Medezeggenschapsraad moet adviseren over groepsgrootte

Schoolbesturen van basisscholen moeten voortaan de medezeggenschapsraad om advies vragen als het gaat om het beleid met betrekking tot groepsgrootte. Onderwijsminister Arie Slob heeft in de Tweede Kamer gezegd dat hij de Wet medezeggenschap op scholen (WMS) op dit punt gaat aanpassen.

‘Op deze manier zorgen we ervoor dat leraren en ouders echt kunnen meepraten over de groepsgrootte’, aldus Slob. Hij benadrukte dat het advies dat de medezeggenschapsraad moet gaan geven, niet vrijblijvend is. Als een schoolbestuur het advies naast zich neerlegt, dan kan de MR naar een geschillencommissie.

De minister denkt dat met de wetswijziging het probleem wordt weggenomen dat leraren en ouders zich overvallen voelen door besluiten van het schoolbestuur. ‘Dit moet het gesprek tussen besturen en leraren op gang brengen’, aldus Slob.

Lees meer…

Nog veel onduidelijk

De PO-Raad stelt dat er nog veel onduidelijk is over het plan van Slob. de sectororganisatie wil met hem in gesprek over de voorgenomen wetswijziging.

Lees meer…

‘Verkleinen van klassen weinig effectief’

Het substantieel verkleinen van de klassen kan tot betere leerprestaties leiden, maar het is effectiever en efficiënter om andere maatregelen te nemen. Dat schrijft demissionair staatssecretaris Sander Dekker van OCW in reactie op vragen uit de Tweede Kamer.

Dekker wijst er in zijn reactie op dat het pas effect heeft op de kwaliteit van het onderwijs als de klassen met zeven leerlingen worden verkleind. Dat is volgens hem te duur. Bovendien zijn er dan meer leerkrachten nodig en die zijn niet te vinden.

Het is volgens hem beter om maatregelen te nemen die bijvoorbeeld betrekking hebben op de heterogeniteit van groepen of de hoeveelheid zorgleerlingen in de klas. Ook kan het volgens hem goed zijn om te kijken naar de gehanteerde onderwijsmethodiek, zoals klassikaal versus geïndividualiseerd onderwijs.

Hij noemt tevens het (didactisch) repertoire van de docent, bijvoorbeeld ten aanzien van klassenmanagement, en de eventuele inzet van klassenassistenten.

Lees meer…

Gemiddelde groepsgrootte nagenoeg stabiel

De gemiddelde groepsgrootte in het basis- respectievelijk voortgezet onderwijs is dit jaar nagenoeg gelijkgebleven. Dat staat in een brief van staatssecretaris Sander Dekker van OCW aan de Tweede Kamer.

Dekker schrijft dat de gemiddelde groepsgrootte in het basisonderwijs tot 2013 toenam en dat er sindsdien sprake is van een stabilisering. ‘In 2013, 2014 en 2015 was de gemiddelde groepsgrootte 23,3 leerlingen. Dit jaar heeft een basisschoolgroep gemiddeld 23,4 leerlingen. Hiermee is dit gemiddelde vier jaar op rij nagenoeg stabiel’, aldus de staatssecretaris.

Hij wijst er verder op dat de gemiddelde groepsgrootten in de onderbouw en bovenbouw van het basisonderwijs meer fluctueren dan het totale gemiddelde. ‘Sinds 2013 ligt het gemiddelde in de bovenbouw ongeveer 1 leerling hoger dan het totale gemiddelde. Het gemiddelde in de onderbouw ligt ongeveer 1 leerling lager dan het totale gemiddelde.’

Voortgezet onderwijs

De gemiddelde groepsgrootte in het voortgezet onderwijs is niet in één cijfer te vangen, omdat de omvang van de groepen per vak sterk kunnen verschillen. Toch ziet Dekker dat ook de omvang van de groepen in het voortgezet onderwijs een stabiel beeld laat zien.

‘De gemiddelde groepsgrootte is ten opzichte van voorgaande schooljaren min of meer gelijk gebleven. Groepen met meer dan 30 leerlingen in één lokaal komen wel voor, maar het algemene beeld is dat dit niet bijzonder vaak het geval is’, aldus de staatssecretaris.

Lees meer…

Gemiddelde groepsgrootte blijft gelijk

De gemiddelde groepsgrootte in het basisonderwijs ligt ook in 2015 op 23,3 leerlingen. Dat staat in een brief van staatssecretaris Sander Dekker van OCW aan de Tweede Kamer.

Tot 2013 was er sprake van een stijging van de gemiddelde groepsgrootte in het basisonderwijs. Sindsdien is er sprake van een stabilisering.

Bij het indelen van de groepen spelen allerlei keuzes en afwegingen op schoolniveau. Daardoor is er een grote variatie aan groepsgroottes. Meer dan de helft van de groepen heeft tussen de 19 en 26 leerlingen.

Ten opzichte van 2014 is de spreiding van de groepsgrootte in 2015 nagenoeg hetzelfde. Net als in 2014 is minder dan 6 procent van de groepen groter dan 30 leerlingen en is 65 procent van de groepen kleiner dan 26 leerlingen.

