In Jurisprudentie: Medezeggenschap

De oudergeleding van de MR (OMR) wil zich bij behandeling van geschillen door de Commissie laten bijstaan door een gemachtigde. Het bevoegd gezag wijst het verzoek om vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand af. De OMR legt hierover een nalevingsgeschil voor aan de Commissie en verzoekt ook tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in het nalevingsgeschil. De Commissie komt tot de volgende uitspraak.

De OMR heeft haar verzoek tot vergoeding van de kosten voor het raadplegen van een deskundige voldoende onderbouwd en deze kosten zijn redelijkerwijs noodzakelijk. De Commissie ziet aanleiding het bedrag te matigen, omdat de geschillen waarover de OMR deskundige bijstand vroeg geen tot weinig kans van slagen hadden. De gemachtigde had relatief snel tot deze conclusie kunnen komen.De kosten van rechtsbijstand in een nalevingsgeschil over de kosten van rechtsbijstand, zijn in ieder geval redelijkerwijs noodzakelijke kosten, onafhankelijk van de vraag wie de Commissie in het gelijkstelt. Gelet op de aard en inhoud van de geschillen waarvoor de OMR bijstand vroeg, matigt de Commissie ook dit bedrag.

De Commissie wijst het nalevingsverzoek van de OMR over het vergoeden van de kosten van het raadplegen van een deskundige en het voeren van rechtsgedingen in zoverre toe, dat deze kosten van de OMR ten laste komen van het bevoegd gezag tot een bedrag van in totaal € 2.500,- inclusief BTW. De Commissie wijs het verzoek van de OMR tot het opleggen van een dwangsom aan het bevoegd gezag af.

 

De gehele uitspraak is hier te vinden. (uitspraak 108846)

Delen