inmiddels alweer ruim een jaar voorbij toen in juni vorig jaar duidelijk werd dat het nog zeker een jaar zou duren voordat Dekker zijn wetsvoorstel voor de samenwerkingsschool zou kunnen indienen. Het zou in het kader komen te staan van het behoud van goede onderwijsvoorzieningen in krimpregio’s. Samenwerkingsscholen bieden bij uitstek de mogelijkheid om een kwalitatief goed aanbod van zowel openbaar als bijzonder onderwijs te handhaven. Dat weten ze in krimpgebieden allang.

Empirische noodzaak
De Onderwijsraad adviseert nu echter dat de samenwerkingsschool een grondwettelijke uitzondering moet blijven. Het wetsvoorstel zou moeten worden heroverwegen en op onderdelen aangepast, omdat het nu met te weinig ‘empirische noodzaak’ zou zijn onderbouwd. ‘De wetgever blijft met dit wetsontwerp niet op alle punten binnen de constitutionele kaders en houdt onvoldoende rekening met effecten in de praktijk’, stelt de raad. Als klap op de vuurpijl benadrukt de Onderwijsraad dat een stichting voor openbaar onderwijs niet het bevoegd gezag van een samenwerkingsschool zou mogen zijn.

Terwijl in krimpgebieden al veel informele samenwerkingsscholen zijn, wordt in Den Haag dus verder gedelibereerd. Het gaat over grondwettelijke en bestuurlijke kwesties rond artikel 23 over de vrijheid van onderwijs, over de vraag of het wenselijk is de schotten weg te halen die in 1917 met dit grondwetsartikel zijn opgetrokken tussen openbaar en bijzonder onderwijs. De Onderwijsraad ziet vooral beren op de weg, denkt in problemen en nadrukkelijk niet in kansen. Ondertussen krimpen de krimpgebieden door.

Wetswijziging wel nodig?
Samenwerking tussen openbaar en bijzonder onderwijs is echt de enige oplossing van het probleem dat in krimpgebieden steeds meer scholen dicht moeten. In de krimpgebieden slaan dan ook op steeds meer plaatsen openbaar en bijzonder onderwijs de handen ineen. Je zou kunnen stellen dat ze daar helemaal geen wetswijziging nodig hebben, want zonder actie uit Den Haag komt samenwerking ook van de grond.

Het besef dat samenwerking noodzakelijk is, en wel nú, dringt in elk geval bij de Onderwijsraad nog niet door, getuige het jongste advies dat alleen maar vertragend kan werken. Wat het advies helemaal merkwaardig maakt, is dat erin staat dat een stichting voor openbaar onderwijs niet het bevoegd gezag mag zijn van een samenwerkingsschool. Daarmee pleit de raad bewust voor handhaving van de achtergestelde positie van het openbaar onderwijs ten opzichte van het bijzonder onderwijs.

Concept School!
Bij VOS/ABB en de Vereniging Openbaar Onderwijs (VOO) gaan we inmiddels een stap verder. Wij pleiten voor het concept School!, de ultieme samenwerking die boven de denominaties uitstijgt en het onderwijs ook buiten krimpgebieden echt toekomstbestendig kan maken. De gevolgen van de huidige demografische krimp geven de noodzaak weer het onderwijssysteem in Nederland te ontzuilen. Het conservatieve advies van de Onderwijsraad laat zien, dat dit niet met halve maatregelen kan.

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB, en Rein van Dijk, directeur VOO

Onderwijs moet het beste uit kinderen halen

De overstap naar het voortgezet onderwijs lijkt voor steeds meer kinderen een beslissend moment: wordt het vmbo óf havo óf vwo? Van en/of is steeds minder sprake. Laten we ervoor waken dat we flexibel blijven en dat doorstroming mogelijk blijft om het hoogst mogelijke niveau te kunnen bereiken.

De Inspectie van het Onderwijs signaleert dat het onderwijs meer starheid lijkt te vertonen. Aan het eind van de basisschool krijgen leerlingen vaker adviezen mee voor een enkele schoolsoort in plaats van een gemengd advies. Ook zijn er steeds meer homogene brugklassen. Overstappen wordt lastiger, ook omdat scholen vaker categoraal georganiseerd zijn.

Deze ontwikkelingen leiden tot meer efficiëntie, maar tegelijkertijd constateert de inspectie dat minder leerlingen een vwo-diploma behalen. Mede daardoor neemt de instroom in het hoger onderwijs af. Dit roept terecht de vraag op of leerlingen nog wel voldoende kansen krijgen.

Middenschool?
Moeten we het idee voor de middenschool weer uit de kast trekken? In 2007 deed de uitvinder daarvan dat nog. Oud-PvdA-onderwijsminister Jos van Kemenade zei toen, dertig jaar na de lancering van zijn idee, tegen de parlementaire onderzoekscommissie die de onderwijsvernieuwingen van de voorgaande decennia onder de loep nam, dat de middenschool de oplossing kan zijn van alle problemen.

De middenschool moest ervoor zorgen dat grote verschillen tussen de bevolkingsgroepen werden verkleind door kinderen uit kansarme milieus te laten doorstromen naar hogere vormen van onderwijs. Het was een soort verlenging van de basisschool, voor kinderen van 12 tot en met 15 jaar. Van Kemenade wilde het standenonderwijs er definitief mee doorbreken.

Maatschappelijke drive
Nu geloof ik niet dat wij tegenwoordig in Nederland nog een sterke mate van standenonderwijs meer kennen. Natuurlijk, er zijn categorale gymnasia die een bepaalde elite trekken en er zijn met name in de grote steden scholen waar kinderen uit sociaal-economisch zwakke milieus oververtegenwoordigd zijn. Het is echter niet meer zo dat het onderwijs deze laatste groep kinderen nauwelijks kansen biedt om hogerop te komen.

Dit is volgens mij te danken aan de maatschappelijke drive van de overgrote meerderheid van de huidige onderwijsprofessionals. Laten we die drive behouden! Dat kan door alle flexibiliteit die het onderwijs kenmerkt ten minste te koesteren en liever nog beter te benutten dan we nu al doen. Het doel is uiteindelijk om met het onderwijs dat het beste bij de individuele leerling past hem of haar het beste resultaat te laten bereiken.

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB

Maatwerkdiploma kan leiden tot tweedeling

Het maatwerkdiploma is op zich een goed idee, maar dan moeten we in Nederland ook accepteren dat diploma’s van het voortgezet onderwijs niet meer een universele waarde hebben. Dit kan leiden tot het Britse systeem met elite-universiteiten, zoals die in Oxford en Cambridge.

De gedachte achter het maatwerkdiploma, zoals de VO-raad die nu omarmt, is dat leerlingen in het voortgezet onderwijs niet zoals nu alle vakken op hetzelfde niveau volgen. Wie bijvoorbeeld goed is in de exacte vakken, volgt die op vwo-niveau. De talen kunnen dan worden gevolgd op havo- of desnoods vmbo-tl-niveau. Op deze manier zouden specifieke talenten beter kunnen worden benut.

Op zich is het natuurlijk een goede gedachte om de talenten van leerlingen beter te benutten. Want waarom zou je niet op het hbo of de universiteit een exacte studie mogen volgen als je uitblinkt in bijvoorbeeld wiskunde, maar niet goed bent in Duits of je literatuurlijst niet op het vereiste niveau hebt gelezen? Het maatwerkdiploma betekent echter ook dat er straks leerlingen zullen zijn die voor alle vakken op het hoogste niveau zijn geslaagd en leerlingen die ‘slechts’ een deel van hun vakken op dat niveau hebben afgesloten.