Groepsgrootte blijft stabiel

De gemiddelde groepsgrootte in het primair onderwijs is in 2014 stabiel gebleven. Net als in 2013 zaten er gemiddeld 23,3 leerlingen in een groep. Staatssecretaris Dekker ziet dan ook geen enkel probleem.

Dit meldt de staatssecretaris maandag in een brief aan de Tweede Kamer. Sinds 2012 rapporteert hij jaarlijks over de ontwikkeling van de groepsgrootte. In 2012 en 2013 was nog sprake van een lichte stijging: in 2012  van 22,6 naar 22,8 en in 2013 naar 23,3 leerlingen gemiddeld per groep. Dat laatste getal is in 2014 stabiel gebleven. Dit is vastgesteld door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) op basis van een representatieve steekproef.

Grote verschillen
Tegelijkertijd blijken er grote verschillen tussen scholen te zijn. Ruim 65 procent van de groepen telt minder dan 26 leerlingen, maar een kleine 6 procent heeft meer dan 30 leerlingen. Ook geeft Dekker aan dat binnen elke school zowel kleinere als grotere groepen voorkomen, maar het gemiddelde per school ligt meestal tussen de 22 en 25 leerlingen. Minder dan 1 procent van de scholen komt uit op een gemiddelde groepsgrootte van 29 leerlingen of hoger.

Extra handen in de klas
Dekker schrijft ook dat de stabilisering van de gemiddelde groepsgrootte zich in het gehele basisonderwijs voordoet: in onder- en bovenbouw, bij kleinere en grotere scholen. Hij heeft onderzoeksbureau Regioplan nog gevraagd om op een tiental scholen een nader onderzoek te doen naar de groepsgrootte. Daaruit kwam dat scholen extra handen in de klas creëren door het inzetten van remedial teachers, onderwijsassistenten, intern begeleiders, leerkrachten in opleiding (LIO) en vakleerkrachten.

‘Geen probleem’
‘In nagenoeg alle gevallen geven scholen aan dat de feitelijke omvang van de groepen niet als een probleem wordt ervaren’, aldus Dekker in zijn brief. Hij is dan ook niet van plan om te gaan sturen op de omvang van de groepen. ‘Ik stuur op een verbetering van de kwaliteit’, zegt hij. ‘De indeling en vorming van groepen is bij uitstek een aangelegenheid die om maatwerk op het niveau van de school vraagt. De resultaten van 2014 bevestigen het beeld dat scholen de kwaliteit leidend laten zijn in hun afwegingen tussen budget en personele inzet.’

De groepsgrootte in het voortgezet onderwijs wordt niet elk jaar onderzocht. Daar wil Dekker volgend jaar weer naar kijken.

 

Burgerinitiatief ‘Stop de overvolle klassen’

De vakbond Leraren in Actie (LiA) heeft een burgerinitiatief gelanceerd om het maximumaantal leerlingen per klas in het reguliere onderwijs omlaag te brengen naar 28.

LiA signaleert dat er steeds meer grote klassen zijn met soms wel 36 leerlingen. Dat is volgens deze vakbond een ondoenlijk aantal.

Het maximale aantal leerlingen in het reguliere primair en voortgezet onderwijs zou met ingang van het volgende schooljaar 28 per klas moeten bedragen. Het maximumaantal zou in de jaren daarna moeten worden afgebouwd naar 24 leerlingen per klas.

Om dit te bewerkstelligen, heeft LiA het burgerinitiatief Stop de overvolle klassen gelanceerd. Een dergelijk initiatief moet door de Tweede Kamer in behandeling worden genomen als minimaal 40.000 mensen het ondersteunen.

Klassen nauwelijks gegroeid
Het burgerinitiatief volgt op een recent onderzoek van de Algemene Onderwijsbond (AOb), waaruit blijkt dat het gemiddelde aantal leerlingen per klas in het reguliere onderwijs nauwelijks is toegenomen, terwijl in het speciaal onderwijs de gemiddelde groepsgrootte licht is gedaald.

Het gaat volgens LiA echter niet om de gemiddelde klassenomvang, maar om de uitschieters.

Gemiddelde groepsgrootte nauwelijks gestegen

De gemiddelde groepsomvang in het basis- en voortgezet onderwijs is nauwelijks gestegen ten opzichte van het afgelopen schooljaar. In het speciaal onderwijs nam de gemiddelde groepsgrootte af. Dat blijkt uit onderzoek van de Algemene Onderwijsbond (AOb).

De gemiddelde groepsomvang in het basisonderwijs is dit schooljaar 25,7 leerlingen, terwijl dat vorig jaar 25,6 leerlingen was. In het voortgezet onderwijs telt de gemiddelde klas nu 26,3 leerlingen, terwijl het er vorig jaar gemiddeld 26 waren. In het speciaal onderwijs is een daling te zien van gemiddeld 12,9 naar 12,7 leerlingen.

Uit het AOb-onderzoek blijkt dat leraren in het basisonderwijs het liefst klassen van 22 à 23 leerlingen hebben. Dat is dus wat minder dan het huidige gemiddelde. Zogenoemde oversized klassen met meer dan 30 leerlingen komen met 19 procent het vaakst voor in basisscholen met meer dan 500 leerlingen.