Kracht openbaar onderwijs zit in diversiteit!

Het openbaar onderwijs in de komische tv-serie De Luizenmoeder wordt neergezet als angstig en vol vooroordelen over diversiteit. Dat komt gelukkig niet overeen met wat wij in de praktijk tegenkomen!

Afgelopen zondagavond trok De Luizenmoeder ruim 3 miljoen kijkers. De aflevering ging over de manier waarop de gefingeerde openbare basisschool De Klimop van onder anderen de gefrustreerde directeur Anton en de eigenzinnige juf Ank met religie en diversiteit omgaat.

De lachwekkende vooroordelen en karikaturen vlogen ons om de oren: de gelovige juf Ank die ‘gristelijk’ zegt, het oppervlakkige feest dat overblijft als je het kerstverhaal schrapt en de ‘koepel’ die krampachtig een religieus feest uit de openbare school weert. Er werd omwille van het vermaak een beeld neergezet van een openbare school die bang is voor diversiteit en van een schoolbestuurder die als hoogste in de boom zonder enig overleg neutraliteit doordrukt.

De aflevering ging dus over belangrijke vraagstukken waar wij in het openbaar onderwijs voor staan. Hoe gaan we om met religieuze diversiteit en met wederzijds respect en gelijkwaardigheid? Hoe maken we werk van de actieve pluriformiteit van het openbaar onderwijs?

Sterk merk

Wij komen als adviseurs op het gebied van identiteit bij veel openbare scholen. Gelukkig zien we daar schoolbestuurders, directeuren en leraren die helemaal niet bang zijn voor diversiteit. Er is juíst aandacht voor verschillende levensbeschouwingen op basis van wederzijds respect en gelijkwaardigheid.

Keuzes worden niet gemaakt op basis van vooroordelen, pragmatiek, gewoonte of angst, maar vanuit de kracht van het openbaar onderwijs. Kortom: wij zien dat openbaar onderwijs een sterk merk is dat past bij de huidige diverse samenleving!

Advies

Natuurlijk signaleren wij als adviseurs op het gebied van de identiteit van het openbaar onderwijs ook dat het niet overal perfect gaat. Geenszins pretenderen wij de wijsheid in pacht te hebben en we komen ook niet met een kant-en-klare formule voor de ideale openbare school. Wel kunnen wij met schoolbestuurders, directeuren, leraren en het liefst ook met ouders de dialoog aangaan over de vraag wat het karakter en de opdracht van de openbare school is en hoe je daar vorm en inhoud aan kunt geven.

Wilt u van VOS/ABB advies op het gebied van de identiteit van uw openbare school? Neem dan contact op met ons: Tamar Kopmels, Marleen Lammers of Eline Bakker.

Let op: advisering op het gebied van de identiteit van het openbaar onderwijs kost u als lid van VOS/ABB voor de eerste vier dagdelen niets. Dit valt binnen uw lidmaatschap van VOS/ABB!

Omdenken in plaats van staken

Op 15 maart gaat het hele onderwijs plat, van primair onderwijs tot en met de universiteiten. Althans, dat is de bedoeling van de Algemene Onderwijsbond (AOb). Gaan we hiermee de werkdruk en het lerarentekort verminderen?

Scholen krijgen extra geld voor minder werkdruk, bijvoorbeeld door ‘regels te ruimen’. Ook kunnen scholen subsidie krijgen om samen in hun eigen regio het lerarentekort aan te pakken. Per regio kan daarvoor 250.000 euro worden verstrekt. Desondanks wordt voor het schooljaar 2023-2024 in het primair onderwijs een tekort verwacht van 4200 fte en in het voortgezet onderwijs nog eens 1600 fte.

De instroom van zij-instromers en de stijging van het aantal jongeren dat leraar wil worden, vertragen de groei van het lerarentekort enigszins, maar er blijft sprake van een heel groot probleem. Gaan we dat oplossen door weer het werk neer te leggen? Dacht het niet! Door in het stakingsmantra te blijven hangen, geven we de boodschap af dat het onderwijs een plek is waar je vooral niet moet zijn!

Omdenken

Het is tijd voor draconische maatregelen. We moeten omdenken. Om te beginnen moeten we terug naar de kern: goed onderwijs verzorgen. Wat niet tot de corebusiness van scholen behoort, is het oplossen van allerlei maatschappelijke problemen, makelaar zijn van voor-, tussen- en naschoolse opvang, het organiseren van schoolreizen etc. etc.

En dan het passend onderwijs. Inclusie is een fantastisch idee, maar dan moet er wel genoeg geld voor zijn. Breng het aantal leerlingen per leraar omlaag en zet in elke klas ten minste één onderwijsassistent! Natuurlijk blijft het speciaal onderwijs voor sommige leerlingen altijd nodig. Ik noem hier ook de constatering van de OESO dat leraren in Nederland meer lesuren draaien dan hun collega’s in het buitenland. Dat moet minder, daar is iedereen in het onderwijs het wel over eens.

Vierdaagse schoolweek

Hoe gaan we dit regelen? Om te beginnen door serieus met elkaar in gesprek te gaan over de invoering van de vierdaagse schoolweek. Laten we bijvoorbeeld de woensdag vrijroosteren. Zo krijgen leraren meer tijd voor voorbereiding, scholing en overleg. Natuurlijk zijn er allerlei vragen: wat betekent het voor werkende ouders als de school één dag in de week dichtgaat? En wat betekent dit voor de kwaliteit van het onderwijs? Maar die vragen mogen er niet toe leiden dat we de vierdaagse schoolweek bij voorbaat afschieten.

Verdienen leraren slecht?

Dan nog even over de lerarensalarissen. Zijn die wel zo laag als de vakbonden stellen? Een beginnende leraar in het primair onderwijs verdient 2563 euro bruto per maand. Een beginnende verpleegkundige of politierechercheur op hbo-niveau krijgt minder. En als je aan je top zit? Dan kunnen leraren in het primair onderwijs 4851 euro bruto per maand verdienen, net als een hoofdinspecteur van politie of hoofdverpleegkundige. Het onderwijs loopt dus mooi in de pas.

We kunnen jongeren niet alleen laten zien dat leraar een heel mooi beroep is, maar ook dat je in het onderwijs helemaal niet slecht verdient!

Hans Teegelbeckers, directeur VOS/ABB

Elke leerling welkom en zorg voor kansengelijkheid!

Elke leerling welkom, recht op goed en kosteloos onderwijs en kansengelijkheid. Het is mooi dat Lodewijk Asscher van de PvdA zich hiervoor sterk maakt, want dit zijn uitgangspunten die bij het onderwijs van de 21e eeuw passen. Alleen is het nogal tijdrovend en wellicht ook niet zo kansrijk om dit in de Grondwet te regelen.

Het is raar dat het onderwijs in Nederland ruim 100 jaar na invoering van artikel 23 van de Grondwet over de vrijheid van onderwijs nog steeds uitgaat van uitsluiting van leerlingen. Althans, dat het bijzonder onderwijs daarvan mag uitgaan. In het openbaar onderwijs is iedereen per definitie welkom. Openbare scholen zijn immers van en voor iedereen. Dat is onze kracht.

Het bijzonder onderwijs kan echter nog steeds met de Grondwet in de hand leerlingen uitsluiten. Bijvoorbeeld als de levenswijze van een kind of diens ouders niet zou passen bij de religieuze grondslag van de school. Nu gebeurt dat tegenwoordig nog maar zelden, maar deze grondwettelijke mogelijkheid bestaat nog steeds.

Bovendien zet het wetsvoorstel Meer ruimte voor nieuwe scholen dat onderwijsminister Arie Slob van de ChristenUnie propageert, nog eens de poorten wagenwijd open voor allerlei scholen waarin juist in hokjes wordt gedacht en niet vanuit de brede maatschappelijke taak die het onderwijs heeft.

Waarom bang zijn?

Nu stellen politici van christelijke partijen altijd dat een grondwetswijziging voor algemene toegankelijkheid niet nodig is, omdat ’98 procent van de bijzondere scholen een open toelatingsbeleid heeft’, zoals CDA-Kamerlid Michel Rog direct na het bekend worden van het plan van Asscher nog maar eens twitterde. Als dat zo is, waarom kunnen we het dan eindelijk niet eens goed regelen in de wet? Het bijzonder onderwijs hoeft toch nergens bang voor te zijn?

Bijzonder is ook de reactie van de christelijke profielorganisatie Verus. Die vergelijkt het plan van Asscher met een mitrailleur waarmee hij zou proberen een mug dood te schieten. Muggen zijn irritant, maar of hier sprake is van een mitrailleur? Ik denk eerder dat Asscher deze mug netjes wil elimineren. Om voor eens en altijd geregeld te hebben dat leerlingen uitsluiten niet meer kan. Ik denk dat Verus het daar roerend mee eens is!

Via de Grondwet?

Je kunt je wel afvragen of Asscher het via de weg van de Grondwet praktisch aanpakt. Algemene toegankelijkheid kun je ook via een wetswijziging regelen. In 2005 al kwam de PvdA met een voorstel daartoe. Onder andere de huidige coalitiepartners VVD en D66 willen dat ook. Dat het nog steeds niet is geregeld, komt door de christelijke coalitiedwang van de afgelopen jaren en nu.

