Variatie groeit: meer grote en meer kleine klassen

Het aantal grote klassen in het basisonderwijs neemt toe, maar dat geldt ook voor het aantal kleine klassen. Dat stelt het ministerie van OCW in reactie op een bericht in het Algemeen Dagblad dat het aantal grote klassen met 26 leerlingen of meer toeneemt.

De krant kopt Steeds meer kinderen in plofklassen. Daarvoor zegt het AD zich te baseren op informatie van het ministerie van OCW waaruit zou blijken dat het aantal klassen met 26 leerlingen of meer in de afgelopen vijf jaar met 5 procent is toegenomen. Ruim één op de drie klassen telt 26 kinderen of meer.

Tegelijkertijd constateert het AD dat de gemiddelde klassengrootte al jaren rond de 23 leerlingen ligt en dus niet toeneemt. Dat komt doordat er meer grote klassen en ook meer kleine klassen zijn gekomen. Boven het bericht van het AD had dus ook ‘Steeds meer kinderen in miniklassen’ kunnen staan, maar wellicht past dit minder goed bij de kritische blik die eigen is aan de journalistiek.

Steeds meer scholen kiezen voor innovatie lesmethodes, waarbij zij de traditionele klas loslaten. Daarbij kunnen grotere maar ook kleinere klassen ontstaan, waardoor het gemiddelde stabiel blijft.

Nederlandse scholen hebben grote klassen

In Nederland zijn de gemiddelde omvang van de klassen en het gemiddelde aantal leerlingen per leraar aanmerkelijk groter dan het gemiddelde in de Europese Unie. Dat blijkt uit de publicatie Education at a glance 2017 van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

De gemiddelde klas in het basisonderwijs in Nederland telt 23 leerlingen, terwijl het gemiddelde in de 22 landen die zowel lid zijn van de Europese Unie als de OESO 20 leerlingen bedraagt. In Luxemburg zijn de klassen met gemiddeld 15 leerlingen het kleinst, in Groot-Brittannië met gemiddeld 27 leerlingen het grootst.

Als wordt gekeken naar het aantal leerlingen per onderwijsgevende, dan zit het Nederlandse basisonderwijs met 17 ook boven het Europese gemiddelde (15). Ook hier scoort Luxemburg met 11 leerlingen per leerkracht het beste, samen met Polen en Hongarije. In Frankrijk en Tsjechië is het gemiddelde aantal leerlingen per leerkracht met 19 het hoogst.

In het voortgezet onderwijs is het gemiddelde aantal leerlingen per leraar met 17 het hoogste als wordt gekeken naar de 22 lidstaten van zowel de EU als de OESO. In Oostenrijk heeft een leraar in het voortgezet onderwijs gemiddeld maar 9 leerlingen in de klas. In EU-landen België, Luxemburg, Polen en Portugal ligt dit op gemiddeld 10.

In EAG wordt het salaris van leraren vergeleken met werknemers met een gelijk opleidingsniveau (‘relatieve salaris van leraren’). De OESO concludeert dat de salarissen van leraren in Nederland in alle fases van hun carrière weliswaar boven het OESO-gemiddelde liggen, maar dat het salaris op alle niveaus achterblijft bij werknemers met een gelijk opleidingsniveau.

Lerarensalarissen en lesuren

De OESO signaleert verder dat Nederlandse leraren relatief weinig verdienen vergeleken met mensen in andere beroepsgrepen die een vergelijkbaar opleidingsniveau hebben. Dat verschil is in Nederland groter dan in andere landen. Maar de lerarensalarissen in basis- en voortgezet onderwijs in Nederland zijn aanzienlijk hoger dan het OESO-gemiddelde.

Het aantal lesuren dat leraren in Nederland lesgeven is ook een stuk hoger dan het OESO-gemiddelde. In het Nederlandse basisonderwijs ligt het aantal lesuren op 930, terwijl het OESO-gemiddelde 794 lesuren bedraagt. De 750 lesuren in het Nederlandse voortgezet onderwijs ligt 100 uren hoger dan het gemiddelde van de OESO-lidstaten.

‘Verkleinen van klassen weinig effectief’

Het substantieel verkleinen van de klassen kan tot betere leerprestaties leiden, maar het is effectiever en efficiënter om andere maatregelen te nemen. Dat schrijft demissionair staatssecretaris Sander Dekker van OCW in reactie op vragen uit de Tweede Kamer.

