Eerder kondigden we al aan dat we voor de burgerschapsopdracht samenwerken met bureau Common Ground. In een drieluik delen we onze gezamenlijke visie op dit thema.

Vandaag gaan we in op de manier waarop de burgerschapsopdracht in beleid, toezicht en ondersteuning wordt vertaald. Juist omdat burgerschapsonderwijs zo belangrijk is, moeten we kritisch blijven. In de praktijk zien we namelijk een aantal spanningen. De onderstaande thema’s zijn geen definitieve onderzoeksresultaten, maar signalen uit de praktijk, beleidsanalyses en gesprekken met onze leden en partners. 

De rode draad? Burgerschap moet integraal zijn, maar niet zonder grenzen. Burgerschap raakt aan schoolcultuur, kwaliteitszorg, gelijke kansen en passend onderwijs. Juist daarom moet duidelijk worden hoe deze thema’s met elkaar samenhangen, zonder de opdracht voor scholen verder te vergroten. Er is behoefte aan samenhang en aan duidelijke grenzen: wie is waartoe verplicht en wie is waarvoor verantwoordelijk? 

Van onderwijstaak naar het oplossen van maatschappelijke problemen
De wet over burgerschap is in grote lijnen duidelijk. Scholen moeten leerlingen voorbereiden op een actieve rol in onze democratische samenleving. Dat doe je door ze kennis en vaardigheden mee te geven. En door te zorgen voor een schoolcultuur waarin leerlingen leren omgaan met verschillen. Uit onderzoek blijkt dat scholen deze wettelijke opdracht begrijpen. De spanning zit dan ook niet in de wet zelf, maar juist in het vertalen naar de praktijk. Want wanneer doe je het als school goed? Hoe maak je de ontwikkeling van leerlingen zichtbaar? En hoe voorkom je dat de opdracht steeds groter wordt?

In de politiek en het overheidsbeleid bestaan zorgen over de samenleving. Denk aan haatdragende polarisatie, structurele ongelijkheid en vermindering van sociale samenhang. Het idee bestaat dat burgerschapsonderwijs deze problemen kan oplossen. Natuurlijk staan scholen midden in de maatschappij en zien zij deze problemen terug in de klas. Maar hiermee verandert burgerschap van een onderwijstaak in een opdracht om maatschappelijke problemen te repareren. Er ontstaat de verwachting dat scholen de spanningen in de samenleving wel even oplossen. Dat is onrealistisch en bovendien riskant. We moeten de verantwoordelijkheden goed verdelen over drie niveaus:

  • Op schoolniveau (de invloed van de school): Hier ligt de échte taak. Scholen geven les over maatschappelijke vraagstukken, diversiteit, de democratische rechtsstaat en oefenen democratische vaardigheden met leerlingen. Dit is waar scholen invloed op hebben en waarop ze beoordeeld kunnen worden.
  • Op stelselniveau (het onderwijsbestuur): scholen hebben te maken met de gevolgen van segregatie (gescheiden scholen) en kansenongelijkheid. Dit kan een individuele school niet alleen oplossen. Dit vraagt om samenwerking tussen besturen en bewuste keuzes in de regio.
  • Op maatschappelijk niveau (de politiek en samenleving): grote problemen zoals het dalende vertrouwen in de democratie horen hier thuis. Het onderwijs kan bijdragen aan de vermindering hiervan, maar kan de maatschappelijke oorzaken niet wegnemen. Soms is het zelfs andersom: pas wanneer maatschappelijke problemen als armoede of onveiligheid zijn aangepakt, komen we aan goed onderwijs toe.

Als we deze niveaus door elkaar halen, wordt de opdracht voor scholen veel te zwaar. Scholen worden dan afgerekend op maatschappelijke resultaten waar ze nauwelijks invloed op hebben. Dat zorgt voor extra regeldruk en frustratie, zonder dat het onderwijs er beter van wordt.

Vorming is mensenwerk, toezicht vraagt om harde cijfers
Een tweede spanning is dat burgerschap gaat over maatschappelijke vorming, waarbij leerlingen vrij zijn om hun eigen waarden en idealen te ontdekken en ontwikkelen, maar het tegelijkertijd een officiële taak is waarop de Inspectie van het Onderwijs toeziet. Vorming is niet altijd voorspelbaar en bij uitstek situatiegebonden. Het gebeurt in de klas, maar ook op het schoolplein: hoe lossen we ruzies op, hoe gaan we om met verschillen en waar trekken we de grens? Sturing en toezicht vragen juist om het tegenovergestelde: duidelijke doelen, plannen en meetbare resultaten.

Scholen vragen om concrete handvatten, zoals voorbeeldlesstoffen, cursussen en handige methoden om voortgang te meten. Dat is begrijpelijk, maar de vraag is waar die enorme behoefte vandaan komt.  Het probleem is vaak dat burgerschap zo breed wordt gemaakt dat het in de praktijk bijna alles omvat: van sociale veiligheid tot ouderbetrokkenheid. Als alles burgerschap is, wat moet je dan precies meten en verantwoorden?

Beleid en toezicht behandelen burgerschap nog te vaak als een los, toetsbaar onderdeel. Leraren ervaren het daarentegen als iets wat hoort bij hun dagelijks handelen en logisch nadenken. Een wettelijke kern is nuttig, maar nóg meer regels helpen niet. Ze maken de berg alleen maar groter. Scholen moeten de ruimte voelen om de wettelijke kaders te vertalen naar hun eigen context: wat hebben ónze leerlingen specifiek nodig? De opdracht is om de opdracht behapbaar te houden: wat willen we leerlingen écht leren en laten ervaren, en hoe leggen we daar verantwoording over af zonder de pedagogische kern te verliezen? 

Te veel regels op één grote hoop
De derde spanning is dat diverse onderdelen van burgerschap in feite al in andere wetten en regels staan. Denk daarbij aan wetgeving rondom sociale veiligheid, passend onderwijs of de kwaliteit van het onderwijs. De burgerschapsopdracht plakt nu één nieuw etiket op al die bestaande taken en voegt daar zowel inhoudelijke als proceseisen aan toe. Dat kan helpen om de samenhang te zien, maar het zorgt in de praktijk juist vaak voor verwarring. Het is voor scholen niet meer duidelijk wat nu écht nieuw is, wat al ergens anders is geregeld en wat gewoon een wens is van de school zelf. Burgerschap wordt zo een verzamelbak voor ‘alles wat goed is’.

Daar komt bij dat scholen niet alleen te maken hebben met de wet, maar ook met de meningen van adviseurs, uitgevers, expertisepunten en sectorraden. Iedereen legt de wet op zijn eigen manier uit en biedt materialen aan. Al die extra uitleg zorgt voor ‘normstapeling’: het gevoel dat er steeds meer moet. Wat bedoeld is als hulp (denk aan de IJkpunten voor burgerschap, die verder gaan dan de wettelijke eisen), zorgt zo voor twijfel bij schoolleiders en bestuurders: Is dit wettelijk verplicht? Verwacht de Inspectie dit van ons? Of is het een vrijblijvend advies? Om als school zelf de regie te houden, is het belangrijk te weten waar de opdracht begint en waar hij eindigt. Het moet duidelijk worden wat moet, wat mag en waar de ruimte zit voor eigen professionele keuzes.

In het derde en laatste blog van dit drieluik gaan we in op wat deze spanningen concreet betekenen voor de dagelijkse praktijk én verkennen we oplossingsrichtingen. 

Deel dit bericht: