Medezeggenschapsraad moet adviseren over groepsgrootte

Schoolbesturen van basisscholen moeten voortaan de medezeggenschapsraad om advies vragen als het gaat om het beleid met betrekking tot groepsgrootte. Onderwijsminister Arie Slob heeft in de Tweede Kamer gezegd dat hij de Wet medezeggenschap op scholen (WMS) op dit punt gaat aanpassen.

‘Op deze manier zorgen we ervoor dat leraren en ouders echt kunnen meepraten over de groepsgrootte’, aldus Slob. Hij benadrukte dat het advies dat de medezeggenschapsraad moet gaan geven, niet vrijblijvend is. Als een schoolbestuur het advies naast zich neerlegt, dan kan de MR naar een geschillencommissie.

De minister denkt dat met de wetswijziging het probleem wordt weggenomen dat leraren en ouders zich overvallen voelen door besluiten van het schoolbestuur. ‘Dit moet het gesprek tussen besturen en leraren op gang brengen’, aldus Slob.

Lees meer…

Nog veel onduidelijk

De PO-Raad stelt dat er nog veel onduidelijk is over het plan van Slob. de sectororganisatie wil met hem in gesprek over de voorgenomen wetswijziging.

Lees meer…

Klassengrootte al jaren stabiel, aantal ‘plofklassen’ daalt

Het aantal groepen in het basisonderwijs met meer dan 30 leerlingen is vorig jaar met 2 procentpunt afgenomen ten opzichte van 2016, meldt onderwijsminister Arie Slob in reactie op Kamervragen van GroenLinks, SP, PvdA en Partij voor de Dieren (PvdD).

De Kamerleden Lisa Westerveld (GroenLinks), Peter Kwint (SP), Kirsten van den Hul (PvdA) en Lammert van Raan (PvdD) stelden hun vragen aan de minister naar aanleiding van het bericht Steeds meer kinderen in ‘plofklassen’ in het AD. In dat bericht stond dat het aantal ‘grote’ klassen de afgelopen jaren met 5 procent is gestegen.

Slob weerspreekt dit:  ‘Indien ‘groepen met meer dan 30 leerlingen’ wordt gehanteerd als definitie voor ‘grotere klassen’, dan zitten in 2017 minder leerlingen in grotere klassen dan in de zes jaar daarvoor’, zo staat in zijn antwoorden.

Ruim twee op de drie groepen heeft minder dan 26 leerlingen, terwijl nog niet één op de 300 klassen 35 leerlingen of meer telt. De gemiddelde klassengrootte in het basisonderwijs in 2017 bedroeg 23,1 leerlingen. Dat aantal is al jaren min of meer stabiel.

Lees meer…

Variatie groeit: meer grote en meer kleine klassen

Het aantal grote klassen in het basisonderwijs neemt toe, maar dat geldt ook voor het aantal kleine klassen. Dat stelt het ministerie van OCW in reactie op een bericht in het Algemeen Dagblad dat het aantal grote klassen met 26 leerlingen of meer toeneemt.

De krant kopt Steeds meer kinderen in plofklassen. Daarvoor zegt het AD zich te baseren op informatie van het ministerie van OCW waaruit zou blijken dat het aantal klassen met 26 leerlingen of meer in de afgelopen vijf jaar met 5 procent is toegenomen. Ruim één op de drie klassen telt 26 kinderen of meer.

Tegelijkertijd constateert het AD dat de gemiddelde klassengrootte al jaren rond de 23 leerlingen ligt en dus niet toeneemt. Dat komt doordat er meer grote klassen en ook meer kleine klassen zijn gekomen. Boven het bericht van het AD had dus ook ‘Steeds meer kinderen in miniklassen’ kunnen staan, maar wellicht past dit minder goed bij de kritische blik die eigen is aan de journalistiek.

Steeds meer scholen kiezen voor innovatie lesmethodes, waarbij zij de traditionele klas loslaten. Daarbij kunnen grotere maar ook kleinere klassen ontstaan, waardoor het gemiddelde stabiel blijft.

Nederlandse scholen hebben grote klassen

In Nederland zijn de gemiddelde omvang van de klassen en het gemiddelde aantal leerlingen per leraar aanmerkelijk groter dan het gemiddelde in de Europese Unie. Dat blijkt uit de publicatie Education at a glance 2017 van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

De gemiddelde klas in het basisonderwijs in Nederland telt 23 leerlingen, terwijl het gemiddelde in de 22 landen die zowel lid zijn van de Europese Unie als de OESO 20 leerlingen bedraagt. In Luxemburg zijn de klassen met gemiddeld 15 leerlingen het kleinst, in Groot-Brittannië met gemiddeld 27 leerlingen het grootst.

Als wordt gekeken naar het aantal leerlingen per onderwijsgevende, dan zit het Nederlandse basisonderwijs met 17 ook boven het Europese gemiddelde (15). Ook hier scoort Luxemburg met 11 leerlingen per leerkracht het beste, samen met Polen en Hongarije. In Frankrijk en Tsjechië is het gemiddelde aantal leerlingen per leerkracht met 19 het hoogst.

In het voortgezet onderwijs is het gemiddelde aantal leerlingen per leraar met 17 het hoogste als wordt gekeken naar de 22 lidstaten van zowel de EU als de OESO. In Oostenrijk heeft een leraar in het voortgezet onderwijs gemiddeld maar 9 leerlingen in de klas. In EU-landen België, Luxemburg, Polen en Portugal ligt dit op gemiddeld 10.

In EAG wordt het salaris van leraren vergeleken met werknemers met een gelijk opleidingsniveau (‘relatieve salaris van leraren’). De OESO concludeert dat de salarissen van leraren in Nederland in alle fases van hun carrière weliswaar boven het OESO-gemiddelde liggen, maar dat het salaris op alle niveaus achterblijft bij werknemers met een gelijk opleidingsniveau.

Lerarensalarissen en lesuren

De OESO signaleert verder dat Nederlandse leraren relatief weinig verdienen vergeleken met mensen in andere beroepsgrepen die een vergelijkbaar opleidingsniveau hebben. Dat verschil is in Nederland groter dan in andere landen. Maar de lerarensalarissen in basis- en voortgezet onderwijs in Nederland zijn aanzienlijk hoger dan het OESO-gemiddelde.

Het aantal lesuren dat leraren in Nederland lesgeven is ook een stuk hoger dan het OESO-gemiddelde. In het Nederlandse basisonderwijs ligt het aantal lesuren op 930, terwijl het OESO-gemiddelde 794 lesuren bedraagt. De 750 lesuren in het Nederlandse voortgezet onderwijs ligt 100 uren hoger dan het gemiddelde van de OESO-lidstaten.

Nieuw initiatief voor maximumaantal kinderen per klas

SP en D66 willen bij wet vastleggen dat klassen in het basisonderwijs maximaal 29 leerlingen mogen hebben. Het gemiddelde zou in de loop van de tijd omlaag moeten naar 23. De socialisten en liberaal-democraten komen in aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen in maart 2017 met een gezamenlijke initiatiefwet die dit moet regelen.

Het is al eerder geprobeerd om het maximum te verbinden aan klassen in het basisonderwijs, onder andere door door SP-Kamerlid Tjitske Siderius. Ook was er het burgerinitiatief Stop de overvolle klassen van de vakbond Leraren in Actie.

Deze initiatieven strandden in de Tweede Kamer. Staatssecretaris Sander Dekker van OCW liet in april van dit jaar in de Kamer weten dat hij geen maximumgrens aan het aantal leerlingen per klas zal stellen.

Omvang klas niet van bovenaf bepalen

Dekker wees er toen op dat de grootte van de klas niet per definitie invloed heeft op de kwaliteit van het onderwijs. Hij noemde die veronderstelling ‘een karikatuur’ en benadrukte dat de politiek in Den Haag niet van bovenaf met een maximumnorm moet komen. Een meerderheid in de Tweede Kamer steunde hem op dit punt.

PvdA-Tweede Kamerlid Loes Ypma zei dat ze klassen met meer dan 30 leerlingen ‘moeilijk uit te leggen’ vindt, maar ze zei ook dat als scholen daar een goede reden voor hebben ze voor grote klassen mogen kiezen. Karin Straus van de VVD zei dat het beter is om te investeren in de kwaliteit van leraren dan in kleine klassen. D66’er Paul van Meenen merkte op dat het bij het bestrijden van ‘plofklassen’ niet alleen gaat om extra geld, maar ook om minder regels en betere medezeggenschap voor ouders en leraren.