Dekker wijst er in zijn reactie op dat het pas effect heeft op de kwaliteit van het onderwijs als de klassen met zeven leerlingen worden verkleind. Dat is volgens hem te duur. Bovendien zijn er dan meer leerkrachten nodig en die zijn niet te vinden.

Het is volgens hem beter om maatregelen te nemen die bijvoorbeeld betrekking hebben op de heterogeniteit van groepen of de hoeveelheid zorgleerlingen in de klas. Ook kan het volgens hem goed zijn om te kijken naar de gehanteerde onderwijsmethodiek, zoals klassikaal versus geïndividualiseerd onderwijs.

Hij noemt tevens het (didactisch) repertoire van de docent, bijvoorbeeld ten aanzien van klassenmanagement, en de eventuele inzet van klassenassistenten.

Lees meer…

Petitie tegen overvolle klassen 45.000 keer ondertekend

De petitie van de vakbond Leraren In Actie tegen overvolle klassen in het primair en voortgezet onderwijs is 45.000 keer ondertekend.

De petitie is maandagmiddag aangeboden aan de Tweede Kamer. Dat gebeurde in een glazen klaslokaal dat hiervoor speciaal was neergezet op Het Plein bij de Tweede Kamer.

Leerlingen uit Den Haag kregen in dit speciale lokaal les van Amerika-deskundige Willem Post en de Kamerleden Peter Kwint (SP) en Paul van Meenen (D66).

Lees meer…

Lerarenvakbond weer in actie voor kleinere klassen

De vakbond Leraren In Actie voert opnieuw een handtekeningenactie tegen grote klassen in het voortgezet onderwijs. Dat deed LIA in 2013 ook al.

De actie in 2013 leidde volgens LIA weliswaar tot veel media-aandacht, maar niet tot het gewenste resultaat. ‘Helaas wilde een meerderheid van de Tweede Kamer de omvang van het probleem niet echt zien. Sinds die tijd staat het woord ‘plofklas’ in de Dikke Van Dale, maar de politiek begrijpt het nog niet’, zo staat op de website van LIA.

Lees meer…

Kleine klas kan als groot worden ervaren en andersom

‘Of een klas al dan niet als te groot wordt ervaren, hangt niet alleen samen met de feitelijke groepsgrootte.’ Dat benadrukt staatssecretaris Sander Dekker van OCW in antwoord op Kamervragen de SP.

De SP’ers Jasper van Dijk en Tjitske Siderius wilden van Dekker weten hoe hij denkt over het bericht dat scholieren in het voortgezet onderwijs ‘nog steeds last hebben’ van grote klassen. De SP baseerde zich op een EenVandaag-onderzoek.

Dekker stelt dat leerlingen relatief kleine klassen als groot kunnen ervaren en andersom. Dat hangt volgens hem niet alleen samen met de feitelijke groepsgrootte, maar ook met bijvoorbeeld de didactische invulling van de les, de pedagogisch-didactische vaardigheden van de docent en de mate waarin de leerlingen geconcentreerd en gemotiveerd zijn.

Uit het EenVandaag-onderzoek kwam weliswaar naar voren dat 30 procent van de leerlingen in het voortgezet onderwijs aangaf in een klas te zitten met meer leerlingen dan vorig jaar. Uit datzelfde onderzoek bleek echter ook dat 35 procent van de respondenten in een klas zit met hetzelfde aantal leerlingen en 33 procent met minder leerlingen dan vorig jaar. Het lijkt er dus op dat SP selectief gebruik heeft gemaakt  van het onderzoek.

Genoeg handtekeningen voor kleinere klassen

Leraren In Actie (LIA) heeft dinsdagmiddag in de Tweede Kamer bijna 47.000 handtekeningen aangeboden van mensen die net als deze onderwijsbond willen dat de klassen kleiner worden.

Met de bijna 47.000 handtekeningen voldoet LIA ruimschoots aan het minimumaantal van 40.000 handtekeningen voor een zogenoemde burgerinitiatief. Dit betekent dat de Tweede Kamer het initiatief voor kleinere klassen in behandeling moet nemen.

LIA wil dat er maatregelen worden genomen om de klassen kleiner te maken. Dit moet volgens de organisatie gebeuren door het maximumaantal leerlingen per klas in het reguliere onderwijs met ingang van het schooljaar 2014-2015 terug te brengen naar 28. Vervolgens wil LIA dit in drie jaar afbouwen naar maximaal 24.

