Hoe werkt ‘Je eigen leeromgeving’ in de praktijk?

De afkorting Jeelo staat voor ‘Je eigen leeromgeving’. Dit is een initiatief van het openbaar basisonderwijs in Oost-Brabant, dat zelf aan het roer staat om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren.

Jeelo doorbreekt de versnippering en de aanbodgerichtheid die zo kenmerkend zijn voor veel educatieve uitgeverijen en andere leveranciers. Scholen die meedoen aan Jeelo, vormen met elkaar een community.

Dit schooljaar zijn er weer regiobijeenkomsten waarop u zich kunt oriënteren op dit vernieuwende concept.

Zelfevaluatie kwaliteitsborging schoolexaminering

De VO-raad stelt een zelfevaluatie-instrument beschikbaar waarmee scholen voor voortgezet onderwijs kunnen zien of de kwaliteit van hun (school)examinering wel geborgd is. Ook zijn checklists beschikbaar voor het examenreglement en het PTA (programma van toetsing en afsluiting).

Het Zelfevaluatie-instrument Kwaliteitsborging Schoolexaminering is bedoeld voor schoolleiders en -bestuurders. Zij kunnen het gebruiken om na te gaan of de processen rondom de schoolexamens zijn ingericht volgens wet- en regelgeving en of de procedures correct verlopen.

In deze zelfevaluatie ligt de focus op het schoolexamen (als onderdeel van het eindexamen), maar het instrument kan ook worden gebruikt bij het centraal examen.

Daarnaast kunnen scholen voor voortgezet onderwijs gebruikmaken van de Checklist examenreglement en de Checklist PTA.

Examendebacle VMBO Maastricht

Directe aanleiding voor het beschikbaar stellen van het zelfevaluatie-instrument en de checklists, was het examendebacle bij VMBO Maastricht van de Stichting Limburgs Voortgezet Onderwijs (LVO). De Inspectie van het Onderwijs verklaarde daar alle eindexamens ongeldig, omdat geen enkele leerling examen had mogen doen.

Leraren kunnen weer geld krijgen voor goede ideeën

Ook in het schooljaar 2018-2019 kunnen leraren in het basis-, voortgezet en speciaal onderwijs weer een aanvraag indienen bij het LerarenOntwikkelFonds voor het uitwerken van goede ideeën.

Het moeten vernieuwende ideeën zijn over de eigen professionalisering die de kwaliteit van het onderwijs stimuleren. Leraren selecteren zelf de ideeën en beoordelen ze, helpen elkaar bij de uitvoering ervan en delen de opgedane kennis. De minimale bijdrage is 4000 euro, de maximale bijdrage 75.000 euro.

In schooljaar 2018-2019 zijn er drie aanvraagrondes:

  • 13 augustus 2018 tot 17 september 2018
  • 18 september 2018 tot 22 januari 2019
  • 23 januari 2019 tot 16 april 2019

Lees meer…

Inspectie mag geen richting geven aan kwaliteit

Het behoort niet tot de taak van de Inspectie van het Onderwijs om richting te geven aan kwaliteit. Dat stelt directeur Hans Teegelbeckers van VOS/ABB in het licht van de nieuwe onderzoekskaders van de inspectie, die per 2 juli in werking moeten treden.

Hij benadrukt dat het de taak van de Inspectie van het Onderwijs is om te controleren of scholen voldoen aan deugdelijkheidseisen die aan hen zijn gesteld. ‘Het verder oprekken van de bevoegdheid van de inspectie om richting te geven aan kwaliteit, valt buiten het taakgebied zoals de wetgever dat heeft bedoeld’, aldus Teegelbeckers.

Deze stellingname die hij namens VOS/ABB inneemt, sluit aan bij die van de christelijke profielorganisatie Verus. Die benadrukt in het kader van de voorgestelde waardering ‘goed’, dat de scheiding tussen de toezichthoudende en stimulerende rol van de inspectie vervaagt.

Lees meer…

Sombere leraren balen van kabinet met D66

De kwaliteit van het onderwijs holt achteruit en dat komt door de slechte salarissen. Dat vinden leraren, zo blijkt uit een raadpleging van het Onderwijspanel van de Nationale Onderwijs Tentoonstelling (NOT).