Dus in de huidige kabinetsperiode, met het CDA en de ChristenUnie in de regering, zal het wederom een lastige zaak worden. Tenzij men het maatschappelijke belang laat prefereren boven het ‘hokjesdenken’. Ook binnen de discussie over het wetsvoorstel ’n ‘Meer ruimte voor nieuwe scholen’ pleiten we vanuit VOS/ABB voortdurend voor algemene toegankelijkheid van scholen.

De procedure is zo ingericht dat het zomaar acht jaar kan duren voordat een grondwetswijziging is doorgevoerd. Die tijd hebben we niet, want algemene toegankelijkheid van het onderwijs met daaraan verbonden kansengelijkheid voor alle leerlingen is een urgente maatschappelijke kwestie. Dat zou ook dit kabinet serieus moeten nemen!

Hans Teegelbeckers, directeur VOS/ABB

Bij hokjesscholen is niemand gebaat!

Gelijke kansen, samen leren en goed onderwijs voor elk kind. Dat zijn mooie principes die passen bij de 21e eeuw. Dan moeten we niet met een nieuwe wet de oude hokjesgeest uit de verzuiling tot leven wekken.

De Tweede Kamer praat over het wetsvoorstel Meer ruimte voor nieuwe scholen. Toenmalig staatssecretaris Sander Dekker van OCW diende het in 2016 in. Hij zette het neer als een moderne interpretatie van artikel 23 van de Grondwet over de vrijheid van onderwijs. De huidige onderwijsminister Arie Slob brengt het nu als ‘meer vrijheid van onderwijs’.

Meer vrijheid, dat klinkt op zich natuurlijk positief. In werkelijkheid zal het wetsvoorstel echter de 20e-eeuwse verzuiling tot leven wekken, waarin veel mensen in hun eigen zuil gevangen zaten en niet zo vrij waren als nu. De kern van het wetsvoorstel is dat straks in principe iedereen een eigen school kan inrichten met eigen toelatingseisen.

Dus niet meer naast de openbare scholen, die nadrukkelijk van en voor iedereen zijn, alleen scholen met bijvoorbeeld een protestants-christelijke, rooms-katholieke of islamitische grondslag, maar ook scholen van splintergroeperingen. Zeg maar: ‘hokjesscholen’.

Voorzitter Jan Westert van het Landelijk Verband van Gereformeerd Schoolonderwijs kwam al met het idee om met de nieuwe wet in de hand aparte jongens- en meisjesscholen op te richten. Kunnen we straks ook aparte scholen verwachten voor mensen die het Spaghettimonster adoreren? Of wellicht meer realistisch: scholen voor kinderen van wie de ouders de Westerse democratische samenleving afwijzen?

Als het wetsvoorstel wordt aangenomen, behoort dat in de nabije toekomst helaas tot de mogelijkheden. Dat moeten we echt niet willen. In een gezonde samenleving krijgen alle kinderen gelijke kansen door op school op basis van gelijkwaardigheid en wederzijds respect met en van elkaar te leren. Niet apart, maar samen!

Hans Teegelbeckers, directeur VOS/ABB

Leerlingen uitsluiten? Onbestaanbaar!

De richtlijn van de PO-Raad over hoe scholen dienen om te gaan met de vrijwillige ouderbijdrage, is een mooie stap voorwaarts. Laten we in elk geval in het openbaar onderwijs het goede voorbeeld geven: elk kind telt mee, ook als de ouderbijdrage niet is betaald!

In de richtlijn van de PO-Raad staat dat elk kind moet kunnen meedoen aan alle activiteiten van de school, ook aan extra activiteiten die geen verplicht onderdeel van het curriculum zijn. Dat is wat ik al langer bepleit, omdat immers elke leerling telt. Kinderen mogen nooit worden afgerekend op het onvermogen en ook niet op de eventuele onwil van ouders om de vrijwillige ouderbijdrage te betalen. Zeker niet in het openbaar onderwijs, dat van en voor iedereen is.

De PO-Raad noemt het heel terecht ‘zeer onwenselijk’ als scholen kinderen uitsluiten. Ik zou er een schepje bovenop willen doen: dat is onbestaanbaar!

De vraag is echter of een richtlijn uiteindelijk zal leiden tot een gedragsverandering bij scholen die nu nog leerlingen uitsluiten als hun ouders hun bijdrage niet betalen. Het is mooi dat de PO-Raad vindt we elkaar hierop moeten aanspreken, maar er worden verder geen consequenties aan verbonden. Zullen de scholen die een ‘vrijwillige’ ouderbijdrage vragen van vele honderden euro’s per jaar en daarmee in feite een drempel opwerpen voor leerlingen van wie de ouders dat niet kunnen betalen, nu ineens hun leven gaan beteren? Ik betwijfel het.

Voortgezet onderwijs

Daar komt bij dat de richtlijn van de PO-Raad per definitie alleen betrekking heeft op het primair onderwijs. Daar speelt het probleem van uitsluiting op basis van de vrijwillige ouderbijdrage denk ik minder dan in het voortgezet onderwijs. Ouders met kinderen in het voortgezet onderwijs betalen immers mee aan dure schoolreizen. Voor steeds meer ouders is dat niet meer op te brengen. Ik snap dat het een probleem is als ze niet meebetalen, maar ook hier geldt natuurlijk dat geen enkele leerling mag worden uitgesloten.

Veel scholen lossen het gelukkig op met een speciaal potje voor leerlingen van ouders met weinig geld. Een praktische maatregel om het probleem tegen te gaan, kan ook zijn om minder op stap te gaan. Met leerlingen op skivakantie? Met het gymnasium alleen naar Rome, of ook naar Londen, Berlijn en/of Parijs? Of nog verder en dus duurder? Waarom zou je?

In wet vastleggen

De richtlijn van de PO-Raad komt natuurlijk niet uit de lucht vallen. SP en GroenLinks willen in de wet vastleggen dat geen enkele leerling mag worden uitgesloten van schoolactiviteiten als de ouders de vrijwillige bijdrage niet kunnen of willen betalen. In het afgelopen oktobernummer van ons magazine Naar School! zei ik al dat ik geen voorstander ben van steeds meer wetgeving, maar toch ben ik blij dat het initiatief is genomen om dit in de wet vast te leggen.

Maar het duurt nog wel enkele jaren voordat het zover is, mocht het al doorgaan. Nu hebben we dus de richtlijn van de PO-Raad, en dat is mooi. Laten we in elk geval in de openbare scholen het goede voorbeeld geven dat onderwijs in de volle breedte van en voor iedereen is!

Hans Teegelbeckers, directeur VOS/ABB

Wet in stelling brengen tegen diversiteit? Niet doen!

Een wet die vastlegt dat ouders hun kinderen kunnen thuishouden als met de klas een bezoek wordt gebracht aan een gebedshuis? Dat moeten we niet willen, want dat botst met de actief-pluriforme opdracht van de openbare scholen!

Het bevindelijk gereformeerde Tweede Kamerlid Roelof Bisschop van de SGP wil dat ouders wettelijk het recht krijgen om hun kinderen thuis te houden als er een excursie wordt georganiseerd naar bijvoorbeeld een moskee. Het gaat hem te ver dat kinderen daar kunnen ervaren hoe het is om als moslim te bidden.

Zijn wens krijgt kritiek uit eigen christelijke kring. Interimbestuurder Cor Clarijs van de christelijke profielorganisatie Verus vindt schoolexcursies naar niet-christelijke gebedshuizen prima. De gedachte dat kinderen in de moskee worden geïndoctrineerd of onderworpen aan de islam, is volgens hem nergens op gestoeld. We moeten ons verstand gebruiken, benadrukt hij, en ons niet laten regeren door onderbuikgevoelens.

Openbaar onderwijs

Daar ben ik het helemaal mee eens, met name ook vanuit de kernwaarden van het openbaar onderwijs. De openbare scholen weerspiegelen de diverse samenleving in al haar facetten en bereiden kinderen voor om daar op een positieve en opbouwende manier deel van uit te maken. Daar horen gelijkwaardigheid en wederzijds respect bij.

Er zijn verschillen – gelukkig maar! – en daar besteden openbare scholen aandacht aan. Soms schuurt het, maar dat biedt de kans om ook met ouders het gesprek aan te gaan, juist in het openbaar onderwijs. Als iedereen maar klakkeloos ja en amen zegt, wordt het een grijze wereld waarin we geen kleur meer kunnen bekennen.

Dus voorschrijven in een wet dat leerlingen niet hoeven deel te nemen aan dergelijke excursies? Nee, dat past niet bij de actief-pluriforme opdracht van het openbaar onderwijs. Het gesprek aangaan en kritisch kijken naar het waarom van bepaalde schoolactiviteiten? Ja graag!

Marleen Lammers, beleidsmedewerker VOS/ABB

Betere verantwoording? Alles staat al online!

Met verbazing heb ik de brief van de ministers van OCW aan de Tweede Kamer gelezen over de maatregelen die ze willen nemen om schoolbesturen betere verantwoording te laten afleggen.

De afgelopen tijd heb ik bijna 100 schoolbestuurders gesproken, onder andere over de manier waarop zij verantwoording afleggen. Uit die gesprekken bleek dat ze allemaal hun jaarverslagen met uitgebreide financiële verantwoording online zetten. Zo kan iedereen die dat wil, zien waaraan het onderwijsgeld is besteed.