Nu is het nog zo dat alle hogescholen en universiteiten vo-diploma’s accepteren, ongeacht van welke school, omdat de diploma’s uniform zijn. Als dat straks niet meer het geval is, zou een deel van het hoger onderwijs ervoor kunnen kiezen om alleen de beste leerlingen toe te laten die in de volle breedte hoog scoren. Er zouden elitaire universiteiten kunnen ontstaan, zoals in Groot-Brittannië. Daar kennen ze het A-level (advanced) en O-level (ordinary). Wie naar Oxford of Cambridge wil, moet afgezien van een flinke spaarpot alleen A-levels hebben.

Het is de vraag of we dat in Nederland moeten willen, want dan kan er net als in Groot-Brittannië een sterke maatschappelijke tweedeling ontstaan. Aan de ene kant zouden we studenten kunnen krijgen met een diploma van een elite-universiteit, met alle kansen voor topfuncties bij bedrijven en instellingen die hierop selecteren. Aan de andere kant zou er een categorie studenten kunnen ontstaan die als het ware de mindere goden zijn. Deze studenten zouden minder maatschappelijke kansen kunnen krijgen en als gevolg daarvan niet naar de top kunnen doorstoten.

Het is verstandig om alle mogelijke consequenties van het invoeren van het maatwerkdiploma goed onder ogen te zien en een weloverwogen afweging te maken. Het kan namelijk zomaar zijn dat we met de goede bedoelingen achter dit idee talenten juist niet optimaal zullen benutten.

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB

Integratie moet terug op onderwijsagenda

Integratie in het onderwijs mag dan door het eerste kabinet-Rutte terzijde zijn geschoven, het is een blijft een buitengewoon relevant thema. Scheidend voorzitter Geert ten Dam van de Onderwijsraad ziet dat in. Alleen legt zij de bal bij de scholen en niet waar die zou moeten liggen, namelijk bij de politiek.

In 2011 was Marja van Bijsterveldt minister van OCW. Het was de CDA-politica die onder druk van de xenofobe gedoogpartner PVV het thema integratie bij het vuil zette. De officiële basis voor dit besluit vormde een omstreden onderzoek van professor Jaap Dronkers, waaruit zou blijken dat het mengen van leerlingen geen positief effect zou hebben op leerprestaties.

De Duitse socioloog Tobias Stark, die destijds aan de Rijksuniversiteit Groningen een promotieonderzoek uitvoerde, noemde het besluit van het kabinet terecht een gemiste kans. Gemengde scholen dragen immers bij aan integratie, zo betoogde hij, zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit van het onderwijs.

Stark benadrukte dat het bij goed onderwijs niet alleen draait om het overbrengen van kennis, maar ook om het opvoeden van leerlingen tot volwaardige burgers. Hij liet zien dat als het mengen goed wordt begeleid, de beeldvorming van leerlingen over andere etnische groepen verbetert. Voor zijn onderzoek ondervroeg Stark destijds meer dan 2000 leerlingen op zo’n 40 scholen in Arnhem.

Het is Geert ten Dam die de noodzaak van integratie in het onderwijs opnieuw op de agenda zet. Als scheidend voorzitter van de Onderwijsraad, het gezaghebbende adviesorgaan waar de politiek geregeld gebruik van maakt, legt zij in een interview in Trouw de nadruk op integratie. Scholen zouden daar meer werk van moeten maken, stelt zij.

Veel scholen willen dat heel graag, zeker in het openbaar onderwijs. Daar ben ik van overtuigd. Alleen is het wel wat navrant dat de scholen er nu als het ware de schuld van krijgen dat het thema integratie naar de achtergrond is verdwenen. Het was overduidelijk Marja van Bijsterveldt in het eerste kabinet-Rutte die dit willens en wetens heeft gedaan, omdat het haar toen onder druk van de PVV beter uitkwam.

Het is aan minister Jet Bussemaker (PvdA) en staatssecretaris Sander Dekker (VVD) van OCW om dit belangrijke thema eindelijk weer op te pakken!

Mooie verhalen en ondertussen bezuinigen…

Jarenlang stil bezuinigen op het onderwijs en ondertussen met mooie verhalen komen over miljardeninvesteringen. Het is terecht dat de onderwijsvakbonden zich ergeren aan deze bijna onbeschaamde propaganda door het ministerie van OCW.

De Algemene Onderwijsbond (AOb), CNV Onderwijs en de Federatie van Onderwijsvakorganisaties (FvOv) klagen in een brief aan de Tweede Kamer en minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker van OCW over de juichtoon van het ministerie.

Bedragen die het kabinet in het onderwijs zegt te investeren, worden niet één keer genoemd, maar verschillende keren achter elkaar. Daardoor lijkt het alsof het kabinet miljarden en miljarden euro’s extra in het onderwijs pompt, terwijl dat niet zo is. Pronken met andermans veren, noemen de bonden het.

Bij VOS/ABB zien we ook al jaren dat de zogenaamde investeringen van het kabinet zacht gezegd in een relativerend kader moeten worden geplaatst. Neem de structureel uitblijvende prijsbijstelling. In de Macro Economische Verkenning 2014 staat dat het onderwijs hierdoor ook weer in de periode 2015-2017 een bedrag van 250 miljoen euro misloopt. In de jaren hiervoor zijn op deze manier ook al vele honderden miljoenen weggevloeid.

We hebben bij VOS/ABB eens uitgerekend hoeveel werk in het onderwijs behouden zou zijn gebleven als het kabinet wel elk jaar keurig de prijsbijstelling had doorgerekend. Het zal u niet verbazen dat het om duizenden banen gaat. Dus ook de mooie verhalen van het kabinet over extra werk in het onderwijs kunnen onder het kopje ‘propaganda’ worden geschaard!

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB

Enkele letters maken het verschil…

Het maakt nogal wat uit of je het woordje ‘of’ of ‘hoe’ gebruikt. Dat blijkt uit een artikel in Trouw, waarin voorzitter Rinda den Besten van de PO-Raad wordt geciteerd. Door het woord ‘of’ te gebruiken suggereerde de krant ten onrechte dat zij aandacht voor het thema seksuele diversiteit in het onderwijs niet belangrijk zou vinden.

Het bewuste artikel in Trouw gaat over de invloed van de adviezen van de commissie-Dijsselbloem. Een van die adviezen uit 2008 was dat de politiek meer ruimte moest geven aan de scholen zelf. Dat is op zich natuurlijk een prima uitgangspunt.

De journaliste van Trouw wekte met de woordenwissel ten onrechte de suggestie dat scholen wat de voorzitter van de PO-Raad betreft zelf mogen beslissen of ze aandacht geven aan het thema seksuele diversiteit. Er stond volgens haar dat ‘de keuze of je voorlichting geeft over homoseksualiteit precies zo’n thema is dat je aan de leerkracht en de school zelf moet overlaten’. Dat had moeten zijn: ‘de keuze hoe je voorlichting geeft’.

De wet bepaalt dat scholen aandacht móeten hebben voor seksuele diversiteit. Dat is dus geen keuze. Sinds eind 2012 maakt seksuele diversiteit deel uit van de kerndoelen van het primair en voortgezet onderwijs.

In een reactie aan ons bevestigt Den Besten dat voorlichting over homo- en biseksualiteit en transgenders verplicht aan de orde moet komen op scholen. Het ‘hoe’ moet volgens haar aan de scholen worden overgelaten en niet door de politiek, het ministerie van OCW of de Inspectie van het Onderwijs worden bepaald. ‘Het Trouw-artikel heeft niet voorgelegen bij ons voor akkoord, anders had ik deze nuance er zeker in aangebracht’, aldus Den Besten.