Uit de raadpleging onder 1500 onderwijsprofessionals in het Onderwijspanel van de NOT komt naar voren dat het onderwijsbeleid van het huidige kabinet – met ‘onderwijspartij’ D66 – slechter wordt gevonden dan dat van het vorige kabinet van VVD en PvdA.

Driekwart heeft er weinig vertrouwen in dat er op korte termijn kleinere klassen komen. Ook zien zes van de tien respondenten hun salarissen de komende jaren niet omhoog gaan. Dat laatste staat in contrast met de nieuwe CAO PO, waarmee de leraren in het primair onderwijs er gemiddeld 8,5 procent op vooruit gaan.

Sectorakkoord voortgezet onderwijs geactualiseerd

Het geactualiseerde sectorakkoord voortgezet onderwijs bouwt voort op het Sectorakkoord 2014-2017 – Klaar voor de toekomst, samen werken aan onderwijskwaliteit.

Het geactualiseerde sectorakkoord zet voor de komende jaren in op zeven ambities. Hieronder kunt u zien welke ambities dat zijn. Er staat kort bij vermeld wat de doelstelling zoal inhoudt. Voor de volledige beschrijving kunt u het geactualiseerde sectorakkoord downloaden.

  • Ambitie 1. Uitdagend onderwijs voor elke leerling
    Alle leerlingen worden – via vormen van onderwijs op maat – uitgedaagd in het onderwijs. Het landelijk percentage zittenblijvers is in 2020 gedaald van 5,8 tot 3,8 procent. Vanaf dat jaar zit geen enkel kind langer dan drie maanden thuis zonder passend onderwijs.
  • Ambitie 2. Eigentijdse voorzieningen
    Scholen benutten – in aansluiting op hun curriculum – de mogelijkheden van ICT en eigentijdse leermiddelen optimaal voor hun onderwijs.
  • Ambitie 3. Brede vorming voor alle leerlingen
    Scholen zijn actief aan de slag met de ontwikkeling van hun curriculum, dat recht doet aan de drievoudige opdracht van het onderwijs: kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming. Hiertoe behoort versterking van het burgerschapsonderwijs.
  • Ambitie 4. Partnerschap in de regio
    Schoolbesturen werken in de regio samen aan het realiseren van hun maatschappelijke opdracht en maken hier gezamenlijk afspraken over. Hierbij betrekken zij het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en lokale en regionale overheden.
  • Ambitie 5. Scholen als lerende organisaties
    Het streven is dat het aantal plekken op opleidingsscholen in het voortgezet onderwijs in 2020 met 2200 tot 4000 is toegenomen. Startende leraren en schoolleiders krijgen een effectief inwerk- en begeleidingsprogramma, als onderdeel van het strategisch personeelsbeleid.
  • Ambitie 6. Toekomstbestendigheid organiseren: koppeling van onderwijs- en
    personeelsontwikkeling
    Schoolbesturen stemmen hun personeelsbeleid af op onderwijskundige doelen en daaraan gekoppeld de professionele ontwikkeling en duurzame inzetbaarheid van leraren en schoolleiders.
  • Ambitie 7. Nieuwe verhoudingen in verantwoording en toezicht
    Schoolbesturen hebben hun governance op orde en leggen verantwoording af over de resultaten die zij leveren. Bovendien hebben ze hun kwaliteitszorg op orde en streven ze naar een zo hoog mogelijk niveau boven basiskwaliteit.

Lees meer…

‘Veel leraren schieten tekort op kennis en kwaliteit’

VVD-coryfee Hans Wiegel denkt dat het grootste probleem van het onderwijs bij de leraren zit die volgens hem tekortschieten op kennis en kwaliteit.

Hij stelt dat in een opiniestuk in de Telegraaf, waarin hij onder de kop Hoezo werkdruk en volle klassen? ingaat op het recent verschenen inspectierapport De Staat van het Onderwijs. Wiegel grijpt in zijn verhaal terug op zijn eigen schooltijd, toen hij in een klas met vijftig leerlingen zat.

‘Het was een fijne school met juffen en meesters die hun vak verstonden en voor elke leerling aandacht hadden. Die achterblijvers extra hielpen en de pienterste leerlingen extra werk gaven, omdat ze zich anders zouden vervelen. De inzet was hoog, de aandacht voor de kinderen groot, er werd niet gestaakt’, aldus Wiegel.