De praktijk leert echter dat maar weinig mensen de moeite nemen om de jaarverslagen te lezen, terwijl daar toch echt veel relevante informatie in staat. Dat is jammer. Je gaat als schoolbestuurders serieus om met verantwoording, maar dat heeft niet zo veel effect als jaarverslagen grotendeels ongelezen blijven. Dat laatste ligt niet aan de schoolbesturen, maar zij krijgen er nu wel de schuld van.

Moeizame gesprekken

Mijn ervaring is dat schoolbestuurders ook altijd openstaan voor vragen. Maar als over verantwoording wordt gesproken met de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad of met de raad van toezicht, dan komt het nogal eens voor dat die gesprekken moeizaam verlopen. Dat heeft mede te maken met het feit dat de materie ingewikkeld kan zijn. Het is dan ook een goede zaak dat de Onderwijsraad het kabinet adviseert de bekostiging van het onderwijs te vereenvoudigen.

De maatregelen die de ministers aankondigen in hun brief aan de Tweede Kamer, zijn volgens mij echter weinig productief. Ten eerste storten de bewindslieden hun ideeën uit over de schoolbesturen zonder dat ze er met hen over hebben gesproken. Ten tweede zullen de voorgestelde maatregelen ertoe leiden dat er extra bestuurlijke druk ontstaat. Die zal extra personele inzet vereisen, zonder dat daarvoor geld beschikbaar wordt gesteld. Ik noem als voorbeeld de benchmarks die het ministerie van OCW wil opleggen, waarvoor schoolbesturen hun verantwoordingsgegevens moeten invullen. Dat leidt tot dubbel werk, want al die gegevens staan al in de online jaarverslagen!

Toereikende bekostiging

De Onderwijsraad heeft meer adviezen aan OCW gegeven. Zoals over de toereikendheid van de bekostiging en dat dit goed moet worden gemonitord. Op dat punt zie ik van de ministers van OCW weinig eigen initiatief, omdat de toereikendheid van de bekostiging niet goed te monitoren zou zijn. Verschillende onderzoeken hebben echter laten zien dat dit wel degelijk mogelijk is, dus mag van de ministers worden verwacht dat ze daarmee aan de slag gaan.

Ik noem als voorbeeld het structurele tekort van 350 miljoen euro op de materiële instandhouding, alleen al in het basisonderwijs. Let wel: dat zijn omgerekend ruim 5200 voltijdbanen. Door dit structurele tekort kunnen nu dus duizenden leraren niet voor de klas staan – als die er al zouden zijn. De ministers weten natuurlijk ook wel dat schoolbesturen ook geld moeten besteden aan bijvoorbeeld energie en onderhoud. Goed onderwijs wordt immers erg lastig in een koud schoolgebouw waarvan het dak is weggewaaid. Ook het klimaatakkoord zal aanvullende eisen gaan stellen aan de schoolgebouwen, met aanvankelijk extra kosten als resultaat.

Wederzijds vertrouwen

Kan verantwoording beter? Jazeker, en mijn ervaring is dat de schoolbesturen die ik geregeld bezoek dat ook willen en zich daarvoor inzetten. VOS/ABB ondersteunt ze daar graag bij. Goede verantwoording is echter een kwestie van wederzijds vertrouwen. Niet apart, maar samen maken we het onderwijs beter. De brief van de ministers laat zien dat ze op school niet hebben geleerd dat samenwerken iets anders is dan maatregelen opleggen en de ander de schuld geven.

Mr. Ronald Bloemers, VOS/ABB

Wetsvoorstel botst met kansengelijkheid

Het wetsvoorstel ‘Meer ruimte voor nieuwe scholen’, dat onderwijsminister Arie Slob naar de Tweede Kamer heeft gestuurd, brengt het risico met zich mee dat kansengelijkheid verder weg komt te liggen. Dat botst met het ideaal dat alle kinderen in het onderwijs dezelfde kansen verdienen.

Invoering van deze wet zou de segregatie in het onderwijs vergroten, terwijl de Inspectie van het Onderwijs in het rapport De staat van het onderwijs al duidelijk stelt dat dit een groot probleem is. Voormalig hoofddemograaf Jan Latten van het CBS waarschuwde er onlangs nog voor, in een interview met de Volkskrant, dat door toenemende segregatie subgroepen ontstaan, onder andere in scholen.

Het wetsvoorstel gaat mede op advies van de Onderwijsraad uit van richtingvrij plannen. Het wordt gebracht met de slogan ‘meer vrijheid van onderwijs’. Dat klinkt misschien mooi, maar straks kan in principe iedereen zijn eigen school zo inrichten, dat toelating afhankelijk wordt van de voorwaarden van de oprichters.

Er kunnen dan als het ware 1001 zuilen en dus een totaal versplinterd onderwijsveld ontstaan, waar algemene toegankelijkheid en kansengelijkheid ver te zoeken zijn. Dan is het dus niet meer ‘samen’, ‘met elkaar’ en ‘van en voor de samenleving’, zoals dat past bij de kernwaarden van het openbaar onderwijs, maar ‘apart’, ‘met onszelf’ en nadrukkelijk ‘niet voor de ander’.

Als we werk willen maken van kansengelijkheid en segregatie willen aanpakken, te beginnen in het onderwijs, dan past het niet om dit met een nieuwe wet tegen te werken.

Hans Teegelbeckers, directeur VOS/ABB

Wat zegt 110 miljoen?

‘Basisscholen houden 110 miljoen euro op de plank’, kopten de media onlangs. Wat is 110 miljoen? Is dat veel? 

De PO-Raad wijst er in een reactie op dat schoolbesturen voor primair onderwijs gemiddeld 1,1 procent van het geld dat zij krijgen als reserve achter de hand houden. Het gaat hier om een gemiddelde, dus per schoolbestuur kan het verschillen. Dat is logisch, want de gemiddelde organisatie bestaat niet. Het ene bestuur heeft bijvoorbeeld prima schoolgebouwen en hoeft dus minder geld te reserveren voor onderhoud dan een bestuur met veel oude gebouwen.

Met het getal ‘110 miljoen’ kun je natuurlijk goed scoren. Het wordt voor de media direct een stuk minder interessant als ze in hun koppen zouden moeten melden dat schoolbesturen bijna 99 procent van hun geld uitgeven, vooral aan lerarensalarissen. Een spaarpotje van 1,1 procent, daar maak je als journalist geen groot nieuws mee. Daarmee verkoop je geen kranten en haal je geen adverteerders binnen.

Nutteloos oppotten?

Berichten over schoolbesturen die slechts aan ‘oppotten’ zouden doen en veel geld nutteloos ‘op de plank’ zouden laten liggen, worden regelmatig door de media en de onderwijsbonden verspreid. Het beeld dat zij hiermee oproepen, strookt echter niet met de werkelijkheid, om het maar even eufemistisch uit te drukken. De berichten zijn wel te verklaren, vanuit het standpunt dat de lerarensalarissen omhoog moeten. Maar het onderwijs bestaat uit meer dan alleen salarissen. Dat weten de vakbonden ook wel.

Bovendien wordt in de berichtgeving al of niet bewust een klassieke fout gemaakt, namelijk dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen eenmalig en structureel geld. De 110 miljoen die zogenaamd nutteloos op de plank blijft liggen, is eenmalig geld. Als je daar de lerarensalarissen al mee zou wíllen verhogen, kan dat dus maar één keer. Leraren vinden het natuurlijk wel zo prettig als zij ook in de jaren daarna hun hogere salaris krijgen.

Daar komt bij dat veel schoolbesturen geld voor personele calamiteiten reserveren. Het zijn met name de bonden die er altijd op hameren dat er genoeg geld moet zijn voor bijvoorbeeld een sociaal plan als de nood aan de man is.

Extra risico’s

Wat hier zeer zeker ook moet worden benoemd, is dat er de laatste jaren verschillende financiële risico’s bij de schoolbesturen zijn neergelegd. Denk aan arbeidsongeschiktheid en ziekteverzuim en aan de doordecentralisatie van het gebouwenonderhoud.

Bovendien zullen ook scholen worden geconfronteerd met hoge kosten die samenhangen met de komende energietransitie. Dat is een verontrustende gedachte, omdat iedereen met een beetje verstand van onderwijsfinanciën weet dat het budget voor de materiële instandhouding al jaren structureel ernstig tekortschiet.

Het spaarpotje van 110 miljoen euro dat de schoolbesturen achter de hand houden, is dus al en met al volstrekt logisch.

Hans Teegelbeckers, directeur VOS/ABB

Te krappe geldstroom verleggen lost niets op

Het onderwijs komt niet uit met beschikbare budget. Wat doet Tweede Kamerlid Paul van Meenen van D66? Die zet de schoolbesturen in het verdomhoekje en verlegt de de te krappe geldstroom naar de scholen. Zo is volgens hem alles opgelost.

De media worden er weleens van beschuldigd te kort door de bocht te gaan, een versimpelde weergave van de werkelijkheid te geven en met kortzichtige oplossingen te komen. Van Meenen laat nu zien dat de politiek hier ook heel goed in is.

Hij denkt dat er meer geld in de klassen komt als de overheid het budget voor onderwijs direct aan de scholen geeft en de financiering niet meer via de schoolbesturen laat lopen. Zijn argumenten? Het onderwijs is op een school en van een leraar voor de leerlingen. En niet op een kantoor en van of voor bestuurders. Zo kan D66 als zelfverklaarde onderwijspartij weer een punt maken nu die partij als coalitiepartner onder veel mensen die in het onderwijs werken aan populariteit verliest.