Ze benadrukt dat in het plan van aanpak Sociale Veiligheid van de PO-Raad, dat voor 1 oktober naar de Tweede Kamer moet, voorlichting over seksuele diversiteit nadrukkelijk genoemd staat, omdat dit vaak een grond is voor pesten. Ik ben blij dat Den Besten hiermee de eventuele verwarring wegneemt die door de onzorgvuldige formulering van Trouw kan zijn ontstaan.

Laat ik afsluiten met de toelichting dat we in het openbaar onderwijs uitgaan van onze kernwaarden. Daartoe behoren algemene toegankelijkheid en algemene benoembaarheid. Aandacht voor diversiteit, ook seksuele, op basis van wederzijds respect hoort daarbij. De openbare scholen staan immers open voor iedereen, ongeacht levensovertuiging, godsdienst, politieke gezindheid, afkomst, geslacht of seksuele geaardheid.

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB

Iedereen heeft recht op eigen profiel

In het openbaar onderwijs is iedereen welkom. Elke leerling en elk personeelslid mag op basis van wederzijds respect laten zien wie hij of zij is. Dan mag het niet zo zijn dat homoseksuele leerkrachten wordt opgeroepen over hun geaardheid te zwijgen.

In de Vlaamse krant De Standaard stond onlangs een opiniestuk van rector Rik Torfs van de Katholieke Universiteit in Leuven. Hij reageerde op de volgens hem laffe houding van directeur-generaal Charles Huygens van het stedelijk (openbaar) onderwijs in Brussel.

Huygens had leraren aangeraden om over hun privéleven te zwijgen, omdat openbaar onderwijs neutraal moet zijn. Aanleiding voor het advies was dat de homoseksuele leerkracht David Degreef van een Brusselse schooldirecteur te horen had gekregen dat het niet verstandig zou zijn om tegenover leerlingen uit de kast te komen.

Torfs wijst erop dat de kwestie samenhangt met ‘enkele moslims die homoseksualiteit niet aanvaarden’. Het volgens hem verlicht klinkende argument van neutraliteit inroepen noemt Torfs laf, onnozel en gevaarlijk. Neutraliteit kan volgens hem alleen betrekking hebben op de school en niet op een leerkracht, omdat die een ‘volwaardig mens blijft en dus over al zijn mensenrechten beschikt’.

De Leuvense rector heeft gelijk: in het openbaar onderwijs kan iedereen op basis van wederzijds respect zijn wie hij of zij is. Of iemand nu hetero-, homo- of biseksueel is, dat mag voor het onderlinge respect niet uitmaken. Iedereen in het openbaar onderwijs, dus ook elke leraar, heeft recht op een eigen profiel, mening of seksuele geaardheid. Dat is een groot goed waarmee we zorgvuldig moeten omgaan.

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB

Terbeschikkingstelling aan onderwijs niet invoeren!

Zijn reguliere scholen in staat om criminele jongeren op te vangen die na hun veroordeling verplicht onderwijs moeten volgen? Ik denk van niet.

PvdA-Kamerlid Ahmed Marcouch kwam er in 2010 mee: terbeschikkingstelling aan het onderwijs ofwel de tbo-maatregel. Dit voorstel zou kunnen worden gezien als een onderwijsvariant van de tbs-regeling voor veroordeelde criminelen die na hun gevangenisstraf (nog) niet kunnen terugkeren in de samenleving. Je zou de tbo-maatregel ook kunnen zien als een vorm van passend onderwijs voor criminele jongeren.

VVD-staatssecretaris Fred Teeven van Veiligheid en Justitie ging er met het plan vandoor. Minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker van OCW reageerden er positief op, waarna in maart de ministerraad ermee instemde. Een gelopen race, zou je denken.

De Onderwijsraad doet niet aan die race mee. Sterker nog: die maakt er in een advies, dat op verzoek van Dekker is opgesteld, gehakt van. De raad vindt de voorgestelde tbo-maatregel niet noodzakelijk en niet effectief, twijfelt aan de uitvoerbaarheid ervan en stelt bovendien dat het onderwijsperspectief ontbreekt. Tbo staat volgens de Onderwijsraad op gespannen voet met de algemene taken en verantwoordelijkheden van het onderwijs. Niet invoeren dus.

Dat zou een politieke afgang zijn voor Fred Teeven en in het verlengde van hem ook voor Jet Bussemaker en Sander Dekker die er zo enthousiast over waren. Voor Ahmet Marcouch zou het natuurlijk ook jammer zijn. Maar ja, moet je slechte plannen met het onderwijs invoeren omdat het de politiek nu eenmaal goed uitkomt. Nee natuurlijk, het moet altijd gaan om goed onderwijs voor álle leerlingen.

Het moet dus ook gaan om goed onderwijs voor veroordeelde criminele jongeren die weer een positief toekomstperspectief kunnen krijgen. Daar zijn, zo merkt de Onderwijsraad op, al voldoende maatregelen voor, zoals onderwijs in jeugdinrichtingen. Volgens de Onderwijsraad moet Teeven daar de oplossing zoeken, en niet bij de tbo-maatregel.

De reguliere scholen worden al te veel gebruikt als maatschappelijke duizenddingendoekjes en zitten volgens mij terecht niet te wachten op deze extra (zware) taak op hun bordje.

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB

Echte samenwerking vereist snelle actie van wetgever

De stichting openbaar onderwijs moet samenwerkingsscholen in stand kunnen houden en ook kinderopvang kunnen ontplooien. Dat vindt niet alleen VOS/ABB, ook de staatssecretaris heeft gezegd dat hij dat wil. Alleen de wetsvoorstellen daartoe zijn er ondanks toezeggingen van hem nog steeds niet.

Demografische krimp zet in steeds meer regio’s het behoud van goed onderwijs voor alle kinderen onder druk. Samenwerking tussen verschillende scholen en hun besturen kan een oplossing zijn, maar de wet zit samenwerking in de weg.

De staatssecretaris ziet dat ook in. Hij kondigde in mei vorig jaar aan, toen hij in brede school Het Samenspel in Wolphaartsdijk zijn beleidsvisie op krimp presenteerde, dat hij rond de jaarwisseling met wetsvoorstellen zou komen. Hij zei er niet bij welke jaarwisseling. De beloofde wetsvoorstellen zijn er nog steeds niet.

Ondertussen gaat de krimp natuurlijk gewoon door – die maakt niet even pas op de plaats als het in Den Haag stroperig stil blijft. Als gevolg van die traagheid en stilte, behoudt het openbaar onderwijs onnodig lang zijn achtergestelde positie ten opzichte van het bijzonder onderwijs.

De stichting openbaar onderwijs kan immers, in tegenstelling tot besturen voor bijzonder onderwijs, volgens de huidige wet- en regelgeving geen samenwerkingsschool in stand houden. Bovendien hebben openbare schoolbesturen op dit moment nog niet de wettelijke mogelijkheid om in integrale kindcentra onderwijs en kinderopvang met elkaar te combineren.

Het lijkt er helaas op dat de langverwachte actie van de staatssecretaris verder wordt uitgesteld, omdat het Nederlands Centrum van Onderwijsrecht (NCOR) onlangs heeft aangegeven dat het grondwettelijk niet mogelijk zou zijn om samenwerkingsscholen onder stichtingen voor openbaar onderwijs te hangen. Volgens het NCOR zou een samenwerkingsschool slechts in stand kunnen worden gehouden door een samenwerkingsbestuur, dat per definitie niet openbaar kan zijn.

Het is wrang te moeten vrezen dat het openbaar onderwijs hierdoor in ieder geval langer dan nodig zijn achtergestelde positie behoudt. Dit is extra wrang, omdat juist in de stichting openbaar onderwijs iedereen zijn plaats heeft en zijn eigen rol kan vervullen onder extern toezicht van de democratisch gekozen gemeenteraad. Dat is pas echt samenwerking!

Het is daarom zaak dat de staatssecretaris, ondanks de kritische bevindingen van het NCOR, haast maakt met zijn toegezegde voorstellen om recht te doen aan de gelijkwaardigheid van het openbaar en bijzonder onderwijs.

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB

Inzet van schoolbesturen loont

De kwaliteit van het onderwijs hangt sterk af van de kwaliteit van de schoolleiders en -bestuurders. Het is goed dat de Inspectie van het Onderwijs dit in het Onderwijsverslag 2012-2013 benadrukt. Het laat zien dat bestuur en management worden erkend als cruciale voorwaarde voor goed onderwijs, zeggen Ritske van der Veen en Anna Schipper van VOS/ABB.

Het zijn de leraren die leerlingen goed onderwijs geven. Zij staan voor de klas, of zoals dat in het onderwijs vaak wordt gezegd ‘met de poten in de modder’. Een uitspraak die wij nooit zo goed hebben begrepen, omdat die suggereert dat het in het onderwijs slechts moeizaam voortmodderen is. Goed onderwijs verdient positieve beeldspraak!

Afgezien van dat modderige beeld, is het niet zo dat alleen leraren goed onderwijs maken. Het is, zo constateert de inspectie terecht, een samenspel van personeel, schoolleiders en –bestuurders. Organisaties waarin die drie groepen met elkaar de schouders eronder zetten, bereiken de beste resultaten. Dat dit werkt, blijkt uit de afname van het aantal zwakke en zeer zwakke scholen.

Aan de kwaliteit van die samenwerking kan nog wel het één en ander worden verbeterd. Het beeld van de inspectie dat schoolleiders over het algemeen goed functioneren, herkennen wij in de praktijk. Maar wij herkennen helaas ook het beeld dat het hun nogal eens ontbreekt aan zelfreflectie – een gebrek dat overigens meer mensen parten speelt.

Ook zien we dat het management niet altijd voldoende alert is op risico’s die de kwaliteit van het onderwijs onder druk kunnen zetten. Dit benadrukt het belang van verdere professionalisering van schoolleiders. Als zij goed functioneren, komt dat immers de kwaliteit van de school ten goede.

Kritischer is de inspectie over de rol van de schoolbesturen. De inspectie stelt terecht dat de kwaliteit van de schoolleiders, en daarmee de kwaliteit van het onderwijs, gebaat is bij goede schoolbestuurders die daarop actief sturen. Dit is nog onvoldoende het geval, zo staat in het Onderwijsverslag, omdat de meeste besturen de kwaliteit van hun scholen slechts globaal in de gaten houden. Ook het functioneren van hun schoolleiders volgen zij slechts in grote lijnen.

Ook dit punt uit het Onderwijsverslag herkennen wij. Het is natuurlijk niet zo dat het overal kommer en kwel is – verre van dat! – maar als we in het primair en voortgezet onderwijs een volgende kwaliteitsslag willen maken, dan zullen schoolbestuurders daar meer op moeten focussen. De inzet van besturen loont, concludeert de inspectie. Daar zijn wij het helemaal mee eens!

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB
Anna Schipper, adjunct-directeur VOS/ABB

Fusietoets voor funderend onderwijs helemaal loslaten

Het lijkt erop dat voorzitter Fons van Wieringen van de Commissie Fusietoets Onderwijs (CFTO) met zijn uitspraak over schaalvergroting in een vorig tijdperk is blijven steken.

‘De directe aanleiding voor de Wet fusietoets is een rem te zetten op voortgaande schaalvergroting’, zegt Van Wieringen in het kader van het jaarverslag van de CFTO. Hij meldt ook dat ‘het onderwijs nog sterk in de schaalvergrotende modus staat’.

Wat Van Wieringen zich niet goed lijkt te realiseren, is dat de fusietoets voor het funderend onderwijs samenwerking tussen verschillende scholen en hun besturen in de weg kan zitten. Dat is hinderlijk, zeker in gebieden met demografische krimp.

Daarbij komt dat de fusietoets een reactie is op de ongebreidelde schaalvergroting in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs. In het primair en voortgezet onderwijs is de menselijke maat, zoals dat heet, nooit uit zicht geraakt. VOS/ABB wil dan ook dat de fusietoets voor het primair en voortgezet onderwijs volledig wordt losgelaten.

Zover durven staatssecretaris Sander Dekker van OCW en de Tweede Kamer nog niet te gaan. Wel zien steeds meer politici in dat de fusietoets samenwerking in de weg zit. Wat dat betreft is interessant wat Dekker in februari in de Tweede Kamer zei: ‘Ik sluit niet uit dat bij de evaluatie in 2015 wordt geconcludeerd dat de fusietoets te veel knelt.’

Een motie die fusies onder de 2500 leerlingen in het primair onderwijs en fusies onder de 5000 leerlingen in het voortgezet onderwijs vrijstelt van de fusietoets, is al door de Tweede Kamer aangenomen. VOS/ABB vindt dat deze grenzen helemaal moeten worden geschrapt, zoals in oktober jongstleden is aangegeven in een brief aan de Tweede Kamer.

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB

Samenwerkingsschool ook onder openbaar bestuur!

Alle vormen van samenwerking moeten mogelijk zijn om het aanbod en de kwaliteit van het onderwijs in krimpgebieden op peil te houden. Denominatie noch fusietoets mag daarbij in de weg staan. Dat is wat in het Regeerakkoord staat. Dan moet het nu eindelijk ook voor openbare schoolbesturen mogelijk worden om samenwerkingsscholen in stand te houden!

De samenwerkingsschool wordt door staatssecretaris Sander Dekker van OCW terecht gezien als een goede mogelijkheid om de negatieve gevolgen demografische krimp voor het onderwijs tegen te gaan. Als openbaar en bijzonder onderwijs de handen ineenslaan, kunnen zij samen werken aan kwaliteitsonderwijs. De positieve drang die Dekker in mei vorig jaar – niet voor niets in basisschool Samenspel in het Zeeuwse dorpje Wolphaartsdijk – aankondigde, was dan ook specifiek gericht op samenwerking.

Hij ontvouwde in Wolphaartsdijk zijn plan om de kleinescholentoeslag af te schaffen. In plaats daarvan zou er een soort bonus op samenwerking komen, waarbij, zo garandeerde Dekker, er geen euro van het beschikbare geld af zou gaan. Hij legde de bal dus nadrukkelijk bij de schoolbesturen, die daar niet allemaal even blij mee waren.

De constructieve oppositie van D66, ChristenUnie en SGP heeft er echter voor gezorgd dat de kleinescholentoeslag blijft bestaan. Dit brengt het gevaar met zich mee dat nu de financiële prikkel weg is niet meer alle schoolbesturen de noodzaak van samenwerking voelen en dat sommige denken dat het allemaal wel losloopt. Niets is minder waar!

Openbaar onderwijs benadeeld!
Een ander, zo mogelijk nog belangrijker punt dat een vertragende werking heeft op de samenwerking tussen de denominaties en dat met name het openbaar onderwijs benadeelt, ligt op het gebied van het arbeidsrecht. De huidige regels bepalen dat het personeel van de samenwerkingsschool een privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst moet hebben. Een ambtelijke aanstelling, zoals in het openbaar onderwijs, is niet mogelijk.