Lees meer…

De opinie van Wiegel leidt tot een kritische reactie van onder andere de Onderwijsgroep Zuid-Hollandse Waarden (OZHW) en openbare basisschool ’t Praathuis in Culemborg:

 

VO-raad over De Staat van het Onderwijs: ‘Eenzijdig’

De VO-raad vindt de conclusie van de Inspectie van het Onderwijs dat de kwaliteit van het onderwijs afglijdt ‘eenzijdig en daarmee onterecht’.

De signalering van de inspectie dat de kwaliteit van het onderwijs afglijdt staat in het rapport De Staat van het Onderwijs 2016-2017. Voorzitter Paul Rosenmöller van de VO-raad zegt dat dit ‘ook met dit rapport in de hand’ niet is vol te houden.

‘Al helemaal niet in een tijd dat er geen euro extra geïnvesteerd wordt in leraren in het vo, er nog steeds verkeerde prikkels in het systeem zitten en de maatschappelijke opdracht van scholen alleen maar complexer wordt’, aldus Rosenmöller.

Het beeld dat de inspectie oproept over het voortgezet onderwijs doet volgens hem ‘geen recht aan de mensen in de scholen’ die, zo benadrukt hij, ‘onder moeilijke omstandigheden en met een bescheiden bekostiging’ goede resultaten boeken.

Lees meer…

PO-Raad: Te veel eisen en te weinig waardering

‘Het jarenlang overvragen en onderwaarderen van het primair onderwijs, de lage bekostiging en een beginnend lerarentekort hebben hun tol geëist.’ Daarmee reageert de PO-Raad op de bevinding van de Inspectie van het Onderwijs dat de kwaliteit van het onderwijs afglijdt.

De signalering van de inspectie dat de kwaliteit van het onderwijs afglijdt staat in het rapport De Staat van het Onderwijs 2016-2017. Voor de sectororganisatie is de negatieve ontwikkeling geen groot nieuws, zo blijkt uit de woorden van voorzitter Rina den Besten: ‘Zorgelijk, maar niet heel verrassend.’

Zij ziet het ‘tekort aan bekostiging’ en het ‘groeiend lerarentekort door te lage salarissen’ als oorzaken van de tanende onderwijskwaliteit. Er worden volgens haar ook te veel eisen gesteld: ‘Scholen worstelen met een overladen lesprogramma en hun bordje wordt alsmaar verder vol geschept.’

Den Besten vindt echter ook dat het onderwijs naar zichzelf moet kijken om te zien wat er beter kan. ‘Scherper focus aanbrengen, goed zicht hebben op de eigen kwaliteit, en daarover verantwoording willen afleggen’, aldus de voorzitter van de PO-Raad.

Lees meer…

Ministers over beter onderwijs: schouders eronder!

Verbetering van het onderwijs ligt in handen van ‘ambitieuze leraren, schoolleiders en besturen’, benadrukken de onderwijsministers Ingrid van Engelshoven en Arie Slob in reactie op het inspectierapport De Staat van het Onderwijs 2016-2017

In het rapport van de Inspectie van Onderwijs staat dat de prestaties van leerlingen onder druk staan en dat de kwaliteit van het onderwijs afglijdt. Daarnaast signaleert de inspectie dat ongelijke kansen dreigen en dat grote schoolverschillen worden versterkt door toenemende sociaal-economische segregatie.

Verandering van binnenuit

Voor Van Engelshoven en Slob zijn de conclusies van de inspectie geen reden om diepgaand in te grijpen in de autonomie van scholen. ‘De verandering zal van binnenuit moeten komen, van ambitieuze leraren, schoolleiders en besturen. Zij staan daarin niet alleen. De inspectie en het ministerie werken met hen samen aan constante verbetering van de kwaliteit van het onderwijs’, zo schrijven ze in hun reactie.

De minister voegen daaraan toe dat het onderwijs niet kan worden verbeterd door de scholen ‘opnieuw te overladen met actieplannen en maatregelen, maar door een combinatie van ruimte, vertrouwen en heldere, gerichte doelen’. Ze gaan de komende tijd verder in gesprek met onder andere de PO-Raad en VO-raad ‘om tot een gerichte samenwerking te komen om de kwaliteit van het onderwijs verder te versterken’.