Meer dan betrokken

Bij alle schoolbesturen waar ik over de vloer kom, zie ik bestuurders, beleidsmensen, P&O’ers, financials, inkopers en andere medewerkers die meer dan betrokken zijn bij het onderwijs op de scholen. Het beeld als dat er op het bestuurskantoor alleen maar dingen misgaan, zoals Van Meenen suggereert, klopt van geen kanten.

Bovendien blijkt dat schoolbesturen – de enkeling daargelaten – buitengewoon efficiënt werken. Er blijft niet, zoals nog al eens wordt beweerd, overal veel geld voor goed onderwijs nutteloos op de plank liggen. Ook wordt onderwijsgeld niet, zoals nog ergere beschuldigingen luiden, besteed aan allerlei nutteloze zaken. Dat is écht onzin!

Overigens is er niets op tegen als schoolbesturen er zelf voor kiezen om de scholen de regie te geven over het te besteden geld. Er zijn organisaties die daar bewust voor hebben gekozen. Alleen moet dit niet van bovenaf worden opgelegd. Bovendien moet er natuurlijk wel een budget zijn waarmee de scholen uitkomen.

Budget ontoereikend

Iedereen in het onderwijs weet maar al te goed dat het lumpsumbudget niet toereikend is. De materiële bekostiging schiet al jarenlang tekort. Dat probleem gaan we echt niet oplossen door de geldstroom te verleggen. Bovendien zitten niet alle schoolleiders te wachten, zo lijkt mij, op de taken en verantwoordelijkheden die nu bij het bestuur liggen? Denk alleen aan de administratieve druk die dit met zich meebrengt.

Hans Teegelbeckers, directeur VOS/ABB

Gelijke kansen voor alle kinderen

Voorzitter Rinda den Besten van de PO-Raad wil af van de schotten tussen primair en voortgezet onderwijs. Want alle kinderen verdienen volgens haar gelijke kansen. Laten we dan ook een einde maken aan het onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs!

Kansengelijkheid, dat wil iedereen die hart heeft voor kinderen en goed onderwijs. Het past niet in onze samenleving dat het ene kind meer kansen krijgen dan het andere. Met het weghalen van de schotten tussen het primair en voortgezet onderwijs wordt de doorgaande leerlijn bevorderd en kan volgens Den Besten ook de vroege selectie van leerlingen worden tegengaan, wat goed is voor de kansengelijkheid.

Zij pleitte hiervoor op een bijeenkomst over de invlechting van het (voortgezet) speciaal onderwijs in het reguliere onderwijs. Uiteindelijk moeten wat haar betreft de Wet op het primair onderwijs (WPO) en de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) worden samengevoegd tot één wet op het funderend onderwijs. Dat is voor haar de stip op de horizon, zo liet ze op die bijeenkomst weten.

Artikel 23

Het is mooi dat de voorzitter van de PO-Raad hiervoor pleit, maar ik mis in haar pleidooi een bespiegeling op het huidige onderwijsbestel dat is gebaseerd op artikel 23 van de Grondwet. Dat houdt nog steeds het onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs in stand. We leven niet meer in de verzuilde 20e eeuw, vrijwel iedereen is het erover eens dat kinderen met en van elkaar moeten leren op basis van diversiteit en wederzijds respect, en tóch plaatsen we ze als het op de scholen aankomt nog steeds in denominatieve hokjes.

Als we met zijn allen écht willen dat kinderen gelijke kansen krijgen, is het niet genoeg om alleen de schotten tussen primair en voortgezet onderwijs weg te halen. Dan moeten ook de schotten tussen de openbare, christelijke, islamitische en alle andersoortige scholen weg. Daarvoor hebben VOS/ABB en de Vereniging Openbaar Onderwijs (VOO) het toekomstconcept School! ontwikkeld. In de toekomst kijken scholen niet meer of een kind christelijk, islamitisch of wat dan ook is, maar kijken zij op basis van diversiteit en gelijkwaardigheid naar de optimale kansen voor alle leerlingen, ongeacht hun afkomst.

Als u meer wilt weten over ons concept School!, downloadt u de School!Gids.

Hans Teegelbeckers, directeur VOS/ABB

Wie gaat nieuwe inschaling betalen?

De nieuwe functiebeschrijvingen voor leraren in het basis- en speciaal onderwijs lijken forse financiële en organisatorische veranderingen met zich mee te brengen. Wie gaat dit betalen en wie is hiermee geholpen?

De PO-Raad en de vakbonden hebben met elkaar afgesproken dat er nieuwe functiebeschrijvingen komen. Dit zou nodig zijn, omdat het beroep van leraar volgens de sociale partners de afgelopen jaren sterk is veranderd.

Automatisch doorstromen?

Het komt erop neer dat de huidige schalen LA, LB en LC plaatsmaken voor nieuwe beschrijvingen, de spilfuncties 1, 2, 3 en 4. Op dit moment is LA nog de standaardfunctie. Met de nieuwe beschrijving wordt dat spilfunctie 2. Het verschil zit hem in hogere salarissen. Leraren die nu in LA zitten, komen in functie 2 en krijgen daarmee meer geld. Als spilfunctie 2 standaard is, hoe moeten schoolbesturen omgaan met spilfunctie 1?

Daarnaast zijn de afgelopen jaren met de functiemixgelden veel leerkrachten al doorgestroomd naar een LB-functie. Wat gaat er met hen gebeuren? Stromen zij straks automatisch door naar functie 3 en gaan daarmee de salariskosten verder omhoog? Of moet op elke school op basis van de feitelijk opgedragen werkzaamheden van alle leerkrachten opnieuw de inschaling tegen het licht worden gehouden?

Eigenheid van de school

En wat gebeurt er met de eigen lerarenfuncties die veel schoolbesturen in het kader van de functiemix hebben ontwikkeld die afweken van de voorbeeldfuncties? De eigen functies zijn afgestemd op de eigenheid van de scholen. Worden deze inspanningen met de nieuwe functiebeschrijvingen tenietgedaan? En moet iedereen zich straks conformeren aan de nieuwe voorbeeldfuncties? Dit lijkt mij een recept voor gedoe!

De implicaties van deze beoogde veranderingen op de scholen lijken dus zeer fors, vooral ook wat betreft de bekostiging. Immers, iemand moet de opwaardering betalen. Voor zover ik het nu kan overzien, is nog maar voor een derde dekking van de extra kosten die de beoogde veranderingen met zich mee brengen.

Lichtpunt?

Er wordt veel gezegd en geschreven over het vak van leerkracht en over wat er nodig is om de basiskwaliteit van het onderwijs te garanderen en de professionaliteit van leerkrachten te vergroten. Wat ik in elk geval vind opvallen aan de nieuwe functiebeschrijvingen, is dat de functie van leerkracht is geplaatst binnen een functiereeks met meerdere niveaus.

Hiermee wordt de doorgroei binnen het vak inzichtelijk. Bovendien wordt het zo betrekkelijk eenvoudig te zien wat er van een leerkracht op een bepaald niveau mag worden verwacht. Dit beschouw ik als een positief punt dat helpt in het gesprek over de werkverdeling op scholen en ook in het functionerings- en beoordelingsgesprek.

Ivo Israel, HRM-specialist VOS/ABB

Ouderbijdrage wel of niet betaald, elke leerling telt!

De scholen moeten ervoor zorgen dat ook leerlingen van wie de ouders de vrijwillige ouderbijdrage niet (kunnen) betalen, kunnen deelnemen aan extra activiteiten zoals schoolreisjes. Dat is een nobel uitgangspunt van onderwijsminister Arie Slob, maar wie gaat het dan wel betalen?

In Nederland zijn het primair en voortgezet onderwijs gratis, maar ouders betalen er wel aan mee. Dat is raar. Het is dus níet gratis. Oké, de ouderbijdrage heeft een vrijwillig karakter, maar zo wordt het vaak niet ervaren, zeker niet door ouders met een krappe beurs.

Wettelijk is het toegestaan om leerlingen uit te sluiten van extra activiteiten als hun ouders niet betaald hebben. Op zich een logische gedachte: wie niet betaalt, doet niet mee. Slob noemt dat echter onacceptabel en daar ben ik het helemaal mee eens. Je kunt kinderen er immers niet op afrekenen dat hun ouders weinig geld hebben. Zeker niet in het openbaar onderwijs, waar elk kind welkom is.

Efteling geen liefdadigheidsinstelling

Maar ja, de realiteit is dat voor niets de zon opgaat. Schoolreisjes en andere extra activiteiten moeten betaald worden. De Efteling is geen liefdadigheidsinstelling, maar een commercieel bedrijf met een verdienmodel. Als de ouders de portemonnee niet kunnen trekken, wie dan wel?

De oplossing van Slob is simpel: de scholen moeten het oplossen. Maar hoe dan? De lumpsum ervoor gebruiken? Maar die schiet al ernstig tekort! Strikt genomen is het niet verboden, maar het lijkt mij niet de bedoeling dat scholen rijksbekostiging besteden aan de dure Rome-reis, om maar wat te noemen.

Een andere mogelijkheid kan zijn dat ouders die het financieel goed hebben, een spaarpotje vullen voor leerlingen uit arme gezinnen. Solidariteit dus. Er zijn voorbeelden van scholen die het zo doen, maar dan moeten wel alle ouders het daarmee eens zijn.

Waarom op skivakantie?

