Jeroen Dijsselbloem legt nadruk op kansengelijkheid

Jeroen Dijsselbloem geeft het onderwijs vier nieuwe adviezen, zo vertelt hij in een gesprek met NRC. Hij benadrukt het belang van kansengelijkheid.

Het is ruim tien jaar geleden dat het rapport verscheen van de parlementaire commissie onder leiding van toen nog PvdA-Tweede Kamerlid Jeroen Dijsselbloem. De commissie had onderzoek gedaan naar onderwijsvernieuwingen die in de 20 jaar daarvoor waren ingevoerd, zoals de basisvorming, het studiehuis en het vmbo.

Aanleiding voor het onderzoek was de aanhoudende kritiek op deze vernieuwingen en de wijze waarop ze werden ingevoerd. De conclusie van de parlementaire commissie was dat de vernieuwingen van bovenaf waren ingevoerd, zonder voldoende rekening te houden met draagvlak in het onderwijs zelf.

Vier nieuwe adviezen

Dijsselbloem laat ruim tien jaar na dato zijn licht schijnen over het advies van de commissie die naar hem werd genoemd en kijkt naar hoe het onderwijs er nu voorstaat. Hij geeft in NRC vier vervolgadviezen:

  1. De overheid moet beter letten op de kwaliteit van het onderwijs en het onderwijsstelsel bewaken. Dat moet ‘compleet en samenhangend’ zijn. Kansengelijkheid kan worden bevorderd door brede scholengemeenschappen, brede brugklassen, latere selectie en soepele doorstroom.
  2. Het onderwijs moet leerlingen blijven toetsen. Doordat toetsen worden afgeschaft en de Cito-toets minder bepalend is, gaat de lat omlaag. Bovendien lopen vooral leerlingen met een migratieachtergrond het risico dat zij vanwege vooroordelen van leraren minder kansen krijgen nu objectieve toetsen terrein verliezen.
  3. Pas op voor onderwijsgoeroes, want hun ideeën zijn vaak buitengewoon zwak onderbouwd. Vernieuwingen moeten zijn gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek, net zoals dat het geval is buiten het onderwijs.
  4. Verhoog de lat. Dat kan door voortdurend te investeren in leraren en methoden.

Lees meer…

Nog meer bezuinigingen voorlopig buiten beeld

Minister Jeroen Dijsselbloem van Financiën heeft laten weten dat er dit jaar en in 2015 niet extra bezuinigd hoeft te worden. Hij zei dat dinsdag na de bekendmaking van de jongste economische cijfers van het Centraal Planbureau (CPB).

Tegen het Algemeen Nederlands Persbureau (ANP) zei Dijsselbloem dat de CPB-cijfers laten zien dat Nederland herstelt van de crisis. ‘De groei trekt aan, het begrotingstekort loopt terug en de werkloosheid daalt in 2015. De koopkracht in 2014 en daarna blijft aantrekken.’ De economische groei komt naar verwachting van het CPB dit jaar uit op 0,75 procent en in 2015 op 1,25 procent.

Hij waarschuwde echter ook voor te hooggespannen verwachtingen, omdat ‘we er nog niet zijn’. Zo stijgt dit jaar de werkloosheid nog en zijn er risico’s, zoals de huidige crisis in Oekraïne en de mogelijke negatieve economische gevolgen daarvan op Nederland.

Bovendien blijft er voorlopig sprake van een begrotingstekort, hoewel dat wel onder de Europese maximumgrens van 3 procent zakt. Het CPB verwacht dat het tekort dit jaar daalt tot 2,9 procent en in 2015 tot 2,1 procent.

Buiten schot
Het onderwijs is tot nu toe bij de bezuinigingen redelijk buiten schot gebleven, vergeleken met andere sectoren zoals de zorg en defensie. Dat heeft te maken met het feit dat het onderwijs een essentiële voorwaarde is voor het behoud van de economische kracht van Nederland.

In het zogenoemde Herfstakkoord maakte het kabinet met de constructieve oppositie van D66, ChristenUnie en SGP afspraken over extra geld voor onderwijs. Minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker van OCW maakten maandag in een brief aan de Tweede Kamer bekend hoe het Herfstakkoord is ingevuld.

Wat heeft commissie-Dijsselbloem opgeleverd?

Heeft het parlementaire onderzoek naar onderwijsvernieuwingen geleid tot een structurele verandering van de onderwijspolitiek? De Vaste Kamercommissie voor OCW heeft de Onderwijsraad gevraagd daar onderzoek naar te doen.

In 2007 deed een parlementaire commissie onder leiding van toenmalig PvdA-Kamerlid Jeroen Dijsselboem onderzoek naar onderwijsvernieuwingen die in de 20 jaar daarvoor waren ingevoerd, zoals de basisvorming, het studiehuis en het vmbo.

Aanleiding voor het onderzoek was de aanhoudende kritiek op deze vernieuwingen en de wijze waarop ze werden ingevoerd. De conclusie van de parlementaire commissie was dat onderwijsvernieuwingen van bovenaf waren ingevoerd, zonder voldoende rekening te houden met draagvlak in het onderwijs zelf.

De Vaste Kamercommissie voor OCW wil nu weten of de conclusies en aanbevelingen van de commissie-Dijsselbloem hebben geleid ‘tot een structurele verandering van de onderwijspolitiek, uitmondend in een groter maatschappelijk vertrouwen in de kwaliteit van het onderwijs en een grotere betrokkenheid van de actoren in het veld’.

Een belangrijke vraag hierbij is hoe het onderwijsbeleid kan ‘balanceren tussen centrale sturing en decentrale autonomie met het oog op het realiseren van duurzame onderwijskwaliteit’.

De Onderwijsraad verwacht dat het onderzoek in het eerste kwartaal van 2014 wordt afgerond.