‘Cruciale rol schoolbesturen bij aanpakken lerarentekort’

De schoolbesturen hebben als werkgevers een cruciale rol bij het oplossen van het lerarentekort. Het kabinet kan slechts investeren in de randvoorwaarden hiervoor, benadrukt onderwijsminister Arie Slob in een brief aan de Tweede Kamer.

Uit die brief blijkt dat het kabinet geen extra geld uittrekt om het groeiende lerarentekort tegen te gaan. Slob schrijft dat er al veel geld naartoe gaat. Hij noemt de 270 miljoen euro voor hogere lerarensalarissen in het primair onderwijs en de 430 miljoen euro om de werkdruk te verlagen.

De minister komt dus niet met meer geld, maar hij beseft wel dat er meer moet worden gedaan om het lerarentekort te bestrijden. Hij noemt drie actiepunten:

  1. een regionale aanpak in sterke netwerken;
  2. versterking van het strategische personeelsbeleid door werkgevers;
  3. verlaging van het ziekteverzuim en verhoging van de deeltijdfactor.

Hij wijst erop dat het uiteindelijk de schoolbesturen verantwoordelijk zijn voor het personeelsbeleid. ‘Zij hebben dan ook een cruciale rol bij het aanpakken van het lerarentekort’, aldus de minister.

Lees de brief van Slob

Geld direct aan scholen uitkeren is niet efficiënter

Als het onderwijsgeld direct aan de scholen worden uitgekeerd in plaats van aan hun besturen, levert dat geen besparing op. In tegendeel: de kosten zouden dan hoger kunnen zijn dan nu het geval is. Dat stelt minister Jet Bussemaker van OCW in een reeks antwoorden op Kamervragen.

Naar aanleiding van het jaarverslag over 2013 van het ministerie van OCW was vanuit de Tweede Kamer de vraag gekomen of het voordeliger zou zijn om het onderwijsgeld voortaan direct aan de scholen uit te keren in plaats van aan de schoolbesturen. Volgens Bussemaker lukt het op die manier niet om meer geld in de klas terecht te laten komen.

‘Als de bekostiging direct aan scholen wordt uitgekeerd zal dat op zich geen besparing opleveren. Ook in dat geval zal er een administratie moeten worden bijgehouden, zullen keuzes moeten worden gemaakt en verantwoord worden en zal er dus een zekere mate van overhead nodig zijn. Als iedere school dat voor zichzelf gaat organiseren zouden de kosten wel eens hoger kunnen uitpakken en is er dus geen sprake van een opbrengst’, aldus de minister.

Bussemaker erkent dat niet duidelijk is hoe de verhouding is tussen de bedragen die ten goede komen aan het primaire proces en het geld dat in het onderwijs aan overhead wordt besteed: ‘De regels voor de inrichting van de jaarverslaglegging schrijven voor op welke manier de besturen van onderwijsinstellingen hun uitgaven moeten verantwoorden. Hierbij zijn diverse rubrieken verplicht. Binnen deze rubrieken vormen het primaire proces en de overhead geen aparte verslaggevingscategorieën.’

Ze concludeert dat de uitsplitsing van de uitgaven in primair proces en overhead ‘lastig is en zeker niet eenduidig vast te stellen.’

Inzet van schoolbesturen loont

De kwaliteit van het onderwijs hangt sterk af van de kwaliteit van de schoolleiders en -bestuurders. Het is goed dat de Inspectie van het Onderwijs dit in het Onderwijsverslag 2012-2013 benadrukt. Het laat zien dat bestuur en management worden erkend als cruciale voorwaarde voor goed onderwijs, zeggen Ritske van der Veen en Anna Schipper van VOS/ABB.

Het zijn de leraren die leerlingen goed onderwijs geven. Zij staan voor de klas, of zoals dat in het onderwijs vaak wordt gezegd ‘met de poten in de modder’. Een uitspraak die wij nooit zo goed hebben begrepen, omdat die suggereert dat het in het onderwijs slechts moeizaam voortmodderen is. Goed onderwijs verdient positieve beeldspraak!

Afgezien van dat modderige beeld, is het niet zo dat alleen leraren goed onderwijs maken. Het is, zo constateert de inspectie terecht, een samenspel van personeel, schoolleiders en –bestuurders. Organisaties waarin die drie groepen met elkaar de schouders eronder zetten, bereiken de beste resultaten. Dat dit werkt, blijkt uit de afname van het aantal zwakke en zeer zwakke scholen.