Staatssecretaris Sander Dekker heeft de Tweede Kamer laten weten dat hij niets ziet in  een maximumaantal leerlingen per klas. Er komt wat hem betreft overigens ook niet een minimumaantal. Hij laat het aan de scholen zelf over hoe groot de klassen zijn.

Dekker telt minder grote klassen dan AOb

De klassen zijn volgens staatssecretaris Sander Dekker van OCW kleiner dan de Algemene Onderwijsbond (AOb) suggereert.

De AOb meldt op basis van een enquête dat een op de vijf leerkrachten op grote scholen een groep heeft van meer dan 30 leerlingen. Dekker zegt dat maar één op de veertien groepen meer dan 30 leerlingen heeft. De gemiddelde klas telt volgens gegevens van het ministerie van OCW 23,3 leerlingen.

Nog grotere verschillen zitten er tussen de cijfers als het gaat om groepen met meer dan 28 leerlingen op scholen met 200 tot 500 kinderen. Volgens de AOb heeft 40 procent van de groepen meer dan 28 leerlingen. OCW komt hier uit op 17 procent.

De verschillen zijn mogelijk te verklaren uit het feit dat Dekker een representatieve steekproef heeft genomen uit alle scholen, terwijl de AOb zich baseert op wat leraren melden. Het is goed mogelijk dat vooral leraren met veel leerlingen op de enquête hebben gereageerd.

Dekker laat aan de Tweede Kamer weten geen aanleiding te zien om een bovengrens van het aantal leerlingen per klas in te stellen. Er komt ook geen ondergrens. Hij wil het aan de scholen zelf overlaten hoe groot de klassen zijn.

Burgerinitiatief ‘Stop de overvolle klassen’

De vakbond Leraren in Actie (LiA) heeft een burgerinitiatief gelanceerd om het maximumaantal leerlingen per klas in het reguliere onderwijs omlaag te brengen naar 28.

LiA signaleert dat er steeds meer grote klassen zijn met soms wel 36 leerlingen. Dat is volgens deze vakbond een ondoenlijk aantal.

Het maximale aantal leerlingen in het reguliere primair en voortgezet onderwijs zou met ingang van het volgende schooljaar 28 per klas moeten bedragen. Het maximumaantal zou in de jaren daarna moeten worden afgebouwd naar 24 leerlingen per klas.

Om dit te bewerkstelligen, heeft LiA het burgerinitiatief Stop de overvolle klassen gelanceerd. Een dergelijk initiatief moet door de Tweede Kamer in behandeling worden genomen als minimaal 40.000 mensen het ondersteunen.

Klassen nauwelijks gegroeid
Het burgerinitiatief volgt op een recent onderzoek van de Algemene Onderwijsbond (AOb), waaruit blijkt dat het gemiddelde aantal leerlingen per klas in het reguliere onderwijs nauwelijks is toegenomen, terwijl in het speciaal onderwijs de gemiddelde groepsgrootte licht is gedaald.

Het gaat volgens LiA echter niet om de gemiddelde klassenomvang, maar om de uitschieters.

Gemiddelde groepsgrootte nauwelijks gestegen

De gemiddelde groepsomvang in het basis- en voortgezet onderwijs is nauwelijks gestegen ten opzichte van het afgelopen schooljaar. In het speciaal onderwijs nam de gemiddelde groepsgrootte af. Dat blijkt uit onderzoek van de Algemene Onderwijsbond (AOb).

De gemiddelde groepsomvang in het basisonderwijs is dit schooljaar 25,7 leerlingen, terwijl dat vorig jaar 25,6 leerlingen was. In het voortgezet onderwijs telt de gemiddelde klas nu 26,3 leerlingen, terwijl het er vorig jaar gemiddeld 26 waren. In het speciaal onderwijs is een daling te zien van gemiddeld 12,9 naar 12,7 leerlingen.

Uit het AOb-onderzoek blijkt dat leraren in het basisonderwijs het liefst klassen van 22 à 23 leerlingen hebben. Dat is dus wat minder dan het huidige gemiddelde. Zogenoemde oversized klassen met meer dan 30 leerlingen komen met 19 procent het vaakst voor in basisscholen met meer dan 500 leerlingen.