BON snapt het niet: lumpsum betekent bestedingsvrijheid

De bewering van Beter Onderwijs Nederland dat de lumpsumfinanciering duizenden onderwijsbanen kost, laat zien dat deze actiegroep niet snapt dat scholen met niet-geoormerkt geld werken. Dat is de strekking van antwoorden van staatssecretaris Sander Dekker van OCW op vragen van de SP.

‘Het onderzoek van BON gaat er onterecht van uit dat het onderwijs werkt met geoormerkt geld. De gebruikte verhoudingen binnen de bekostiging zijn destijds als rekenmodel opgezet, niet als richtlijn voor de besteding’, zo benadrukt Dekker in antwoorden op de vragen van SP-Kamerlid Jasper van Dijk..

Hij noemt het een voordeel van de lumpsumfinanciering dat scholen, in overleg met (de personeelsgeleding van) de medezeggenschapsraad, hun personeelsbeleid kunnen laten aansluiten bij hun specifieke situatie. Daardoor verschillen bij scholen de aandelen leraren, directiepersoneel en onderwijsondersteuners.

‘Het gaat mij bij de sturing op het onderwijs dan ook niet zozeer om dergelijke verhoudingen op schoolniveau, maar om hun effect op de uiteindelijke onderwijskwaliteit. Ik heb daarover dan ook met de besturen afspraken gemaakt in de sectorakkoorden. Die omvatten heldere doelen voor de verbetering van de onderwijskwaliteit’, schrijft de staatssecretaris.

Schuiven met personeel
Dekker wijst er bovendien dat voor invoering van de lumpsumfinanciering, toen er nog sprake was van het formatiebudgetsysteem, scholen ook de mogelijkheid hadden om te schuiven met personeel. ‘Dit systeem werkte met formatierekeneenheden. Deze werden apart vastgesteld voor onder andere onderwijsondersteunend en onderwijsgevend personeel. Scholen hadden echter ook binnen dit systeem vrijheid om te schuiven tussen onderwijsgevend personeel en onderwijsondersteunend personeel.’

Verder zijn er volgens Dekker ontwikkelingen in het onderwijs die maken dat deze verschuiving heeft plaatsgevonden. ‘Er zijn bijvoorbeeld steeds meer taken van de docent overgenomen door medewerkers met een ander takenpakket. Daarmee is de docent ontlast en komt hij meer toe aan het geven van hoogwaardig onderwijs.’