Dit brengt met zich mee dat een samenwerkingsschool nu niet onder een openbaar schoolbestuur kan vallen, terwijl staatssecretaris Dekker klip en klaar heeft beloofd dat dit wel moet kunnen. Wij horen bij VOS/ABB op dit punt niets meer van Dekker, terwijl het voor het openbaar onderwijs, zeker in krimpgebieden van cruciaal belang is. Dit arbeidsrechtelijke probleempunt moet nu snel worden aangepakt. Het zal een lastige klus zijn, maar waar een wil is, is een weg!

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB

Opmerking Wilders benadrukt belang kernwaarden

Wij zijn op grond van de diversiteit die het openbaar onderwijs kenmerkt blij met álle kinderen. Dat is de gedachte die op de avond van de gemeenteraadsverkiezingen direct bij mij opkwam toen Geert Wilders zijn aanhang liet scanderen dat er in Nederland minder Marokkanen moeten komen.

Het mag duidelijk zijn dat ik als man met een warm hart voor de kernwaarden van het openbaar en algemeen toegankelijk onderwijs bepaald geen aanhanger ben van het gedachtegoed van het enige partijlid van de PVV. Maar toen hij op de verkiezingsavond zijn inmiddels zwaar bekritiseerde opmerkingen over ‘de Marokkanen’ maakte, liepen de rillingen mij werkelijk over de rug.

De uitleg achteraf van Wilders dat hij niet álle Marokkanen bedoelde, maar alleen criminele Marokkanen, doet niets af aan het alarmerende signaal dat hij over zichzelf heeft afgegeven. Het gaat er niet om dat er in Nederland minder criminele Marokkanen moeten zijn – het gaat erom dat de criminaliteit wordt aangepakt, ongeacht de afkomst van de mensen die daar schuldig aan zijn.

Ik hoop van harte dat de tijd waarin individuen werden afgerekend op hun afkomst ver achter ons blijft liggen. Er is in het verleden al veel te veel ellende over de samenleving heen gekomen toen voorgangers van Wilders op grond van vermeende etnische verschillen individuen veroordeelden.

In het openbaar onderwijs blijven we ons sterk maken voor onze kernwaarden, omdat diversiteit in combinatie met wederzijds respect en aandacht voor elkaars achtergrond en levensbeschouwing essentieel zijn voor een in alle opzichten gezonde samenleving.

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB

Wat het effect van de ongenuanceerde opmerking van Geert Wilders op kinderen kan zijn, vertelt de 11-jarige Amin Lachir op Omroep Brabant.

Wie maakt het onderwijsbeleid?

Wie maakt het onderwijsbeleid? Het kabinet of de oppositie? De laatste, zo lijkt het. De constructieve oppositie dan wel te verstaan – dus D66, ChristenUnie en SGP. Het kabinet heeft de steun van die partijen hard nodig om ook in de Eerste Kamer te kunnen rekenen op een werkbare meerderheid. 

Ook in de politiek geldt ‘voor wat, hoort wat’, zo blijkt uit het feit dat D66 met miljoenen voor het onderwijs mag strooien. Onderwijswoordvoerder Paul van Meenen mag even voor ministertje spelen door in totaal 40 miljoen euro te verdelen. Dat geld was gereserveerd om de afschaffing van de kleinescholentoeslag in goede banen te leiden. Nu die toeslag blijft bestaan, kan het geld andere bestemmingen krijgen. Voorbeelden zijn schone en energiezuinige scholen, passend onderwijs en het Nederlandse onderwijs in het buitenland. Dat laatste past bij D66 als een partij die zich graag als kosmopolitisch profileert.

Als D66 mooie sier mag maken met onderwijsgeld, dan mag de ChristenUnie dat als constructieve oppositiepartij natuurlijk ook. De partij van Joël Voordewind mag bekendmaken dat er 29 miljoen extra in de lumpsum van de samenwerkingsverbanden komt. Dat is niet-geoormerkt geld, maar de ChristenUnie is een politieke partij, dus die heeft al wel een idee waar het aan besteed kan worden. Een deel zou moeten worden gebruikt om de verevening in het kader van de invoering van passend onderwijs te verzachten. Vooral voor samenwerkingsverbanden in krimpgebieden is dit goed nieuws. De keuze past bij de ChristenUnie, omdat die partij haar stemmers vooral in de regio vindt.

Opmerkelijk is dat niet minister Jet Bussemaker of staatssecretaris Sander Dekker van OCW met het nieuws komen over extra geld voor het onderwijs, maar twee oppositiepartijen (waar blijft de SGP?). Het lijkt dus wel of niet het kabinet, maar de oppositie het onderwijsbeleid bepaalt. Wie regeert er nu eigenlijk?

Nu echter D66 en ChristenUnie met geld hebben mogen strooien als beloning voor goed gedrag, lijkt het feestje voorbij. Arie Slob van de ChristenUnie zet het kabinet in de discussie over de strafbaarstelling van illegaliteit onder druk. Als het kabinet dat plan van staatssecretaris Fred Teeven van Justitie doorzet, trekt Slob de stekker uit de gedoogconstructie en wordt het kabinet in de Eerste Kamer weer vleugellam.

Het is goed dat de strafbaarstelling van illegaliteit kennelijk een breekpunt is. Afgezien van de algemene politieke vraag of strafbaarstelling wenselijk is – in die discussie wil ik mij als directeur van VOS/ABB niet mengen – signaleer ik dat het onderwijs in een onmogelijke positie kan komen als Teeven zijn zin krijgt. Want wat wordt er dan van scholen verwacht als zij weten van het illegale verblijf in Nederland van bepaalde leerlingen en hun ouders? Moeten zij dat dan melden, omdat ze immers op de hoogte zijn van een strafbaar feit? Nee, het mag nooit zo zijn dat scholen het verlengstuk van de opsporingsdiensten worden!

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB

Ook CPB stapt in val die Cito-toets heet

De recente conclusie van het Centraal Planbureau (CPB) dat de kwaliteitsaanpak in het Amsterdamse basisonderwijs niet werkt, toont wederom aan dat het weinig zin heeft om de gemiddelde scores op de Cito-toets in onderzoeken te gebruiken.

Het was de toenmalige onderwijswethouder Lodewijk Asscher die in 2008 de Kwaliteitsaanpak Basisonderwijs Amsterdam (KBA) lanceerde. Aanleiding daarvoor was dat er destijds in Amsterdam 35 zwakke en zeer zwakke basisscholen waren. Van die scholen kozen 24 ervoor om zich bij het project aan te sluiten. Inmiddels zijn er volgens de Inspectie van het Onderwijs nog maar vier zwakke basisscholen in Amsterdam. Het lijkt dus logisch te concluderen dat de aanpak werkt.

Het CPB denkt daar anders over, zo bleek onlangs, omdat de gemiddelde score op de Cito-toets in Amsterdam sinds 2008 met 1,7 punt is gedaald ten opzichte van vergelijkbare scholen elders. Dit laat zien dat er op basis van gemiddelde scores op de Cito-toets andere conclusies kunnen worden getrokken dan wanneer wordt gekeken naar inspectierapporten. Het verschil zit hem in het feit dat de inspectie naar meer aspecten kijkt die van belang zijn voor goed onderwijs dan alleen taal, rekenen en studievaardigheden, waarop de Cito-toets is gebaseerd.