Weer een andere oplossing kan zijn om minder extra’s te organiseren. Zo zouden de scholen de ouderbijdrage in elk geval fors kunnen beperken. Met de klas op skivakantie? Waarom zou je? Met het gymnasium niet alleen naar Rome, maar in de jaren daarvoor ook naar Parijs, Londen en/of Berlijn? Dat vind ik overdreven. Op de basisschool elk jaar op kamp? Waarom niet alleen in groep 8?

Of, dat kan ook, de minister komt met meer geld om voor eens en altijd af te zijn van de immer terugkerende discussie over de vrijwillige ouderbijdrage. Dan komt het van ons allemaal, als belastingbetalers. De andere kant van deze medaille is dat er dan een vast bedrag komt waar de scholen het mee moeten doen. Er kunnen dan geen leerlingen meer worden uitgesloten, maar het tast de beleidsvrijheid aan. Moeten we dat maar op de koop toe nemen?

Wat vindt u van de vrijwillige ouderbijdrage? Mail uw ideeën naar redactie@vosabb.nl.

Hans Teegelbeckers, directeur VOS/ABB

Recept tegen segregatie en kansenongelijkheid

De segregatie en kansenongelijkheid nemen toe, signaleert de Inspectie van het Onderwijs. Daarom is het zo belangrijk om boven de denominaties uit te stijgen en daarmee de verzuiling achter ons te laten. Daarvoor hebben wij het concept School! ontwikkeld.

In het rapport De Staat van het Onderwijs 2016-2017 signaleert de inspectie ontwikkelingen die de kansenongelijkheid verder kunnen verscherpen. Het onderwijs vertoont namelijk toenemende sociale en economische segregatie. Vooral hoger opgeleide ouders scheiden zich af.

‘Dat gebeurt via de schoolkeuze: door te kiezen voor scholen met specifieke onderwijsconcepten, scholen waar alleen leerlingen met een vergelijkbare achtergrond op zitten of voor privaat onderwijs’, zo staat in het rapport.

De inspectie signaleert ook dat segregatie en kansenongelijkheid toenemen doordat ouders kiezen voor kleine religieuze scholen. De conclusie is dat in vergelijking met andere landen het Nederlandse onderwijs sterk is gesegregeerd.

Verzuiling achter ons laten

Dat kunnen we veranderen door eindelijk eens de verzuiling in het onderwijs achter ons te laten. VOS/ABB en de Vereniging Openbaar Onderwijs (VOO) hebben daartoe het concept School! ontwikkeld. Hiermee stijgt het onderwijs boven de denominaties uit.

Er zijn dan geen openbare, protestants-christelijke, rooms-katholieke, islamitische of wat voor scholen dan ook, maar scholen die van en voor iedereen zijn en waar gelijkwaardigheid en wederzijds respect centraal staan.

Onderwijs volgens het concept School! is het recept voor een in alle opzichten gezonde samenleving, waarin we mensen niet meer beoordelen op hun achtergrond, levensbeschouwing, maatschappelijke status of hun portemonnee, maar waarderen om wie ze zijn en wat ze kunnen

Wilt u meer over ons concept School! lezen? Download de School!Gids

Hans Teegelbeckers, directeur VOS/ABB

Minister en Tweede Kamer negeren Grondwet

Het is treurig te constateren dat de landelijke politiek geen oog heeft voor de grondwettelijke eis dat overal in Nederland openbaar onderwijs moet zijn.

De kwestie speelt nu in krimpgebied Zeeuws-Vlaanderen, waar door een voorgenomen fusie in Terneuzen het openbaar voortgezet onderwijs mogelijk verdwijnt. Het plan is om Openbare Scholengemeenschap De Rede, de enige openbare vo-school in Zeeuws-Vlaanderen, te laten opgaan in het christelijke Zeldenrust-Steelant College.

Openbaar onderwijs móet

Dat is de omgekeerde wereld: de grondwettelijke alomtegenwoordigheid van openbaar onderwijs betekent immers, kort gezegd, dat openbaar onderwijs móet en dat bijzonder onderwijs daarnaast mág.

We hebben over de kwestie in Zeeuws-Vlaanderen aan de bel getrokken bij onderwijsminister Arie Slob. De ChristenUnie-minister geeft niet thuis. Hij stelt doodleuk dat van die grondwettelijke eis kan worden afgeweken. Daarvoor is voor hem de kous af. Het is buitengewoon triest dat een minister zo met onze Grondwet omgaat.

De Eerste en Tweede Kamer hebben de afgelopen decennia vaak gedebatteerd over de noodzaak van instandhouding van het openbaar en bijzonder onderwijs, zoals bij het wetsvoorstel van de samenwerkingsschool, waarvoor de Grondwet zelfs is gewijzigd. De minister gaat in zijn retoriek volledig voorbij aan wat de beide Kamers als (grond)wetgever hierover hebben gebezigd.

Natuurlijk hebben wij deze onverkwikkelijke kwestie ook aan de orde gesteld in de Tweede Kamer, maar ook daar lijkt men zich er weinig van aan te trekken. Dat is vreemd, omdat juist de Tweede Kamer hier oog voor zou moeten hebben. Het gaat hier echt om het principe dat we in Nederland leven naar de regels die we met elkaar hebben vastgelegd. De Grondwet kun je niet zomaar opzijschuiven.

Samenwerkingsschool

Terwijl de oplossing zo simpel is: maak van de twee scholen voor voortgezet onderwijs in Terneuzen een samenwerkingsschool van zowel openbaar als bijzonder onderwijs, zoals dat ook elders in het land gebeurt. We hebben sinds 1 januari de wettelijke mogelijkheid om het zo te regelen. Dan mogen we verwachten dat de nieuwe wet in kwesties zoals in Zeeuws-Vlaanderen ook wordt benut!

Overigens is het nog geen gelopen race in Zeeuws-Vlaanderen. Minister Slob meldt dat de medezeggenschapsraden van de betrokken scholen er inmiddels mee akkoord zijn gegaan om de openbare school te laten opgaan in de christelijke buurman, maar dat is nog geenszins het geval. Bovendien moet de algemene ledenvergadering van het Zeldenrust-Steelant College zich er nog over uitspreken.

Hans Teegelbeckers, directeur VOS/ABB

Tijd om door te pakken met onderwijs en opvang

Het kabinet geeft nog geen reactie op het advies van de Taskforce samenwerking onderwijs en kinderopvang. Dat is erg vervelend, want scholen en kinderopvangorganisaties willen nú verder.

Bij de begrotingsbehandeling in de Tweede Kamer kreeg de minister voor OCW de vraag wanneer hij belemmeringen wegneemt bij de vorming van integrale kindcentra. De minister liet weten pas in de loop van 2018 met een reactie te komen, terwijl de taskforce in maart van dit jaar al met het rapport Tijd om door te pakken kwam. In dat rapport staan adviezen over samenwerking en het wegnemen van knelpunten.

Het is op zich al teleurstellend dat er in het regeerakkoord niets staat over de samenwerking tussen onderwijs en opvang, maar nu blijkt dus ook nog eens dat de minister wacht met een reactie. Dat schiet niet op!

Onderwijs en opvang willen doorpakken!

Ondertussen lopen veel van onze leden die werken aan integrale kindcentra tegen allerlei problemen op. We noemen als voorbeelden verschillende arbeidsvoorwaarden, gescheiden geldstromen en problemen met de btw. Er gaat nu onnodig veel tijd en dus geld zitten in het bedenken van bestuurlijke constructies voor samenwerking.

Wij roepen de minister daarom op vaart te maken met een reactie om geïntegreerde kindvoorzieningen wettelijk mogelijk te maken. Het is tijd om door te pakken!

Rozemarijn Boer en Eline Vrenken, beleidsmedewerkers VOS/ABB

Regeerakkoord: doorschuifpolitiek en overheidsbemoeienis

Het regeerakkoord van Rutte-III getuigt van doorschuifpolitiek. Bovendien mag het opmerkelijk worden genoemd dat nota bene een rechts kabinet meer overheidsbemoeienis wil.

Het onderwijs roept al vele jaren dat er adequate bekostiging nodig is. Dan gaat het niet alleen over de lerarensalarissen die omhoog zouden moeten en verlaging van de werkdruk in het primair onderwijs. Nee, dan gaat het bijvoorbeeld ook over achterblijvende bekostiging van de exploitatie.

Het is aangetoond dat de bekostiging van de materiële instandhouding al jaren tekortschiet. Met de bedragen die het nieuwe kabinet presenteert als investeringen in het onderwijs, wordt dit tekort geenszins weggewerkt. Bovendien blijkt dat het geld voor werkdrukverlaging in het primair onderwijs pas in 2021 volledig beschikbaar komt. Dat is aan het einde van de kabinetsperiode, als Rutte-III de rit al uitzit. Dit getuigt van je reinste doorschuifpolitiek.

Overheidsbemoeienis

Een ander punt is dat het nieuwe kabinet voorwaarden verbindt aan het beschikbaar stellen van 270 miljoen euro voor de modernisering van de arbeidsvoorwaarden in het primair onderwijs (dus niet direct voor hogere lerarensalarissen, zoals vaak wordt gezegd) en 450 miljoen euro (in feite 430 miljoen, daarover later) voor werkdrukverlaging. Voorwaarden zijn bijvoorbeeld dat de bovenwettelijke regelingen worden aangepakt en dat met het geld voor werkdrukverlaging onderwijsassistenten en conciërges worden aangesteld en de klassen worden verkleind.