Aan de kwaliteit van die samenwerking kan nog wel het één en ander worden verbeterd. Het beeld van de inspectie dat schoolleiders over het algemeen goed functioneren, herkennen wij in de praktijk. Maar wij herkennen helaas ook het beeld dat het hun nogal eens ontbreekt aan zelfreflectie – een gebrek dat overigens meer mensen parten speelt.

Ook zien we dat het management niet altijd voldoende alert is op risico’s die de kwaliteit van het onderwijs onder druk kunnen zetten. Dit benadrukt het belang van verdere professionalisering van schoolleiders. Als zij goed functioneren, komt dat immers de kwaliteit van de school ten goede.

Kritischer is de inspectie over de rol van de schoolbesturen. De inspectie stelt terecht dat de kwaliteit van de schoolleiders, en daarmee de kwaliteit van het onderwijs, gebaat is bij goede schoolbestuurders die daarop actief sturen. Dit is nog onvoldoende het geval, zo staat in het Onderwijsverslag, omdat de meeste besturen de kwaliteit van hun scholen slechts globaal in de gaten houden. Ook het functioneren van hun schoolleiders volgen zij slechts in grote lijnen.

Ook dit punt uit het Onderwijsverslag herkennen wij. Het is natuurlijk niet zo dat het overal kommer en kwel is – verre van dat! – maar als we in het primair en voortgezet onderwijs een volgende kwaliteitsslag willen maken, dan zullen schoolbestuurders daar meer op moeten focussen. De inzet van besturen loont, concludeert de inspectie. Daar zijn wij het helemaal mee eens!

Ritske van der Veen, directeur VOS/ABB
Anna Schipper, adjunct-directeur VOS/ABB

Zuid-Limburg ziet ouderinitiatief krimp niet zitten

De gezamenlijke schoolbesturen voor primair onderwijs in Zuid-Limburg zien geen heil in het initiatief om ouders in dorpen het bestuur van hun basisschool te laten overnemen. Het Zeeuwse PvdA-lid Jan Schuurman Hess denkt dat op die manier kleine basisscholen overeind kunnen blijven.

Schuurman Hess stelt voor om kleine basisscholen op het platteland onder te brengen in coöperaties van ouders. Die coöperaties zouden kunnen bestaan uit schooltjes verspreid over het land. In een gezamenlijke brief aan de vaste Kamercommissie voor OCW schrijven de Zuid-Limburgse schoolbesturen dat zij dit een sympathiek plan vinden ‘mede door de grotere participatie van ouders’, maar ook dat ze betwijfelen of het een duurzaam concept is.

De twijfel van de Zuid-Limburgers heeft te maken met de afnemende inkomsten voor de schoolbesturen als gevolg van dalende leerlingenaantallen door demografische krimp, de toenemende onderwijskwaliteit die van de scholen wordt verwacht en de invoering van de Wet passend onderwijs per 1 augustus 2014. De verevening die aan dat laatste is gekoppeld, pakt voor de schoolbesturen in Zuid-Limburg negatief uit.

De schoolbesturen schrijven aan de Tweede Kamer dat zij ‘vanuit het gemeenschappelijke belang voor een duurzame en kwalitatief hoogstaande onderwijsinfrastructuur’ met elkaar samenwerken om op een positieve manier om te gaan met de gevolgen van demografische krimp. Ze gaan met de drie grote gemeenten in hun regio, de provincie Limburg en het ministerie van Binnenlandse Zaken de Transitieatlas Zuid-Limburg opstellen, met als doel ‘toekomstbestendige basisscholen’.

De Zuid-Limburgse schoolbesturen vrezen dat het plan van Schuurman Hess ‘afbreuk doet aan de inspanningen die ouders, schoolteams, besturen en gemeenten doen om te komen tot een verantwoord aanbod van basisonderwijs nu en morgen’. Uitvoering van het Zeeuwse plan zou ertoe leiden dat voor Zuid-Limburg de klok werd teruggedraaid. De besturen vragen de vaste Kamercommissie ‘eenduidige politieke signalen’ om ervoor te zorgen dat het plan van Schuurman Hess in elk geval voor Zuid-Limburg geen realiteit wordt.