De PO-Raad noemde het burgerinitiatief ‘sympathiek’, maar zei ook het een taak van scholen te vinden en niet van de overheid om te besluiten over de grootte van klassen. ‘Groepsgrootte is immers maatwerk op schoolniveau’, aldus de sectororganisatie. VOS/ABB is het hiermee eens.

Ook AOb wil geen wettelijk maximum

De Algemene Onderwijsbond (AOb) liet weten weliswaar voor kleinere klassen te zijn, maar wilde ook geen maximum, dat bij de vorige poging op 23 was gesteld. ‘Als we 23 als maximum zouden eisen en leerling 24 meldt zich, dan moet een school de groep dus gaan splitsen, bijvoorbeeld tot twee keer twaalf. Met het risico dat een school financieel in de problemen komt. Dat moeten we niet willen’, aldus AOb-voorzitter Liesbeth Verheggen.

Ondanks alle bezwaren uit het onderwijs zelf en uit de politiek, onderneemt de SP nu met steun van D66 opnieuw een poging om bij wet vast te leggen dat er in het basisonderwijs een maximumaantal leerlingen per klas moet worden ingevoerd.

Dekker telt minder grote klassen dan AOb

De klassen zijn volgens staatssecretaris Sander Dekker van OCW kleiner dan de Algemene Onderwijsbond (AOb) suggereert.

De AOb meldt op basis van een enquête dat een op de vijf leerkrachten op grote scholen een groep heeft van meer dan 30 leerlingen. Dekker zegt dat maar één op de veertien groepen meer dan 30 leerlingen heeft. De gemiddelde klas telt volgens gegevens van het ministerie van OCW 23,3 leerlingen.

Nog grotere verschillen zitten er tussen de cijfers als het gaat om groepen met meer dan 28 leerlingen op scholen met 200 tot 500 kinderen. Volgens de AOb heeft 40 procent van de groepen meer dan 28 leerlingen. OCW komt hier uit op 17 procent.

De verschillen zijn mogelijk te verklaren uit het feit dat Dekker een representatieve steekproef heeft genomen uit alle scholen, terwijl de AOb zich baseert op wat leraren melden. Het is goed mogelijk dat vooral leraren met veel leerlingen op de enquête hebben gereageerd.

Dekker laat aan de Tweede Kamer weten geen aanleiding te zien om een bovengrens van het aantal leerlingen per klas in te stellen. Er komt ook geen ondergrens. Hij wil het aan de scholen zelf overlaten hoe groot de klassen zijn.

Burgerinitiatief ‘Stop de overvolle klassen’

De vakbond Leraren in Actie (LiA) heeft een burgerinitiatief gelanceerd om het maximumaantal leerlingen per klas in het reguliere onderwijs omlaag te brengen naar 28.

LiA signaleert dat er steeds meer grote klassen zijn met soms wel 36 leerlingen. Dat is volgens deze vakbond een ondoenlijk aantal.

Het maximale aantal leerlingen in het reguliere primair en voortgezet onderwijs zou met ingang van het volgende schooljaar 28 per klas moeten bedragen. Het maximumaantal zou in de jaren daarna moeten worden afgebouwd naar 24 leerlingen per klas.

Om dit te bewerkstelligen, heeft LiA het burgerinitiatief Stop de overvolle klassen gelanceerd. Een dergelijk initiatief moet door de Tweede Kamer in behandeling worden genomen als minimaal 40.000 mensen het ondersteunen.

Klassen nauwelijks gegroeid
Het burgerinitiatief volgt op een recent onderzoek van de Algemene Onderwijsbond (AOb), waaruit blijkt dat het gemiddelde aantal leerlingen per klas in het reguliere onderwijs nauwelijks is toegenomen, terwijl in het speciaal onderwijs de gemiddelde groepsgrootte licht is gedaald.

Het gaat volgens LiA echter niet om de gemiddelde klassenomvang, maar om de uitschieters.