Nu is het in Nederland zo geregeld dat de overheid bepaalt wat er van het onderwijs wordt verwacht en dat de scholen bepalen hoe zij daar invulling aan geven. De voorwaarden die het kabinet aan de extra investeringen verbindt, druisen overduidelijk tegen dat principe in. Het is op zijn minst opmerkelijk dat nota bene een rechts liberaal-christelijk kabinet van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie aanstuurt op meer overheidsbemoeienis met de inhoud en uitvoering van het onderwijs.

Die bemoeienis blijkt ook uit de verplichting voor scholen om leerlingen het Wilhelmus te leren en om met hen naar het Rijksmuseum en de Tweede Kamer te gaan. Dit staat, zo maak ik uit het regeerakkoord op, allemaal in het teken van het ontwikkelen van de Nederlandse identiteit en burgerschap. Nu heb ik niets tegen het volkslied, het Rijksmuseum en de Tweede Kamer, maar ik vraag mij wel af of deze elementen essentieel zijn voor de identiteits- en burgerschapsontwikkeling van kinderen. Ook hier geldt dat scholen zelf als beste kunnen bepalen op welke manier zij hieraan werken. Daar hebben ze de overheid echt niet voor nodig!

Meer verantwoording

Uit het regeerakkoord komt ook naar voren dat er van schoolbesturen steeds meer verantwoording wordt verwacht, maar dat dit niets mag kosten. In 2009 sleutelde toenmalig staatssecretaris Sharon Dijksma van OCW in het vierde kabinet-Balkenende de structurele 90 miljoen euro voor bestuur en management uit de lumpsumbekostiging van het primair onderwijs. Ook toen al werd steeds meer professionaliteit van schoolbesturen verwacht en tot op heden staat daar letterlijk geen cent extra tegenover. Het nieuwe kabinet verwacht kennelijk nog steeds dat het allemaal niets mag kosten. En dat terwijl de druk op bestuur en toezicht steeds maar toeneemt.

Ik wil nog een gemiste kans benoemen, namelijk dat het nieuwe kabinet geen oog heeft voor de wettelijke vereisten die nodig zijn om de cao’s in het primair onderwijs en de kinderopvang beter op elkaar af te stemmen. Dit is van belang voor goed functionerende integrale kindcentra (IKC’s), waarin onderwijs en kinderopvang met elkaar samenwerken. Er komen op steeds meer plaatsen IKC’s, maar in het regeerakkoord staat hier niets over vermeld.

En dan zou ik nog uitleggen waarom er niet 450 miljoen euro naar werkdrukverlaging in het primair onderwijs gaat, zoals overal wordt beweerd, maar 430 miljoen. Uit het regeerakkoord blijkt dat 20 miljoen euro uit dat extra budget bedoeld is voor de kleinescholentoeslag. Dat is natuurlijk een mooie bestemming, maar volgens mij is dat toch iets heel anders dan werkdrukverlaging! En waar blijft de extra investering in het voortgezet onderwijs?

Hans Teegelbeckers, directeur VOS/ABB

Schoolbestuurders zijn geen waarzeggers!

In mei kwam Tweede Kamerlid Roelof Bisschop van de SGP met vragen over de door het onderwijsveld als ongewenst beschouwde fusiecompensatieregeling. Met zijn antwoorden hierop geeft staatssecretaris Sander Dekker van OCW blijk van onwetendheid over de beleidsbepaling van schoolbesturen. Het lijkt erop dat hij schoolbestuurders ziet als waarzeggers…

Van een schoolbestuur wordt verwacht, en dat is logisch, dat het zijn beleid voert op basis van kenbare gegevens of gefundeerde verwachtingen over de (nabije) toekomst. De regelgeving is daarop toegespitst. Het bestuur dient een meerjarenbeleidsplan te hebben en een daaraan verbonden meerjarenformatieplan. Ook het toezicht op de financiën is zo ingericht dat het bestuur duidelijkheid moet verschaffen over de wijze waarop het de continuïteit van de organisatie waarborgt, zoals middels een continuïteitsparagraaf.

De tegenstelling tussen de hierboven genoemde regels met de antwoorden die de staatssecretaris geeft, zit in het volgende: er wordt als eis voor het verkrijgen van fusiecompensatie gesteld dat een bepaald deel van de leerlingen de fusie volgt. Dat klinkt logisch, maar de realiteit leert dat dit moeilijker te voorspellen is dan de regelgeving nu verlangt.

Schoolkeuze ligt bij ouders

Ouders beslissen vaak in de zomervakantie (waarin de fusie daadwerkelijk plaatsvindt) of hun kind of kinderen meegaan met de fusie of dat ze toch een andere school kiezen. Voorbeelden hiervan zijn er te over. Het besluit tot fusie en alle daaraan gerelateerde stukken, bijvoorbeeld over de formatie en de financiën, dateren van ver voor de zomervakantie. Dan zijn ouders niet zo bezig met hun schoolkeuze, blijkt in de praktijk.

Continuïteit, stabiliteit en voorzienbaarheid in handelen zijn onzeker geworden in een fusieproces. Schoolkeuze ligt niet in handen van het schoolbestuur, maar van de ouders. De staatssecretaris stelt dat juist met de compensatie als stimulans tot samenvoeging een toekomstbestendige school kan worden vormgegeven. In de praktijk blijkt dat besturen die stimulans niet herkennen en de onzekere factor benoemen.

Financiële consequenties

De financiële stimulans is dus niet zeker. Daarom dient het bestuur voor een stabiele beleidsvorming uit te gaan van het negatieve scenario waarin maar weinig of zelfs geen leerlingen de fusie volgen. In dat geval is fuseren namelijk doorgaans duurder dan niet fuseren. Het wordt pas achteraf duidelijk wat de financiële consequenties zijn.

De staatssecretaris veegt daarnaast alle samenvoegingen waarbij weinig of geen leerlingen zijn meegegaan op één hoop. Er gingen in een aantal gevallen geen leerlingen mee en dus waren het volgens hem geen fusies.

Identiteit

De enige eis voor samenvoeging is de overgang van genoeg leerlingen, maar een school is meer dan alleen de leerlingpopulatie. Dat blijkt onder meer uit de wettelijke eisen die gesteld zijn voor de fusie-effectrapportage. Zo is de identiteit van de school ook een belangrijk item. In debatten in de Tweede en vooral ook de Eerste Kamer over de samenwerkingsschool kwam dat goed naar voren. De wetgever en de staatssecretaris waren het daarover eens. De onderbouwing van de regelgeving over de fusiecompensatie is, zo blijkt, op een heel andere grondslag gebaseerd dan de overige fusiewet- en regelgeving.

Uit zijn antwoorden blijkt dat de staatssecretaris de professionaliteit van de schoolbesturen miskent. Een bestuur wordt immers gestraft voor ontwikkelingen die het niet in de hand heeft. In plaats van het onderwijsveld in tijden van leerlingendaling daadwerkelijk een stimulans te bieden, wordt vereist dat bij een samenvoeging het schoolbestuur op voorhand moedwillig grote onzekerheden in het financieel en formatiebeleid inbouwt.

Of ziet Dekker schoolbestuurders als vakkundige waarzeggers die door een glazen bol in de toekomst kunnen kijken?

Hans Teegelbeckers, directeur VOS/ABB

Lees ook het bericht Fusie: jammer maar helaas als leerlingen niet meegaan….

Waarom terug naar geoormerkte financiering?

Wat schieten we ermee op als we de lumpsum in het onderwijs afschaffen en terugkeren naar een door de rijksoverheid gereguleerde geoormerkte financiering? Niets!

De laatste tijd klinkt uit de hoek van de vakbonden en ook bij organisaties als Beter Onderwijs Nederland en bepaalde politieke partijen steeds vaker de klacht dat de lumpsumfinanciering ertoe heeft geleid dat leraren niet krijgen wat ze nodig hebben om goed te kunnen lesgeven. De oplossing zou zijn om de financiering door de rijksoverheid te laten oormerken. Ik denk echter dat we dan van een kouwe kermis zullen thuiskomen.

De lumpsumfinanciering zoals we die sinds 1996 kennen in het voortgezet onderwijs en sinds 2006 ook in het primair onderwijs zorgt ervoor dat schoolbesturen eigen beleid kunnen voeren dat gericht is op de specifieke situatie waarin de scholen zich bevinden. Elke school en elke klas hebben een eigen populatie en eigen aandachtsgebieden. Het is nooit one size fits all. De beleidsvrijheid van lumpsumfinanciering draagt bij aan zorg voor die specifieke omstandigheden.

Het is bepaald niet zo dat de schoolbestuurders alles in hun eentje bepalen, zoals nogal eens ten onrechte wordt gesuggereerd. De medezeggenschap in het onderwijs is gelukkig goed geregeld. Personeel, ouders en in het voortgezet onderwijs ook leerlingen kunnen binnen hun bevoegdheden elk hun eigen invloed op het beleid uitoefenen. De klacht dat bestuurders daar niet naar luisteren, herken ik in de praktijk niet. En voor het geval er bestuurders zijn die buiten de vastomlijnde kaders beslissingen nemen, zijn er klachtenprocedures bij diverse geschillencommissies.