Ik geef Pieter Hilhorst, de Amsterdamse onderwijswethouder, groot gelijk. Hij leverde in Het Parool kritiek op het CPB-rapport. Hij vergeleek het onderzoek met een methode om medicijnen te testen. Een meetmethode op basis van gemiddelde scores werkt om de resultaten van natuurwetenschappelijke processen te meten. Bij het vaststellen van onderwijskwaliteit komt meer kijken dan alleen cijfertjes. Het is dan ook goed dat Hilhorst nu als antwoord op het CPB-rapport met een eigen kwaliteitsonderzoek komt.

Het CPB-onderzoek is helaas wéér een voorbeeld van verwarring die over onderwijskwaliteit kan ontstaan. In september vorig jaar zagen we al hoe ernstig het misging toen RTL Nieuws zijn kwaliteitslijst publiceerde. De nieuwszender had de gemiddelde citoscores gebruikt en die wat laten oppimpen door cijfertjesprofessor Jaap Dronkers. De lijst rammelde aan alle kanten en Dronkers gaf dat zelf naderhand toe. Nu zien we het CPB dezelfde fout maken. Opmerkelijk, want van een gerenommeerd bureau als het CPB had ik meer verwacht dan van een commerciële tv-zender.

Ten slotte: het CPB-onderzoek is bovendien een nieuw geval van het oneigenlijke gebruik van gemiddelde citoscores. De Cito-toets is bedoeld als ondersteuning voor de basisschool voor een waardevol advies voor vervolgonderwijs aan de individuele leerling uit groep 8. We zien steeds, ook nu weer, dat de gemiddelde citoscores worden gebruikt om de kwaliteit van scholen te meten. Daar is de Cito-toets nooit voor bedoeld!

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB

Wij worstelen en komen boven

Definitief uitsluitsel is er nog niet, maar het lijkt er sterk op dat de kleinescholentoeslag blijft bestaan. Dit wordt door veel kleine dorpsscholen als goed nieuws gezien, maar zij kunnen nu niet rustig voortdobberen op de woelige wateren van de demografische krimp. De leerlingendaling  zet door – daar heeft de toeslag geen invloed op – dus samenwerking blijft nodig om het hoofd boven water te houden!

Staatssecretaris Sander Dekker van OCW  maakte in mei vorig jaar tijdens een drukbezochte persconferentie in het normaal zo rustige dorpje Wolphaartsdijk bekend hoe hij de negatieve gevolgen van demografische krimp te lijf wilde gaan. Hij stelde voor om de kleinescholentoeslag af te schaffen. Daarvoor in de plaats moest een regeling komen om kleine scholen te stimuleren met elkaar samen te werken.

De keuze van Dekker om zijn krimpplan bekend te maken in Wolphaartsdijk, midden in het krimpgebied Zeeland, sloot aan op zijn visie dat er moet worden samengewerkt om het aanbod en de kwaliteit van het onderwijs ook in krimpgebieden op peil te houden. De persconferentie was niet voor niets in basisschool Samenspel, waarin openbare basisschool De Achthoek en de protestants-christelijke school Ichtus veel samen doen.

VOS/ABB ziet de noodzaak van samenwerking in krimpgebieden ook. Onze beleidsmedewerker Hans Teegelbeckers, die zich onder andere met de krimpproblematiek bezighoudt, lichtte zijn visie in maart vorig jaar toe tijdens een gesprek met het ministerie van OCW. Hij stelde voor om met een stimuleringsregeling de samenwerking tussen scholen en schoolbesturen te vergemakkelijken. Het idee van VOS/ABB kwam terug in de visie van de staatssecretaris.

Nu het erop lijkt dat de kleinescholentoeslag blijft bestaan, wat het resultaat is van een actieve lobby van ChristenUnie en SGP gesteund door D66, rijst de vraag of de besturen van kleine basisscholen de kansen voor een positieve samenwerking met andere schoolbesturen laten voor wat ze zijn. Dat zou niet verstandig zijn, omdat de demografische krimp ook met behoud van de kleinescholentoeslag doorzet.

Als scholen kiezen voor afwachten, kan het gebeuren dat de ene na de andere plattelandsschool omvalt. Daar zit niemand op te wachten. Bovendien zou dat tot de grondwettig onmogelijke situatie kunnen leiden dat niet meer overal voldoende openbaar onderwijs beschikbaar is.

De noodzaak blijft dus onverminderd aanwezig om elkaar op te zoeken. Als het openbaar en het bijzonder onderwijs samen het onderwijs in krimpregio’s op peil kunnen houden, verdient dat absoluut de voorkeur boven de doodlopende weg om op basis van de denominatieve scheidslijnen zelf het hoofd boven water te houden.

In Zeeland hebben ze daar een mooie Latijnse spreuk voor: luctor et emergo. Die zou wat betreft het krimpende onderwijs eigenlijk moeten luiden: luctamur et emergimus – wij worstelen en komen boven!

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB

Pragmatische stap naar verlaten duale bestel

Een aanstaande bestuursfusie in Zuid-Limburg laat zien dat staatssecretaris Sander Dekker van OCW onderwijskwaliteit belangrijker vindt dan behoud van het duale bestel. Dat is een goede ontwikkeling, zeker voor regio’s waar het onderwijs de gevolgen van demografische krimp voelt.

De staatssecretaris gaf afgelopen mei in basisschool Samenspel in het Zeeuwse dorp Wolphaartsdijk, waar openbaar en protestants-christelijk onderwijs met elkaar samenwerken, zijn visie op de aanpak van de gevolgen van krimp. Hij benadrukte toen dat in de specifieke aanpak per regio samenwerking tussen verschillende schoolbesturen centraal moet staan.

Dat samenwerking niet vrijblijvend is, bleek uit zijn plan om de kleinescholentoeslag af te bouwen, omdat die wordt gezien als obstakel dat samenwerking in de weg zit. In plaats daarvan moet er een financiële prikkel komen om scholen tot elkaar te brengen.

Gelijkwaardige positie
Dekker beantwoordde in zijn beleidsvisie in positieve zin een aantal verzoeken van VOS/ABB om de bestuurlijke positie van het openbaar onderwijs gelijk te stellen aan die van het bijzonder onderwijs. Die gelijkwaardigheid is nodig voor een adequate aanpak van de krimpproblematiek.

De versoepeling van de fusietoets was een ander positief element uit de krimpvisie van Dekker. Van onze leden vernemen wij geregeld dat de fusietoets samenwerking in de regio tegenwerkt. Het voorstel van de staatssecretaris om in het primair onderwijs de grens voor de fusietoets te verhogen van 10 naar 30 scholen en in het voortgezet onderwijs de grens op 20 scholen te leggen, is een goede ontwikkeling.

Nú in actie komen!
Voordat de plannen van Dekker kunnen worden uitgevoerd, moet eerst de wet worden gewijzigd. De datum 1 augustus 2016 is uitgangspunt voor inwerkingtreding van wijzigingsvoorstellen. Het democratische proces in een rechtsstaat als de onze heeft tijd nodig. De krimpproblematiek vraag echter nú om actie en niet pas over een paar jaar, want dan is het voor veel kleine scholen al te laat.

De staatssecretaris ziet dat ook. Daarom is hij amper een maand na de openbaarmaking van zijn krimpvisie al wetsoverstijgend in actie gekomen. In Zuid-Limburg is een bestuurlijke fusie aanstaande tussen een samenwerkingsbestuur met openbare en bijzonder-neutrale scholen enerzijds en een katholiek schoolbestuur anderzijds. Het betreft opnieuw de vorming van een samenwerkingsbestuur.