Samen de schouders eronder

Van Engelshoven en Slob verwachten ‘van iederéén in het onderwijs de intrinsieke motivatie om ambitieus onderwijs te bieden’. Ze beloven dat ook zij de schouders eronder zetten ‘door bestaande initiatieven voort te zetten en nieuwe op te pakken’.

Lees meer…

Staat van het Onderwijs: prestaties onder druk

De Inspectie van het Onderwijs signaleert in het rapport De Staat van het Onderwijs 2016-2017 dat de prestaties van leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs over een breed spectrum gelijk blijven of afnemen. Ook op andere punten signaleert de inspectie punten van zorg.

De gelijkblijvende of afnemende prestaties doen zich volgens de inspectie voor bij taal, rekenen, wiskunde, cultuureducatie, natuur en techniek, bewegingsonderwijs en burgerschap. Leerlingen in andere landen doen het gemiddeld beter. Daardoor is ons land zijn internationale toppositie kwijtgeraakt.

Het niveau van de diploma’s laat volgens de inspectie alleen in het vmbo en mbo nog een stijgende lijn zien. In het vmbo neemt het aantal diploma’s in de gemengde of theoretische leerweg toe. In andere sectoren ziet de inspectie geen stijging meer. ‘Het niveau van het hoogst behaalde diploma aan het einde van de schoolloopbaan daalt zelfs iets’, zo staat in het rapport.

Een positief punt is de lage jeugdwerkloosheid in Nederland. Met een afgeronde opleiding in het mbo, het hbo of aan de universiteit hebben jongeren relatief snel een baan. Dat geldt onder andere voor jongeren die in het onderwijs willen gaan werken.

Onderwijskansen en segregatie

De voorwaarden voor gelijke kansen lijken iets te verbeteren, meldt de inspectie. ‘Er zijn meer dubbele adviezen en leerlingen klimmen vaker op binnen het voortgezet onderwijs’, zo staat in het rapport. Toch blijft kansenongelijkheid bestaan, want te zien is aan het feit dat vooral leerlingen in het praktijkonderwijs en beroepsgerichte opleidingen laagopgeleide ouders hebben en vwo’ers vooral hoogopgeleide ouders.

Wat de segregatie betreft, signaleert de inspectie dat die vooral groot is in het basisonderwijs. Het gaat hierbij met name om segregatie naar opleidings- en inkomensniveau van de ouders en minder om etnische segregatie. In het rapport staat verder dat scholen met een bijzonder onderwijsconcept en scholen op religieuze basis bijdragen aan segregatie.

Kwaliteitszorg, autonomie en sturing

De inspectie verbindt de gelijkblijvende en deels afnemende prestaties van leerlingen met de maatschappelijke opdracht aan het onderwijs die steeds meer onder druk staat. ‘Ondanks het grote aantal goede scholen (…) lukt het niet de kwaliteit van het onderwijs voor alle leerlingen (…) te verbeteren’, zo staat in het rapport. Er wordt hierbij een verband gelegd met de autonomie van de scholen, die niet altijd zou worden benut.

Ook noemt de inspectie de hoge werkdruk die in het onderwijs wordt ervaren, het gebrek aan gekwalificeerd personeel op sommige scholen, de discussies over onvoldoende verantwoording en toegenomen tegenstellingen. Andere aspecten die mogelijk negatieve invloed hebben, zijn onvoldoende aandacht voor kwaliteitszorg en verschillende opvattingen over wat goede onderwijskwaliteit inhoudt.

De inspectie ziet ook dat doelen en werkwijzen van gemeentelijke, regionale en landelijke samenwerkingsverbanden of netwerken aanzienlijk van elkaar kunnen verschillen. Veel van deze verbanden en netwerken hebben volgens de inspectie maar weinig doorzettingsmacht. Bovendien ontbreekt het meestal aan tegenkracht en aan consensus over verwachte resultaten.

Download De Staat van het Onderwijs 2016-2017

Interviewtjes met deelnemers

Aan het begin van het congres in de DeFabrique in Utrecht waar het rapport werd gepresenteerd, hield de inspectie korte interviewtjes met deelnemers. Onder anderen directeur Hans Teegelbeckers van VOS/ABB werd gevraagd wat hem naar het congres bracht.

