G/hvo wezenlijk onderdeel openbaar onderwijs

Het is goed dat Tweede Kamerlid Loes Ypma de financiering van godsdienstig en humanistisch vormingsonderwijs (g/hvo) in de openbare scholen wettelijk wil verankeren. Dit betekent dat g/hvo wordt erkend als wezenlijk onderdeel van het openbaar onderwijs. Toch zitten er risico’s aan haar wetsvoorstel.

Ypma (PvdA) wil dat de bekostiging van g/vo wordt vastgelegd in de Wet op het primair onderwijs (WPO). De gedachte hierachter is dat een financieringsbasis in de wet meer zekerheid biedt dan de huidige rijkssubsidie van 10 miljoen euro per jaar voor g/hvo.

Dit is een logische gedachte, maar er dient wel voor worden gewaakt dat de regeling niet wordt uitgekleed. Zodra de regeling wettelijk is vastgelegd, kan het bedrag voor g/hvo elk jaar naar believen worden gewijzigd. Een verandering van politiek klimaat kan daar zomaar de aanzet toe geven. Nu is het nog zo dat de rijkssubsidie voor g/hvo voor vijf jaar vastligt.

G/hvo en levo
Ik vind het opvallend dat Ypma het wetsvoorstel mede in het teken lijkt te zetten van levensbeschouwelijk onderwijs (levo), waarbij aspecten als diversiteit en wederzijds respect aan bod komen. Levo wordt inderdaad door openbare scholen verzorgd, maar dat is iets anders dan g/hvo. Dat laatste wordt gegeven door een externe docent vanuit een specifieke religieuze of levensbeschouwelijke richting: humanisme, katholicisme, protestantisme, islam of hindoeïsme. Levo wordt door de eigen leerkracht van de openbare school gegeven en biedt een brede blik op diverse stromingen.

Levo valt onder de pedagogisch-didactische verantwoordelijkheid van de openbare school en g/hvo nadrukkelijk niet. Het zijn de zogenoemde zendende instanties, verenigd in het Dienstencentrum GVO en HVO, die deze vorm van onderwijs aanbieden. De openbare school is bij wet verplicht er gelegenheid toe te bieden als de ouders erom vragen. Met andere woorden: er moet een lokaal beschikbaar worden gesteld en verder niets.

Krimp
Het wetsvoorstel van Ypma kan gunstig zijn voor regio’s die te maken met demografische krimp. Als de laatste school in een dorp een openbare school is, kunnen ouders hun kinderen nog steeds vormend onderwijs van hun eigen levensbeschouwing of godsdienst laten volgen.

Daarnaast lijkt dit wetsvoorstel een betere basis te geven voor de verwerking van alle aanvragen bij het dienstencentrum. Dat zou mogelijk kunnen betekenen dat de openbare scholen in de grote steden hier meer aandacht aan kunnen besteden.

Marleen Lammers, beleidsmedewerker VOS/ABB