Wettelijke eisen
Hiervoor dient eerst te worden voldaan aan de eisen van de vorming van een samenwerkingsbestuur, waarna de fusietoets volgt. Voorwaarde voor goedkeuring is dat met de fusie de opheffing van één of meer scholen wordt voorkomen. Alleen in dat geval biedt de wet ruimte om bijzonder en openbaar onderwijs onder één bestuurlijk dak te brengen.

In de Zuid-Limburgse casus is niet voldaan aan die belangrijke eis: de fusie zelf redt geen scholen die met opheffing worden bedreigd. De Commissie Fusietoets oordeelde dan ook negatief. De staatssecretaris gaf toch zijn goedkeuring voor de fusie, omdat hij het noodzakelijk vindt om nú actie te ondernemen. Hij stelt in zijn besluit:

Duurzame kwaliteitsborging is het belangrijkste motief voor de fusie en dat belang weegt voor mij zwaarder dan het algemene belang van het tegengaan van schaalvergroting, het behoud van keuzevrijheid en het in stand houden van het duale onderwijsaanbod met de scheiding tussen openbaar en bijzonder onderwijs.

VOS/ABB is blij met dit besluit, en wel om twee redenen. Ten eerste laat de staatsecretaris zien dat hij de urgentie van de krimpaanpak erkent en daarnaar wil handelen. Zijn beleidsvisie heeft hij als uitgangspunt genomen en naast de specifieke omstandigheden van het geval gelegd. Via een belangenafweging, zonder de wet (geheel) los te laten, heeft hij de situatie bekeken en daarover een zorgvuldig oordeel geveld. Hij heeft een handvat gevonden voor de aanpak van krimp en geeft dat mee aan het onderwijsveld.

Ten tweede is het positief dat Dekker het uitgangspunt van kwaliteitsborging boven het duale bestel plaatst. Dit punt sluit aan bij de visie van VOS/ABB en de Vereniging Openbaar Onderwijs, dat we naar het concept ‘school’ moeten streven. Dit concept stijgt boven de denominaties uit.

Verlaten duale bestel
De krimpvisie van Dekker, de visie van het kabinet op artikel 23 van de Grondwet (onder andere richtingvrij plannen) en de beslissing tot goedkeuring van de Zuid-Limburgse besturenfusie geven een eenduidig beeld: dit kabinet is de weg opgegaan naar het verlaten van het duale bestel.

Het is schoolbesturen aan te raden het besluit van Dekker erop na te slaan om te bezien of zij dit kunnen gebruiken voor aanstaande fusies die eerst kansloos leken vanwege de wettelijke bepalingen. De visie van de staatssecretaris en het daarop gebaseerde besluit over de fusie in Zuid-Limburg bieden de mogelijkheid om krimp denominatie-overstijgend en daarmee slagvaardig aan te pakken.

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB

Donkerste wolken drijven voorbij

Goed nieuws voor het openbaar onderwijs: de rijkssubsidie voor godsdienstig en humanistisch vormingsonderwijs in de openbare scholen blijft bestaan. Gelukkig heeft onze politieke lobby die daarop was gericht succes gehad. Goed nieuws is ook dat het kabinet kwaliteitsonderwijs onmisbaar vindt voor een in alle opzichten gezonde ontwikkeling van ons land.

Het is niet alleen rozengeur en maneschijn, dat besef ik terdege. Maar we kunnen volgens mij wel concluderen dat het onderwijs op Prinsjesdag, in de huidige tijden van economische crisis, geen zware klappen heeft gekregen, zeker niet vergeleken met andere sectoren, zoals defensie. Oké, de stille bezuinigingen gaan door, en daar heeft de sector onder te lijden. Ik noem de inhouding van de prijsbijstelling, waardoor het onderwijs structureel 250 miljoen tekortkomt. Maar het feit dat het kabinet het onderwijs ontziet bij de extra bezuinigingen in 2014 stemt positief.

Toen ik de Miljoenennota las en de onderwijsbegroting voor 2014 en de jaren daarna doornam, herkende ik  veel aspecten die mij als onderwijsman positief stemden. Goed onderwijs is volgens het kabinet essentieel voor een in alle opzichten gezonde ontwikkeling van onze samenleving. Het gaat hier niet alleen om de economie, maar ook om sociale cohesie. Dit plaats ik in het kader van het behoud van de subsidie voor g/hvo in het openbaar onderwijs. Aandacht voor levensbeschouwing, ook in de openbare school, draagt bij aan de gezonde maatschappelijke ontwikkeling.

Ik vind het ook positief dat het kabinet investeert in goed onderwijsbestuur. We hebben de laatste tijd helaas ook in het openbaar onderwijs gezien dat bestuurders en toezichthouders niet altijd het juiste morele kompas hadden. Het gaat hier gelukkig om een zeer kleine groep, maar voor het vertrouwen in en het aanzien van de sector is het van levensbelang dat alle onderwijsbestuurders en toezichthouders doen waarvoor ze op aarde zijn, namelijk het realiseren van goed onderwijs in een betrouwbare en efficiënte organisatie.

Ten slotte is het goed dat het kabinet in krimpgebieden inzet op de samenwerking tussen openbaar en bijzonder onderwijs, zodat ook daar scholen van kwaliteit kunnen worden behouden. De samenwerkingsschool kan daarvoor een goed instrument zijn. Deze ontwikkeling zie ik in het kader van de versterking van het openbaar onderwijs, dat immers bestuurlijk een positie krijgt die gelijkwaardig is aan die van het bijzonder onderwijs. De Tweede Kamer is onlangs akkoord gegaan met een wetswijziging die dat mogelijk maakt.

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB

Hoe nationaal is het onderwijsakkoord?

Mooi, er ligt een Nationaal Onderwijsakkoord. Oké, het is nog een principeakkoord, dat moet worden voorgelegd aan de leden van de werkgevers- en werknemersorganisaties, maar toch: mooi dat er nu eindelijk handtekeningen zijn gezet. Maar wat is er nationaal aan, als de Algemene Onderwijsbond (AOb) als grootste werknemersorganisatie het niet steunt?

Het handhaven van de nullijn in het onderwijs was voor de zomervakantie voor de AOb reden om weg te lopen van de onderhandelingstafel. Later besloot de Stichting van het Onderwijs, waarin de werkgevers en werknemers zijn verenigd, dat ook te doen. Om dezelfde reden, nadat het kabinet de noodzaak van de nullijn had bevestigd. Dat volgde op de bekendmaking door minister Jeroen Dijsselbloem van Financiën dat er in 2014 voor een bedrag van in totaal 6 miljard euro moet worden bezuinigd op de overheidsuitgaven.

Het bevreemdde mij dat na de zomervakantie vanuit de VO-raad het signaal kwam dat er wel weer te praten viel, terwijl er geen tekenen leken te zijn dat het kabinet de nullijn zou loslaten. Zoals de vlag er nu voorhangt, is het nog maar zeer de vraag of het personeel er toch geld bij krijgt. Voorlopig zijn de berichten hierover slechts gebaseerd op wat ‘goed ingewijden’ melden. Het is nog helemaal niet bekend of en zo ja wanneer wie er hoeveel bij zou kunnen krijgen. Pas op Prinsjesdag kunnen we hier meer informatie over verwachten. Dat is veel te laat!

Afgezien hiervan is het volgens mij niet goed dat de onderhandelende partijen verdeeld zijn geraakt. De AOb heeft als grootste onderwijsbond van Nederland het principeakkoord (nog) niet ondertekend, terwijl CNV Onderwijs en de sectororganisaties PO-Raad en VO-raad dat wel hebben gedaan. Al deze organisaties zitten in de Stichting van het Onderwijs, die zich als een eenheid tegenover het kabinet sterk zou moeten maken voor goed onderwijs en met één mond zou moeten spreken.