‘De Staat van het Onderwijs maakt duidelijk waar we staan. De bevindingen van de Inspectie van het Onderwijs zijn niet altijd positief. Dat is best lastig voor de mensen in het veld, want zij werken enorm hard. Het spanningsveld tussen de wetgeving van de overheid ten aanzien van onderwijs en de autonomie van scholen bijvoorbeeld, vind ik een interessant thema’, aldus Teegelbeckers.

Hij voegde daaraan toe dat het niet alleen belangrijk is om pijnpunten te constateren, maar vooral ook om daar wat mee te doen. ‘Ik ben heel benieuwd naar trends die de inspectie vandaag nader toelicht en hoop dat de verdieping die alle bezoekers hier krijgen, helpen om het onderwijs in Nederland voortdurend te verbeteren.’

Lees meer…

‘Volwassen sector bewaakt eigen kwaliteit’

‘We moeten als sector laten zien dat we volwassen zijn en onze eigen kwaliteit bewaken’, zegt bestuurder Marten Elkerbout van Openbaar Onderwijs Spaarnesant in Haarlem op de website van de PO-Raad.

Elkerbout zegt in een artikel over zelfevaluatie dat er bij Spaarnesant ‘veel op de rit’ moest worden gezet toen hij daar 2,5 jaar geleden begon. ‘Ik vond dit een mooi moment om te kijken of we op de goede weg zijn’, aldus de bestuurder.

Hij betrok vertegenwoordigers uit alle lagen van de organisatie bij de zelfevaluatie om zoveel mogelijk informatie op te halen. ‘Met elkaar kunnen mensen een heel compleet beeld geven.’

Lees meer…

Inspectie gaat niet over kwaliteit examens

Het behoort niet tot de taak van de Inspectie van het Onderwijs om een inhoudelijk oordeel te vellen over de inhoud en kwaliteit van de centrale examens in het voortgezet onderwijs. Staatssecretaris Sander Dekker van OCW benadrukt dat hij dat zo wil houden.

Dekker laat dit weten in antwoord op vragen van Tweede Kamerlid Kirsten van den Hul van de PvdA. Zij had de vragen gesteld naar aanleiding van de kwaliteit van het centrale vwo-examen Frans, waarover in het afgelopen schooljaar veel gedoe was.

De staatssecretaris stelt dat het College voor Toetsen en Examens (CvTE) de signalen die over dit examen binnenkwamen, op correcte wijze heeft afgehandeld. ‘Het CvTE heeft gehandeld conform de lijn die geldt voor docentbetrokkenheid bij de totstandkoming en normering van examens’, aldus Dekker.

Hij benadrukt dat de verdeling van verantwoordelijkheden tussen het CvTE en de inspectie niet wordt gewijzigd: ‘Tijdens het algemeen overleg op 24 juni 2015 heb ik aangegeven dat ik wil vasthouden aan deze verdeling’. De kwestie rond het vwo-examen Frans brengt daar voor hem geen verandering in.

Lumpsum omhoog en vertrouw schoolbesturen!

Schoolbesturen in het primair en voortgezet onderwijs hebben behoefte aan een verhoging van de lumpsum en aan vertrouwen van de overheid op basis van verantwoording en transparantie over eigen keuzes, besteding van middelen en bereikte doelen.

Dit komt uit een ledenraadpleging in het kader van een advies dat de Onderwijsraad opstelt over sturing op onderwijskwaliteit via bekostiging(svoorwaarden). VOS/ABB levert op basis van gesprekken met leden input voor dit nog op te stellen advies.

Download input voor advies Onderwijsraad

Leraren gezocht voor project kwaliteitszorg

De Onderwijscoöperatie en de Inspectie van het Onderwijs zoeken leraren die zich willen inzetten voor een kwaliteitszorgproject.

Een deelproject bestaat uit het inzetten van leraren in het toezicht van de Inspectie van het Onderwijs. Deze leraren worden tijdelijk toegevoegde experts. Ze zullen zich richten op vijf verschillende thema-onderzoeken.

Scholen ontvangen een vergoeding om leraren die als tijdelijk toegevoegde expert worden ingezet voor 80 uur vrij te roosteren.