Pleiten voor oormerkfinanciering is terugkeren naar een bekostigingskeurslijf dat de beleidsruimte van de scholen indamt en de mogelijkheden van innovatie zal doen stokken. Zonder ruimte is er immers geen groei mogelijk. Daar komt bij dat met een terugkeer naar oormerkfinanciering er minder inspraakmogelijkheden zullen zijn voor de medezeggenschapsraden. Daar zit volgens mij niemand op te wachten, ook de schoolbestuurders niet. Goed onderwijs maken we immers samen!

Hans Teegelbeckers, directeur VOS/ABB

Levensbeschouwing, juist in het openbaar onderwijs!

Het klopt dat je in een droomwereld leeft als je kinderen niets wilt bijbrengen over religie, zoals Tweede Kamerlid Eppo Bruins van de ChristenUnie in het AD zegt. De link die hij hier legt met het openbaar onderwijs klopt echter niet.

In de editie Groene Hart van het Algemeen Dagblad staat een verslag van een bezoek van Bruins aan de protestants-christelijke basisschool De Regenboog in de Zuid-Hollandse plaats Reeuwijk. Hij merkt naar aanleiding van dit bezoek op dat verschillende politieke partijen het bijzonder onderwijs willen afschaffen en dat de ChristenUnie niet alleen openbare scholen wil.

Onderwijs is volgens Bruins nooit neutraal. ‘Een school geeft altijd iets mee aan de kinderen. Als je kinderen in de eerste 18 jaar niets wilt bijbrengen van religie, leef je in een droomwereld. Onderwijs gebeurt altijd vanuit een levensbeschouwing. Ik vind dat scholen juist een sterke identiteit moeten hebben en moeten vertellen vanuit welke inspiratie ze lesgeven’, aldus het ChristenUnie-Kamerlid.

Met zijn opmerking over de inspiratie van scholen ben ik het helemaal eens. Protestants-christelijke scholen moeten een helder verhaal hebben over hun inspiratie, net zoals katholieke, islamitische en welke andere bijzondere scholen dan ook. Datzelfde geldt voor de openbare scholen. Hun inspiratie zijn de kernwaarden van het openbaar onderwijs, waartoe respect, gelijkwaardigheid en ‘iedereen welkom’ behoren.

Wat niet klopt in het verhaal van Bruins, is de suggestie dat alleen het bijzonder onderwijs oog zou hebben voor religie. Ook openbare scholen hebben aandacht voor godsdienst en levensbeschouwing. Dat staat zelfs expliciet in de kernwaarden. Het verschil met het bijzonder onderwijs is dat het openbaar onderwijs niet uitgaat van ‘een levensbeschouwing’, zoals Bruins zegt, maar van een diversiteit aan religieuze en levensbeschouwelijke stromingen. Gelijkwaardigheid is daarbij een kernbegrip.

Ik nodig Bruins uit om tijdens de School!Week 2017 van 20 tot en met 24 maart, waarin het openbaar onderwijs in heel Nederland laat zien waar het voor staat, ook eens een openbare school te bezoeken om te zien welke meerwaarde openbaar onderwijs heeft.

Ter voorbereiding van het bezoek verwijs ik naar onze brochure Levensbeschouwing, juist in het openbaar onderwijs. We hebben een brochure voor het primair onderwijs en een brochure voor het voortgezet onderwijs.

Hans Teegelbeckers, directeur VOS/ABB

Teugels strakker voor goed burgerschapsonderwijs?

Het is goed dat staatssecretaris Sander Dekker van OCW aan de bel trekt nu de Inspectie van het Onderwijs signaleert dat het burgerschapsonderwijs zich onvoldoende ontwikkelt. Scholen moeten ook op het gebied van burgerschap een oefenplaats zijn, maar het is en blijft aan die scholen zelf hoe zij er invulling aan geven.

In het themarapport Burgerschap op school van de Inspectie van het Onderwijs staat onder andere dat scholen burgerschap weliswaar een belangrijk thema vinden, maar dat burgerschapsonderwijs nog weinig doelgericht wordt vormgegeven en dat op de resultaten ervan nauwelijks zicht is.

Goede burgers

Wat we met  ‘goede burgers’ bedoelen is niet altijd even duidelijk. Daar heeft de één een heel ander beeld bij dan de ander. In die zin snap ik de afwerende reactie van de PO-Raad en VO-raad, die op het gebied van burgerschapsonderwijs geen bemoeienis van bovenaf willen.

Waar we het volgens mij wel met zijn allen over eens zijn, is dat het van essentieel belang is dat we in álle scholen actief alom geaccepteerde kernwaarden aan bod moeten laten komen, zoals de democratische rechtsstaat, wederzijds respect en de vrijheid om te denken wat je wilt en te zijn wie je bent. Openbare scholen moeten dat doen, maar net zo goed bijvoorbeeld christelijke en islamitische scholen.

De bovengenoemde kernwaarden zijn bij uitstek onderwerpen voor goed burgerschapsonderwijs binnen het openbaar onderwijs. Scholen dienen ook op dit gebied een oefenplaats te zijn. Hoe ze er invulling aan geven, is natuurlijk aan hen. Dat scholen daarin autonomie hebben, mag duidelijk zijn. De inspectie checkt of aspecten zoals identiteitsontwikkeling, democratisch burgerschap en participatie in en om de school voldoende aan bod komen.

Kernwaarden openbaar onderwijs

Wij hebben als vereniging van openbare en algemeen toegankelijke scholen al veel ontwikkeld op het gebied van burgerschap. Leidend hierin zijn altijd de kernwaarden van het openbaar en algemeen toegankelijk onderwijs, die uitgaan van diversiteit, wederzijds respect en specifieke aandacht voor godsdienst en levensbeschouwing.

Daarnaast stonden de internationale kinderrechten de afgelopen twee jaar centraal tijdens de School!Week van en voor het openbaar onderwijs. Ook dit jaar zal dit weer zo zijn, in de School!Week 2017 van 20 tot en met 24 maart.

Op dit moment werkt VOS/ABB aan nieuwe producten die u kunnen helpen vorm en inhoud te geven aan burgerschapsvorming. Voor het primair onderwijs ontwikkelen wij de digitale Inspiratiekalender en voor het voortgezet onderwijs de app Goedemorgenopschool!.

Wilt u ondersteuning op het gebied van burgerschapsonderwijs? Wij gaan graag met u in gesprek: 0348-405200, welkom@vosabb.nl.

Hans Teegelbeckers, directeur VOS/ABB

 

Stop met uitsluiten van leerlingen

De ChristenUnie wil af van het openbaar onderwijs, maar de argumenten die fractievoorzitter Gert-Jan Segers daarvoor gebruikt slaan nergens op. Wat we moeten afschaffen, is de grondwettelijke mogelijkheid die het bijzonder onderwijs nog steeds heeft om leerlingen uit te sluiten.

Segers was er afgelopen zaterdag in het politieke programma Kamerbreed op Radio 1 duidelijk over: weg met het openbaar onderwijs! Logisch, want de ChristenUnie is voor christelijk onderwijs. Maar dan moet hij wel met goede argumenten komen.

Laten we beginnen met zijn onjuiste veronderstelling dat openbaar onderwijs staatsonderwijs is. De openbare scholen vallen net als de bijzondere (waaronder christelijke) scholen bijna allemaal onder zelfstandige stichtingen. Er zijn nog maar een paar gemeenten die het openbaar onderwijs onder hun hoede hebben, maar de invloed van de overheid is tegenwoordig echt minimaal. Segers heeft kennelijk een belangrijke ontwikkeling gemist.

Zeggenschap ouders

Het idee van Segers dat bijzondere scholen van de ouders zijn, zoals hij in Kamerbreed zei, klopt ook al niet. Ja, een eeuw geleden werden scholen door of de overheid of ouders opgericht. Die tijd is allang voorbij.

In een deel van de bijzondere schoolbesturen zitten weliswaar ouders, maar meestal zijn het professionele bestuurders, net zoals in het openbaar onderwijs. Het openbaar en bijzonder onderwijs kennen ook allebei raden van toezicht. Ouders, personeel en leerlingen hebben weliswaar via de medezeggenschap invloed op de samenstelling van deze raden, maar dit betekent niet dat ze zeggenschap over de school hebben.

Het argument van Segers dat ouders in het bijzonder onderwijs meer keuzes kunnen maken, bijvoorbeeld voor dalton- of montessori-onderwijs, klopt evenmin. Er zijn natuurlijk net zo goed openbare dalton- en montessorischolen.

Van en voor iedereen

Je kunt je wel afvragen wat nog de verschillen zijn tussen bijzonder en openbaar onderwijs en hoe dit ouders, leerlingen en ook personeelsleden raakt. Het verschil zit dus niet in het belang dat scholen hechten aan het goed luisteren naar ouders. Het zit hem wel in de speciale rechten die artikel 23 van de Grondwet aan het bijzonder onderwijs geeft.

Zo mogen christelijke en andere bijzondere scholen leerlingen uitsluiten als die de (religieuze) identiteit van de school niet onderschrijven. Datzelfde grondwetsartikel zegt dat bijzondere scholen om die reden personeelsleden mogen weigeren. Gelukkig maakt tegenwoordig nog maar een klein deel van de bijzondere scholen gebruik van deze wettelijke mogelijkheid, maar het openbaar onderwijs staat als enige pal voor algemene toegankelijkheid en algemene benoembaarheid en weigert dus niemand. Met andere woorden: openbare scholen zijn van en voor iedereen.