De gang van zaken rond het Nationaal Onderwijsakkoord komt daarom op mij over als een sterk staaltje van verdeel-en-heers-tactiek van minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker van OCW, met als vette worst die zij voorhielden investeringen in het onderwijs die kunnen oplopen tot bijna 700 miljoen euro.

Wil Dekker af van 1040 uur?

Is de brief van staatssecretaris Sander Dekker van OCW over de minimale onderwijstijd een politiek pressiemiddel of stuurt hij ermee aan op het loslaten van de omstreden 1040-urennorm?

In de Wet onderwijstijd, die door de Tweede en Eerste Kamer is aangenomen, staat dat de minimale onderwijstijd in de onderbouw van het voortgezet onderwijs 1040 klokuren per jaar is. Daarbij geldt dat de school 60 uur aan maatwerkactiviteiten mag meetellen. Hiertoe rekent OCW extra taallessen, mentoruren of bijlessen die niet alle leerlingen hoeven te volgen. De wet treedt op 1 augustus in werking, dus is het logisch dat de staatssecretaris aangeeft dat per die datum de norm van 1040 uur van kracht zal zijn.

In de gesprekken over het Nationaal Onderwijsakkoord leek echter te worden aangestuurd op 1000 klokuren. Nu die gesprekken nog geen resultaat hebben opgeleverd en bovendien sinds eind juni stilliggen, blijft de norm voor de onderbouw in elk geval in het schooljaar 2013-2014 op 1040 uur liggen.

Dat de gesprekken over het Nationaal Onderwijsakkoord stilliggen, heeft te maken met de extra structurele bezuiniging van 6 miljard euro die het kabinet vanaf 2014 wil doorvoeren. Onderdeel van die bezuiniging is de nullijn voor het onderwijspersoneel. Dit was voor de Stichting van het Onderwijs, waarin werkgevers en werknemers verenigd zijn, reden om de gesprekken met het kabinet stop te zetten.

Prompt volgt de brief van staatssecretaris Dekker, waarin hij stelt dat de 1040-urennnorm in het nieuwe schooljaar geldt, terwijl het voortgezet onderwijs uitging van 1000 uur. Daarmee hebben de scholen in hun begroting rekening gehouden. De sector heeft al herhaaldelijk kenbaar gemaakt dat 1040 uur budgettair niet gaat lukken, temeer daar OCW met allerlei stille bezuinigingen het de scholen steeds moeilijker maakt om de eindjes aan elkaar te knopen.

De brief kan worden gezien als een politiek pressiemiddel: wie niet meer wil praten over het Nationaal Onderwijsakkoord, moet op de blaren zitten. Of ligt het genuanceerder? In de brief staat immers ook dat de ambitie om ‘de kostbare onderwijstijd zo effectief mogelijk te benutten’ wordt ondersteund door de aangenomen motie van D66 in de Tweede Kamer ‘om de urennorm van 1040 uur te herzien op een wijze die maximale ruimte biedt aan maatwerk voor leerlingen’. Daar kan het voortgezet onderwijs mee uit de voeten!

Daarbij komt dat de Inspectie van het Onderwijs al heeft aangekondigd niet sec naar de urennorm te zullen kijken. Het gaat de inspectie – terecht – om de onderwijskwaliteit die een school biedt. Als daar aanleiding toe is, kan de inspectie ook kijken naar het aantal uren onderwijs dat door een school is gerealiseerd. De consequentie daarvan kan zijn dat de school een boete krijgt en rijkssubsidie moet terugbetalen.

Ik ga ervan uit dat de brief van de staatssecretaris niet meer en niet minder is dan een technische mededeling, gebaseerd op een wet die nu eenmaal per 1 augustus in werking treedt. Ik hoop dat hij zo verstandig is om de scholen die ook met minder dan 1040 klokuren per jaar goede onderwijskwaliteit leveren niet het vuur na aan de schenen te leggen. Goed onderwijs is immers te waardevol voor een politiek steekspel.

Een kat in het nauw…

Dit spreekwoord kwam direct in mij op toen ik de brief van minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker van OCW aan de Tweede Kamer las over de ‘verlegging’ van de subsidiestromen in het onderwijs.

Afgezien van het feit dat het eufemisme ‘verlegging’ in werkelijkheid verwijst naar een forse beperking van het beschikbare budget en dus naar een bezuiniging op het onderwijs, klopt de stelling van de minister en staatssecretaris niet dat zij het primaire proces ongemoeid laten. In hun brief aan de Kamer staat immers dat de subsidie voor godsdienstig en humanistisch vormingsonderwijs (g/hvo) op de openbare scholen per 2014 volledig wordt stopgezet. Deze vorm van onderwijs wordt door ongeveer 75.000 leerlingen gevolgd. Stopzetting ervan zou dus een ernstige aantasting van het primaire proces zijn!

Bovendien zou beëindiging van g/hvo indruisen tegen de wet, waarin staat dat de openbare school gelegenheid tot deze vorm van onderwijs moet bieden als ouders daarom vragen. Als het aan de minister en de staatssecretaris ligt, kan het openbaar onderwijs straks niet meer al zijn wettelijke taken uitvoeren. Sterker nog, Bussemaker en Dekker schrijven in hun brief dat ouders die willen dat hun kind op school in aanraking komt met godsdienst en levensbeschouwing, niet voor een openbare maar voor een bijzondere school moeten kiezen. Zij behoren te weten dat juist het openbaar onderwijs aandacht schenkt aan diverse godsdiensten en levensbeschouwingen. Het bijzondere van de openbare scholen is dat dit gebeurt op basis van gelijkwaardigheid van godsdienst en wederzijds respect. Ik vind het ongehoord dat de bewindslieden die verantwoordelijk zijn voor kwalitatief hoogstaand onderwijs een deel van de ouders in feite afraden om voor een openbare school te kiezen! Natuurlijk, ik snap heus wel dat zij in tijden van economische crisis en bezuinigingen pijnlijke keuzes moeten maken, maar nu maken ze wel heel rare sprongen!

Daar komt bij dat stopzetting van de subsidie van 10 miljoen euro per jaar voor het Dienstencentrum GVO en HVO, dat de lessen g/hvo verzorgt, de vernietiging van zorgvuldig opgebouwd menselijk kapitaal met zich mee zou brengen. De subsidie maakt het mogelijk om circa 700 gekwalificeerde docenten g/hvo voor de klassen te hebben. Zij voldoen aan de Wet beroepen in het onderwijs (Wet BIO). Tot 2009, toen voormalig PvdA-staatssecretaris Sharon Dijksma van OCW de subsidie op verzoek van de Tweede Kamer instelde, werd g/hvo veelal door ongekwalificeerde docenten gegeven, wat de kwaliteit ervan niet altijd ten goede kwam. De voorgestelde stopzetting van de subsidie staat dus ook nog eens haaks op de professionalisering van de leraren. Het kabinet heeft daar weliswaar de mond van vol, maar als het aankomt op g/hvo, geven Bussemaker en Dekker kennelijk niet thuis.

Gaan we nu bij de pakken neerzitten? Nee, dat doen we niet! Samen met de verschillende collega-besturenorganisaties van het bijzonder onderwijs, de onderwijsvakbonden, de Vereniging Openbaar Onderwijs en de andere landelijke ouderorganisaties heeft VOS/ABB de Tweede Kamer duidelijk gemaakt dat stopzetting van de subsidie voor g/hvo niet kan. Ik ga ervan uit dat de Vaste Kamercommissie voor OCW de fout van de minister en de staatssecretaris inziet en rechtzet.