Lees meer…

 

Voor- en vroegschoolse educatie sterk verbeterd

De kwaliteit van de voor- en vroegschoolse educatie (vve) in de grote steden is de afgelopen vijf jaar sterk gestegen, meldt staatssecretaris Sander Dekker van OCW in een brief aan de Tweede Kamer.

De kwaliteitsverbetering is volgens Dekker mede het gevolg van het grote draagvlak voor vve en de goede samenwerking tussen de betrokken partijen. Hij schrijft ook dat op sommige punten nog verbetering mogelijk is.

Zo zal het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie wordt aangepast voor een betere borging van de kwaliteit. Onderdeel van dat besluit is dat vanaf 1 augustus 2017 het taalniveau 3F wettelijk verplicht wordt voor pedagogisch medewerkers in de voorschool in grote gemeenten en vanaf 1 augustus 2019 in alle gemeenten.

Verder wil de staatssecretaris inzetten op innovatie en kennisdeling en ook op verdere ondersteuning van gemeenten en vve-werkgevers.

Lees meer…

 

Meer scholen met predicaat ‘Excellent’

Het aantal scholen met het predicaat ‘Excellente School’ is toegenomen van 130 tot 184. Hier zitten ook de scholen bij die vorig jaar het predicaat ontvingen.

Een excellente school is in ieder geval een school waarvan de onderwijskwaliteit van goed niveau is. Ze onderscheidt zich van andere goede scholen door te excelleren in een bepaald gebied. Het kan bijvoorbeeld gaan om:

  • een innovatief onderwijsaanbod;
  • een bijzondere manier van om gaan met verschillen tussen leerlingen;
  • een inspirerende manier van lesgeven;
  • of een onderscheidende manier om de maatschappelijke taak in te vullen.

Aanvankelijk werd het traject Excellente Scholen georganiseerd door het ministerie van OCW. Sinds vorig jaar is de Inspectie van het Onderwijs eindverantwoordelijk. De predicaten blijven drie jaar geldig.

Lees meer…

Aanmelden traject Excellente Scholen tot 24 februari

Scholen in het primair, voortgezet en speciaal onderwijs kunnen zich tot 24 februari aanmelden voor deelname aan het traject Excellente Scholen 2017-2019.

Het predicaat Excellente School wordt gezien als een erkenning voor buitengewone kwaliteit. Bovendien kan het worden beschouwd als een compliment aan iedereen die bijdraagt aan die kwaliteit: schoolleiding, leraren, leerlingen en ouders.

Het belangrijkste doel van het traject Excellente Scholen is om de onderwijskwaliteit te verbeteren door kwaliteit zichtbaar te maken en over te dragen.

Aanmelden kan tot vrijdag 24 februari 12.00 uur.

Praat mee over onderwijsverbetering

Hoe kunnen we het onderwijs te verbeteren? U kunt daarover meepraten op digitale platforms voor schoolbestuurders, managers en leraren. Deze platforms zijn ingericht in opdracht van het ministerie van OCW.

Het ministerie wil graag weten hoe u als onderwijsprofessional staat tegenover een aantal keuzes die gemaakt kunnen worden bij de organisatie van het onderwijs. U kunt daarbij denken aan onderwijstijd, flexibiliteit, ICT, gepersonaliseerd leren en de inzet van onderwijsteams.

Praat mee

Steeds minder zwakke en zeer zwakke scholen

Het aantal zwakke en zeer zwakke scholen is verder gedaald, meldt de Inspectie van het Onderwijs.

Op 1 september 2016 voldeed het overgrote deel van de scholen en afdelingen aan de minimumnormen van de inspectie: 98,1 procent in het basisonderwijs, 99,3 procent in het speciaal basisonderwijs, 95,7 procent in het voortgezet onderwijs en 96,1 procent in het (voortgezet) speciaal onderwijs.

Lees meer…

Hoe kunnen leraren zich verder ontwikkelen?

In het voorjaar van 2017 worden de resultaten bekendgemaakt van een onderzoek naar de mogelijkheden voor leraren om zich verder te ontwikkelen en te werken aan onderwijsvernieuwing. Dat staat in een brief van staatssecretaris Sander Dekker van OCW over een aangenomen motie van de Tweede Kamerleden Paul van Meenen (D66) en Loes Ypma (PvdA).