Als we iets moeten afschaffen, is dat niet het openbaar onderwijs, maar de grondwettelijke mogelijkheid van uitsluiting. Als we het met elkaar eens zijn dat we onze kinderen op onze scholen goed willen voorbereiden op onze diverse maatschappij – waarin iedereen van alle nationaliteiten, geloven, zienswijzen en seksuele geaardheden met elkaar samenleeft – dan moeten we ervoor zorgen dat we loskomen van de hokjesgeest die zo kenmerkend was voor de verzuiling.

Hans Teegelbeckers, directeur VOS/ABB

Bert-Jan Kollmer, bestuurder Stichting Openbaar Voortgezet Onderwijs en de regio

Lambèrt van Genugten, bestuursvoorzitter Jan van Brabant College Helmond

Bij sluiting kleine school tellen alle argumenten

Kleine scholen worden echt niet gesloten zonder dat alle argumenten voor en tegen van de betrokkenen op evenwichtige wijze tegen elkaar zijn afgewogen. Er zijn in de wet voldoende waarborgen ingebouwd om tot een goed besluit te komen.

De Vereniging Openbaar Onderwijs (VOO) wil dat de huidige adviesbevoegdheid van de medezeggenschapsraad over de mogelijke sluiting van scholen een instemmingsbevoegdheid wordt, zo staat in een brief aan de Tweede Kamer. Dat is helemaal niet nodig, omdat al voldoende is gewaarborgd dat de belangen van alle betrokken meewegen in het besluit een kleine school open te houden of te sluiten.

Goede argumenten en zorgvuldig handelen

De landelijke vereniging van medezeggenschaps- en ouderraden doet met haar pleidooi voorkomen alsof de huidige adviesbevoegdheid minder waard zou zijn dan instemmingsbevoegdheid, maar in de huidige situatie kan het schoolbestuur een advies van de medezeggenschapsraad echt niet zomaar naast zich neerleggen. Het bestuur zal altijd moeten aangeven waarom het dat doet. De nadruk ligt daarbij op goede argumenten en zorgvuldig handelen door het bestuur.

Als de medezeggenschapsraad zich echt niet kan verenigen met het besluit van het bestuur, kan een geschil aanhangig worden gemaakt bij de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS. Die zal kijken of het bestuur op zorgvuldige wijze en met goede argumenten tot het besluit is gekomen. Als dat volgens de commissie niet het geval is, zal het bestuur tot een ander besluit moeten komen.

Daar komt bij dat in het openbaar onderwijs de gemeenteraad als externe toezichthouder altijd nog de mogelijkheid heeft om een kleine school over te nemen. Op die manier kan de gemeente een schooltje openhouden, ook nadat het schoolbestuur duidelijk heeft gemaakt dat het dat op financiële gronden (helaas) niet meer mogelijk is.

Voldoende waarborgen

Een school wordt dus echt niet zomaar opgeheven. Voordat daartoe het definitieve besluit wordt genomen, zal de medezeggenschapsraad met een positief advies moeten komen en zal, in het openbaar onderwijs, de gemeenteraad akkoord moeten geven. Wettelijke wijzigingen van advies- naar instemmingsrecht voegen daar niets aan toe.

Hans Teegelbeckers, directeur VOS/ABB

Onderwijs dat boven denominaties uitstijgt

Als we met zijn allen boven het verkavelde veld van denominaties uitstijgen, kunnen we ervoor zorgen dat leerlingen met verschillende achtergronden met en van elkaar leren.

Het heeft geen zin om vast te houden aan het onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs, zoals rector Gijsbert van der Beek van het protestants-christelijke Altena College in Sleeuwijk doet. Hij reageert met een opiniestuk in Trouw op een artikel in diezelfde krant waarin onderwijssocioloog en voorzitter van de Partij voor de Rede Hans de Vries pleit voor openbaar onderwijs.

Discriminatie en uitsluiting

De Vries stelt dat het bijzonder ‘geloofsonderwijs’, zoals hij het noemt, bijdraagt aan discriminatie en uitsluiting en daarom moet worden afgeschaft. Alleen in het ‘religieus neutrale’ openbaar onderwijs kan volgens hem gelijkwaardigheid voor alle leerlingen ontstaan.

In zijn reactie stelt de christelijke rector Van der Beek dat bijzonder onderwijs helemaal niet tot discriminatie en uitsluiting leidt. Hij noemt het duale stelsel van gelijke bekostiging van openbaar en bijzonder onderwijs, op basis van het inmiddels 100 jaar oude grondwetsartikel 23, een ‘zegen’, mede omdat het destijds volgens hem is voortgekomen uit een democratiseringsproces.

Boven denominaties uitstijgen

De Vries en Van der Beek geven er beiden met hun ideeën blijk van dat ze vastzitten in het verkavelde denominatieve onderwijsveld. Het is voor een goede toekomst van het funderend onderwijs in Nederland van belang dat we na een eeuw artikel 23 eindelijk boven de denominaties uitstijgen. Wij hebben daar samen met de Vereniging Openbaar Onderwijs het toekomstconcept School! voor ontwikkeld.

Om leerlingen met verschillende achtergronden met en van elkaar te laten leren, kunnen we de stap maken naar onderwijs dat loskomt van het duale bestel. Er hoeven geen openbare, protestants-christelijke, rooms-katholieke of wat voor scholen dan ook meer te zijn, maar ‘scholen’ die op basis van wederzijds respect aandacht hebben voor verschillen tussen mensen. Zo kunnen we door middel van ontmoeting in het onderwijs bijdragen aan een in alle opzichten gezonde samenleving!

Hans Teegelbeckers, directeur VOS/ABB

Godsdienstige en humanistische vorming verdienen het!

Het IMF adviseert het kabinet om miljarden extra te investeren, onder andere in het onderwijs. Prima idee. Laten we beginnen met een solide financiering van godsdienstig en humanistisch vormingsonderwijs in de openbare basisscholen!

Openbaar onderwijs staat open voor álle leerlingen, ook voor kinderen van wie de ouders waarde hechten aan onderwijs vanuit een godsdienstige of levensbeschouwelijke richting. Naast de beschrijvende zin, zoals kerndoel 38 verlangt, gaat het hier nadrukkelijk ook om vorming en zingeving.

In de huidige discussie over een structurele bekostiging van godsdienstig en humanistisch vormingsonderwijs (g/hvo) stelt staatssecretaris Sander Dekker van OCW echter dat de ouders van deze leerlingen maar voor een bijzondere school moeten kiezen.

Het mooie van openbaar onderwijs is dat het van en voor iedereen is. Door de ontmoeting met de ander leren kinderen in de openbare school van en met elkaar. Als iedereen met een bepaalde geloofs- of levensbeschouwelijke visie maar een eigen school moet opzoeken, zoals Dekker kortweg stelt, wordt het belang van het rijke karakter van de openbare school miskend.

Wettelijke verankering

In de huidige politieke discussie over het initiatiefwetsvoorstel over de structurele bekostiging voor g/hvo gaf de staatssecretaris aan hier niet voor te zijn. Het voorstel van de Kamerleden Loes Ypma (PvdA), Joël Voordewind (CU) en Michel Rog (CDA) is bedoeld om de tijdelijke subsidie voor g/hvo als structurele bekostiging (eindelijk) te verankeren in de Wet op het primair onderwijs.

De voorgestelde wettelijke verankering is niet meer dan logisch. De wet vraagt immers van het bevoegd gezag van de openbare school om gelegenheid te bieden aan g/hvo als ouders daarom vragen. Zonder financiering kan de wettelijke mogelijkheid van dit type onderwijs in de openbare school niet worden uitgevoerd.

De structurele bekostiging is al in 2009 aangekondigd via een door de Tweede Kamer aangenomen amendement. De toenmalige minister zei vervolgens dat vanaf 2010 structurele bekostiging zou volgen, maar dat werd een niet-structurele subsidie.

Dekker heeft in 2013 nog geprobeerd om de tijdelijke subsidie voor g/hvo te schrappen, maar hij vond toen na een lobby van onder andere VOS/ABB gelukkig een meerderheid van de Tweede Kamer op zijn pad die dit tegenhield.

Onderwijsbegroting

De staatsecretaris zet nu vraagtekens bij de financiële dekking van het initiatiefwetsvoorstel. Er is aangegeven dat er een groei in kosten wordt verwacht tot circa 15 miljoen euro op jaarbasis in 2025. Dekker vraagt zich af waar hij dat geld vandaan kan halen. Er is volgens hem geen dekking voor.

Feitelijk gezien heeft hij daarin gelijk, want hij heeft te dealen met de onderwijsbegroting. Hij weet echter ook dat er meer financiële ruimte is. Het Internationale Monetaire Fonds (IMF) rekende onlangs voor dat het kabinet 2 tot 4 miljard euro per jaar extra kan investeren in onder andere onderwijs.

Het zekerstellen van de subsidie voor g/hvo van 10 miljoen euro per jaar en de verwachte kostenstijging van 5 miljoen op jaarbasis passen daar gemakkelijk in!

Schaf de rekentoets af!

En als het kabinet die 5 miljoen euro extra voor g/hvo echt te veel vindt, dan schaft Dekker toch gewoon de rekentoets af. Hij is zo langzamerhand de enige die dat nog een goed instrument vindt. Zonder rekentoets, komt er 5 miljoen per jaar vrij!

Hans Teegelbeckers, directeur VOS/ABB