In hun motie staat dat er moet worden gestreefd naar naar een maximum van 20 lesuren per (fulltime) docent in het voortgezet onderwijs en acht dagdelen in het primair onderwijs.

Dekker laat in zijn brief direct weten dat hier geen geld voor is. ‘Wanneer dit voorstel rechtstreeks wordt bekostigd vanuit de overheid, vergt dit veel extra middelen waar thans geen dekking voor is. Wanneer dit voorstel op schoolniveau moet worden opgevangen, drukt dit in potentie zwaar op de schoolbegroting, de onderwijstijd van leerlingen en de grootte van de klassen.’

Duizenden extra leraren?

Toch laat hij een verkenning uitvoeren naar de mogelijkheden om leraren meer tijd en ruimte te bieden zich verder te ontwikkelen. Daarbij worden verschillende scenario’s bekeken. Zo zal worden gekeken of het mogelijk is meer onderwijs(ondersteunend) personeel aan te trekken.

Daar zet Dekker wel vraagtekens bij, omdat als het voorstel van Van Meenen en Ypma realiteit wordt, er in het primair onderwijs circa 14.000 en in het primair onderwijs ongeveer 12.000 fulltime werkende leraren bij moeten komen. Afgezien van de vraag of die aantallen er zijn, zou dat leiden tot zeker 1,8 miljard euro extra loonkosten.

Minder lesuren?

Een andere mogelijkheid die de staatssecretaris noemt, is het verminderen van het aantal uren dat leerlingen les krijgen. Met het huidige aantal leraren zou het gaan om circa 120 uur minder les per jaar in het primair onderwijs en circa 160 uur in het voortgezet onderwijs.

Een vermindering van het aantal lesuren kan volgens Dekker leiden tot een hogere werkdruk, omdat dezelfde onderwijsinhoud in minder uren moet worden aangeboden. Ook zou een vermindering van het aantal uren de onderwijskwaliteit kunnen aantasten. Een ander punt dat hij noemt, is dat ouders door een vermindering van de onderwijstijd problemen kunnen krijgen met de combinatie van werk en zorg.

Grotere klassen?

Een andere mogelijkheid die in de verkenning wordt meegenomen, is een vergroting van de klassen. Dekker noemt die mogelijkheid echter op voorhand ongewenst. Ook wordt gekeken naar een andere inrichting van het onderwijs, waarbij onder andere een grotere rol kan worden gegeven aan ICT.

Bezorgde schoolbesturen Drenthe willen meer geld

De besturen van de openbare basisscholen in de provincie Drenthe uiten hun zorgen over de kwaliteit van het onderwijs. Ze dringen bij de Tweede Kamer aan op structureel meer geld.

In een brief van Prisma-Drenthe, waarin de openbare schoolbesturen verenigd zijn, staat dat er ernstige zorgen zijn over ontwikkelingen die de kwaliteit van het basisonderwijs bedreigen. Zo gaat het over de hoge werkdruk in het onderwijs, de lage instroom bij de pabo’s en het geringe aantal mannen voor de klas.

De brief gaat ook over de Wet werk en zekerheid (WWZ), die het volgens de schoolbesturen bijna onmogelijk maakt om voldoende invalleerkrachten te vinden. ‘Steeds vaker zullen groepen kinderen naar huis worden gestuurd omdat er geen invaller beschikbaar is’, zo staat in de brief.

De afzenders willen dat er structureel geld bij komt. Dat is volgens hen nodig voor professionalisering en betere salariëring van leerkrachten, goede ICT-faciliteiten, meubilair en lesmethodes en onderhoud van gebouwen.

Waarom schoolleiders niet in Lerarenregister?

Staatssecretaris Sander Dekker van OCW legt in een brief aan de Tweede Kamer uit waarom schoolleiders niet in het Lerarenregister worden opgenomen. 

Het toevoegen van schoolleiders aan het Lerarenregister stuit volgens Dekker in de eerste plaats op een juridisch bezwaar. ‘Voor toegang tot het register moet een leraar voldoen aan de wettelijke bekwaamheidseisen. Voor schoolleiders zijn deze wettelijke eisen er niet’, aldus de staatssecretaris.

Daarnaast is er volgens hem een zwaarwegend inhoudelijk bezwaar. ‘De schoolleiders hebben momenteel al beroepsregisters, waarin zij hun eigen registratieproces en herregistratie-eisen vormgeven. Ik vind het signaal dat zij verplicht onder een ander regime vallen niet passen bij de verantwoordelijkheid die met deze registers bij de beroepsgroep zelf is belegd.’

Lees meer…

Tweede Kamer akkoord met Lerarenregister

Een ruime meerderheid van de Tweede Kamer heeft dinsdag ingestemd met het Lerarenregister. Op oppositiefracties van SP, D66, ChristenUnie, SGP, Groep Bontes/Van Klaveren en Partij voor de Dieren stemden tegen.

Het ziet ernaar uit dat ook de Eerste Kamer akkoord zal gaan met de invoering van het Lerarenregister, dat bedoeld is om de kwaliteit van de leraren in Nederland en daarmee de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren.

Lerarenregister gefaseerd ingevoerd

In het startjaar (2017-2018) komen alle leraren in het Lerarenregister of in het zogenoemde registervoorportaal te staan. Dat meldde staatssecretaris Sander Dekker van OCW eerder al in een brief aan de Tweede Kamer.

Leraren kunnen zich in het startjaar van 1 augustus 2017 tot 1 augustus 2018 zelf registreren, hun bevoegdheid opvoeren en ook hun professionaliseringsactiviteiten bijhouden in het systeem.

De beroepsgroep heeft voorafgaand aan deze fase, uiterlijk voor het zomerreces van 2017, het voorstel voor de herregistratiecriteria en valideringsregels opgesteld.

Eerste en tweede herregistratie

De eerste fase van de herregistratie loopt van 1 augustus 2018 tot 1 augustus 2022. Leraren houden dan hun scholingsactiviteiten bij op basis van de criteria van de beroepsgroep.

Als een leraar aan het einde van deze periode niet voldoet aan de criteria, dan wordt daarvan aantekening gemaakt in het Lerarenregister. Deze aantekening zal voor iedereen zichtbaar zijn, maar heeft nog geen consequenties: de betreffende leraar mag dan nog steeds lesgeven.

Daarna volgt tot 1 augustus 2026 de tweede fase van herregistratie. Voor leraren die aan het einde van die periode niet aan de eisen van de beroepsgroep voldoen, betekent de aantekening in het register dat zij niet langer zelfstandig voor de klas mogen staan.

Om weer aan de slag te kunnen, moeten deze leraren via het register aantonen dat zij alsnog aan de herregistratiecriteria voldoen.

In welke fases wordt lerarenregister ingevoerd?

In het startjaar van het lerarenregister komen alle leraren in het lerarenregister of in het zogenoemde registervoorportaal te staan. Dat meldt staatssecretaris Sander Dekker in een brief aan de Tweede Kamer over de gefaseerde invoering van het lerarenregister.

Leraren kunnen zich in het startjaar van 1 augustus 2017 tot 1 augustus 2018 zelf registreren, hun bevoegdheid opvoeren en ook hun professionaliseringsactiviteiten bijhouden in het systeem. De beroepsgroep heeft voorafgaand aan deze fase, uiterlijk voor het zomerreces van 2017, het voorstel voor de herregistratiecriteria en valideringsregels opgesteld.

Eerste en tweede herregistratie lerarenregister

De eerste fase van de herregistratie loopt van 1 augustus 2018 tot 1 augustus 2022. Leraren houden dan hun scholingsactiviteiten bij op basis van de criteria van de beroepsgroep. Als een leraar aan het einde van deze periode niet voldoet aan de criteria, dan wordt daarvan aantekening gemaakt in het lerarenregister. Deze aantekening zal voor iedereen zichtbaar zijn, maar heeft nog geen consequenties: de betreffende leraar mag dan nog steeds lesgeven.

Daarna volgt tot 1 augustus 2026 de tweede fase van herregistratie. Voor leraren die aan het einde van die periode niet aan de eisen van de beroepsgroep voldoen, betekent de aantekening in het register dat zij niet langer zelfstandig voor de klas mogen staan. Om weer aan de slag te kunnen, moeten deze leraren via het register aantonen dat zij alsnog aan de herregistratiecriteria voldoen.

Het lerarenregister is bedoeld om de kwaliteit van de leraren in Nederland en daarmee de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren.