Achterstand in Nederland minder bepalend dan elders

Nederland behoort nog steeds tot de landen waar relatief veel leerlingen uit lagere sociale klassen het goed doen in het onderwijs. Gegevens van de OESO laten echter wel negatieve ontwikkeling in ons land zien.

Het Programme for International Student Assessment (PISA) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) heeft onderzocht hoeveel 15-jarige leerlingen uit gezinnen met een lage sociaal-economische status presteren op niveau 3 op het gebied van lezen, wiskunde en natuurwetenschappen. Niveau 3 betekent onder meer dat ze een tekst goed kunnen begrijpen, wiskundige problemen kunnen oplossen en goed kunnen omgaan met natuurwetenschappelijke onderwerpen.

In 2006 presteerde 38 procent van de Nederlandse leerlingen uit gezinnen met een lage sociaal-economische status op niveau 3. Bij de jongste meting in 2015 was dat gedaald naar 33 procent. Nederland staat op een lijst met 78 onderzochte landen op plaats 10. Als alleen naar Europa wordt gekeken, staat ons land op plaats 3. Alleen Finland en Estland doen het beter dan Nederland, waarbij moet worden opgemerkt dat de situatie met name in het alom bejubelde Finland de afgelopen jaren sterk is verslechterd.

Hoewel het percentage in Nederland is gedaald, noemt de OESO ons land nog steeds ‘academisch veerkrachtig’, in die zin dat de sociaal-economische klasse relatief weinig invloed heeft op de prestaties van leerlingen.

Westerse landen met een sterk verband tussen lage sociaal-economische status en een laag prestatieniveau van leerlingen, zijn onder andere Israël, Luxemburg, Italië en de Verenigde Staten.

Lees meer…

Nederlandse leerlingen kunnen goed samenwerken

Nederlandse leerlingen kunnen goed met elkaar samenwerken om problemen op te lossen. Dat blijkt uit onderzoek van het Programme for International Student Assessment (PISA) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

Aanleiding voor het internationale onderzoek is dat er in de economie een groeiende behoefte is aan mensen die met elkaar niet-routinematige opdrachten kunnen uitvoeren. Het onderzoek richtte zich op 15-jarige leerlingen uit 51 landen.

In Nederland  deden in totaal 1714 leerlingen van 187 scholen aan het PISA-onderzoek mee, van praktijkonderwijs tot en met vwo.

In vergelijking met de gemiddelde prestaties in de onderzochte landen doet Nederland het relatief goed. Binnen de EU staat ons land op de zesde plaats, waarbij alleen Estland en Finland statistisch significant beter presteren.

In alle deelnemende landen scoren meisjes vaak een stuk beter dan jongens.

Lees meer…

 

 

Nederlandse scholen hebben grote klassen

In Nederland zijn de gemiddelde omvang van de klassen en het gemiddelde aantal leerlingen per leraar aanmerkelijk groter dan het gemiddelde in de Europese Unie. Dat blijkt uit de publicatie Education at a glance 2017 van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

De gemiddelde klas in het basisonderwijs in Nederland telt 23 leerlingen, terwijl het gemiddelde in de 22 landen die zowel lid zijn van de Europese Unie als de OESO 20 leerlingen bedraagt. In Luxemburg zijn de klassen met gemiddeld 15 leerlingen het kleinst, in Groot-Brittannië met gemiddeld 27 leerlingen het grootst.

Als wordt gekeken naar het aantal leerlingen per onderwijsgevende, dan zit het Nederlandse basisonderwijs met 17 ook boven het Europese gemiddelde (15). Ook hier scoort Luxemburg met 11 leerlingen per leerkracht het beste, samen met Polen en Hongarije. In Frankrijk en Tsjechië is het gemiddelde aantal leerlingen per leerkracht met 19 het hoogst.

In het voortgezet onderwijs is het gemiddelde aantal leerlingen per leraar met 17 het hoogste als wordt gekeken naar de 22 lidstaten van zowel de EU als de OESO. In Oostenrijk heeft een leraar in het voortgezet onderwijs gemiddeld maar 9 leerlingen in de klas. In EU-landen België, Luxemburg, Polen en Portugal ligt dit op gemiddeld 10.

In EAG wordt het salaris van leraren vergeleken met werknemers met een gelijk opleidingsniveau (‘relatieve salaris van leraren’). De OESO concludeert dat de salarissen van leraren in Nederland in alle fases van hun carrière weliswaar boven het OESO-gemiddelde liggen, maar dat het salaris op alle niveaus achterblijft bij werknemers met een gelijk opleidingsniveau.

Lerarensalarissen en lesuren

De OESO signaleert verder dat Nederlandse leraren relatief weinig verdienen vergeleken met mensen in andere beroepsgrepen die een vergelijkbaar opleidingsniveau hebben. Dat verschil is in Nederland groter dan in andere landen. Maar de lerarensalarissen in basis- en voortgezet onderwijs in Nederland zijn aanzienlijk hoger dan het OESO-gemiddelde.

Het aantal lesuren dat leraren in Nederland lesgeven is ook een stuk hoger dan het OESO-gemiddelde. In het Nederlandse basisonderwijs ligt het aantal lesuren op 930, terwijl het OESO-gemiddelde 794 lesuren bedraagt. De 750 lesuren in het Nederlandse voortgezet onderwijs ligt 100 uren hoger dan het gemiddelde van de OESO-lidstaten.

Nederlandse voortgezet onderwijs presteert goed

Nederland is een consistent hoog presterend land, dat met het voortgezet onderwijs heel goed in staat is om sociaal-economische ongelijkheden te corrigeren. Dat blijkt uit het Programme for International Student Assessment 2015 (PISA) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), waarvan de samenvatting naar de Tweede Kamer is gestuurd.

In de aanbiedingsbrief bij de samenvatting meldt staatssecretaris Sander Dekker van OCW dat in Nederland in vergelijking met het OESO-gemiddelde weinig 15-jarige leerlingen de laagste en veel leerlingen de hoogste scores halen.

‘Opvallend is wel dat de percentages laag presterende leerlingen in heel Europa stijgen, ook in Nederland’, aldus Dekker. Dat lijkt volgens hem het belang van het onlangs ingezette kabinetsbeleid rond kansengelijkheid te onderstrepen.

Download de samenvatting PISA 2015

Schoolleiders moeten meer met professionalisering

Bijna eenderde van de schoolleiders zet zich niet in voor de professionalisering van leraren. Dat blijkt uit het rapport Education at a glance 2016 van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

Van de Nederlandse schoolleiders zet 70 procent zich actief in om ervoor te zorgen dat leraren hun verantwoordelijkheid nemen in het verbeteren van hun vaardigheden. Dit is relatief veel in vergelijking met ons omringende landen, Scandinavische landen en Japan.

Dit relatief grote aandeel betekent echter ook dat bijna eenderde van de schoolleiders nog niet actief bezig is met de professionaliseringsslag van leraren. Uit het OESO-rapport blijkt verder dat Nederlandse schoolleiders in vergelijking met collega’s in andere landen relatief weinig lesobservaties uitvoeren.

Samenhangende leiderschapsstrategie voor meer professionalisering

Minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker  van OCW schrijven in een brief aan de Tweede Kamer dat dit voor hen aanleiding is ‘te werken aan een samenhangende leiderschapsstrategie met daarin meer aandacht voor samenwerking en het stimuleren van een cultuur van continue verbetering en formele professionalisering’.

OESO vindt Nederlandse onderwijs hartstikke goed

De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) is zeer positief over het Nederlandse onderwijs. Er zijn wel verbeterpunten, maar het onderwijs in ons land is volgens de OESO veel beter dan in andere landen.

De OESO vindt dan ook dat er in het Nederlandse onderwijs geen fundamentele veranderingen nodig zijn. Verbeterpunten hebben betrekking op de voorschoolse educatie en de doorstroming naar hogere niveaus.

OESO wil betere VVE

De kwaliteit van de voorschoolse educatie laat nu te wensen over, vindt de OESO. Die pleit daarom voor betere professionals in VVE-instellingen, die open moeten zijn voor álle kinderen. Dat sluit aan bij wat het kabinet wil. Dat maakte recentelijk bekend dat er in principe voor elk kind voor- en vroegschoolse educatie moet zijn.

De doorstroming naar een hoger niveau is volgens de OESO in Nederland onvoldoende. Dat vergroot volgens de organisatie de kansenongelijkheid in het Nederlandse onderwijs. De Inspectie van het Onderwijs signaleerde dat onlangs ook al.

Salarissen omhoog

De OESO ziet de vergrijzing van het personeelsbestand en de komende pensioengolf als een risico voor het Nederlandse onderwijs. Een optie die wordt genoemd om meer jonge leraren te trekken, is dat de salarissen omhoog zouden kunnen.

Het onderzoek waarop de bevindingen over het Nederlandse onderwijs zijn gebaseerd, is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van OCW.

U kunt het onderzoeksrapport downloaden.

 

Nederlandse onderwijs doet het goed

Het Nederlandse onderwijs presteert over het algemeen genomen goed. Nederlandse scholieren krijgen meer les dan hun leeftijdsgenoten in andere landen en met hun diploma zijn ze goed voorbereid op de arbeidsmarkt. Dat blijkt uit het landenrapport Education at a Glance 2015 van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

Van de Nederlanders met een havo-, vwo- of mbo-diploma hebben acht op de tien een baan. Over de gehele OESO genomen is dat driekwart. Ook geldt voor Nederlandse havisten, vwo’ers en mbo’ers dat ze significant hoger scoren op sociale uitkomsten: 30 procent heeft vertrouwen in de ander, terwijl dat gemiddeld over alle OESO-landen slechts 18 procent is.

Verder blijkt uit het rapport dat het Nederland goed lukt om nieuwe generaties hoger op te leiden dan hun ouders. Eén op de drie 25- tot 34-jarigen heeft een hoger opleidingsniveau dan hun ouders. Het OESO-gemiddelde is iets minder dan één op de vier.

Nederland is vrijwel het enige land in de OESO waar bijna alle kinderen op hun vierde al naar school gaan. Het verplichte minimum aantal lesuren is hoger dan in andere OESO-landen. In het primair onderwijs is dat in Nederland 940 uur per jaar, tegenover 804 gemiddeld in de OESO-landen. In het voortgezet onderwijs is het 1000 uur per jaar tegenover 916.

Het lerarencorps in Nederland is relatief grijs. Ongeveer de helft van de docenten in de bovenbouw van havo, vwo en in het mbo is boven de 50. Elders in de OESO is dat eenderde. In het primair onderwijs is 40% ouder dan 50 jaar, terwijl het OESO-gemiddelde 30 procent is. Maar het Nederlandse primair onderwijs heeft met 18 procent ook relatief veel leraren die jonger zijn dan 30 jaar. In de OESO als geheel is dat 13 procent.

Nederland scoort redelijk met klassenomvang en salarissen

De klassenomvang in Nederland ligt net iets boven het internationale gemiddelde. Het aantal leerlingen per klas heeft slechts beperkte invloed op de tevredenheid van leraren. Dit blijkt uit het rapport Education at a glance 2014 van de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

Het aantal leerlingen in de gemiddelde Nederlandse basisschoolklas bedraagt 23. Dit aantal is de afgelopen jaren licht gedaald. Wat betreft klassengrootte zit ons land net iets boven het OESO-gemiddelde.

Het land met de grootste klassen in het primair onderwijs is China. Daar zitten in de gemiddelde basisschoolklas bijna 40 leerlingen. In Luxemburg zijn de klassen met gemiddeld iets meer dan 15 leerlingen het kleinst.

In een toelichting bij de cijfers meldt de OESO dat er slechts een gering verband is tussen de omvang van de klassen en de tevredenheid van leraren over hun werk. Die tevredenheid is het grootst, zo blijkt uit een diagram, als een klas tussen de 26 en 30 leerlingen telt. De tevredenheid van leraren neemt wel duidelijk af als het aantal leerlingen met extra zorgbehoeften toeneemt.

De OESO keek ook naar het aantal leerlingen per docent in de bovenbouw van het voortgezet. In Nederland is dat met 19 hoger dan het OESO-gemiddelde van 14. Alleen in Mexico, Chili en Indonesië is het nog meer dan bij ons. In Luxemburg geeft de gemiddelde bovenbouwdocent les aan maar 8 leerlingen per klas.

Salarissen
De gemiddelde onderwijssalarissen in Nederland liggen net iets onder het OESO-gemiddelde. Net als in de meeste OESO-landen zijn de salarissen in het Nederlandse onderwijs gestegen. In het primair onderwijs ligt bijvoorbeeld het starterssalaris min of meer op hetzelfde niveau als in Noorwegen, Spanje en Canada.

Westerse landen waar de beginnerssalarissen op een aanmerkelijk lager niveau liggen, zijn Engeland, Frankrijk en Italië. Luxemburg spant ook hier weer de kroon: daar verdient een beginnende docent in het primair onderwijs met omgerekend ruim 66.000 Amerikaanse dollar per jaar bijna 30.000 meer dan een Nederlandse starter.

Bovenbouwdocenten in Nederland verdienen met omgerekend gemiddeld bijna 60.000 dollar per jaar fors meer dan het OESO-gemiddelde van ruim 47.000. Nederland is wat dit betreft vergelijkbaar met België, Denemarken en Finland.

Ook hier steekt Luxemburg er met gemiddeld bijna 105.000 dollar per jaar met kop en schouders bovenuit. In Rusland echter heeft de gemiddelde fulltime-bovenbouwdocent met 18.000 dollar per jaar reden tot klagen.

Aandeel vrouwen in Nederlandse onderwijs is niet zo groot

Het aandeel vrouwelijke leraren is in Nederlandse lager dan in veel andere landen. Dat blijkt uit de Teaching and Learning International Survey (TALIS) 2013, een grootschalig internationaal onderzoek dat is uitgevoerd door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

In Nederland is 54,6 procent van de leraren vrouw, meldt de OESO. Alleen in Japan en Mexico is dat percentage lager (respectievelijk 39,0 en 53,8 procent). In 29 andere onderzochte landen is het aandeel vrouwelijke docenten (aanmerkelijk) hoger. Letland scoort met 88,7 procent het hoogst, gevolgd door Estland met 84,5 procent en Slowakije met 81,9 procent.

Met de gemiddelde leeftijd van de leraren staat Nederland met 43,2 jaar in de middenmoot. Het gemiddelde in de onderzochte landen is 42,9 jaar. Het aandeel leraren met een opleiding op hbo- of universitair niveau is in Nederland met 95,2 procent hoog. In Italië is dat dat met 80,5 procent het laagst, in  Australië met 99,9 procent het hoogst.

Nederland valt op als het gaat om het aandeel leraren dat fulltime werkt. Dat aandeel is met 43,4 procent laag. Alleen in Mexico en Brazilië is het aandeel fulltimers nog lager (respectievelijk 40,4 en 40,3 procent). In landen als Zuid-Korea, Abu Dhabi en Maleisië werken bijna alle docenten voltijds.

In tegenstelling tot het beeld dat in de media overheerst, scoort Nederland gemiddeld als het gaat om het aandeel leraren met een vast arbeidscontract (84 procent). Abu Dhabi scoort met 50 procent het laagst. Ook in landen als Chili en Roemenië (62,9 respectievelijk 69,5 procent) hebben relatief weinig leraren een vaste baan. Maleisië, Frankrijk en Denemarken zijn wat dit betreft paradijzen: daar hebben bijna alle docenten een vast arbeidscontract.

Het aantal leerlingen per klas ligt met 25,4 leerlingen in Nederland iets boven het internationale gemiddelde van 24,1 leerlingen. Vlaanderen heeft met gemiddeld 17,1 leerlingen de kleinste klassen, op de voet gevolgd door Estland en Letland. De landen met gemiddeld de meeste leerlingen per klas zijn Singapore (35,5), Mexico (33,0) en Zuid-Korea (32,4).

Nederlandse jongeren kunnen goed problemen oplossen

Nederlandse 15-jarige leerlingen kunnen bovengemiddeld problemen oplossen. Dit blijkt uit de nieuwste publicatie van het Programme for International Student Assessment (PISA).

Voor dit vergelijkende internationale onderzoek van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) werd leerlingen gevraagd een aantal onbekende alledaagse situaties op te lossen.

Nederlandse leerlingen scoren bovengemiddeld. Ze staan open voor nieuwe problemen, kunnen goed omgaan met twijfel en onzekerheid en durven hun intuïtie te gebruiken.

Ons land staat op de lijst met 44 landen en Chinese regio’s op de 14e plaats. In Europa staat Nederland op plaats 5.

Lees meer…

Nederlandse onderwijs zakt internationaal weg

De doelstelling van Nederland om met het onderwijs tot de top van de wereld te behoren, leidt vooralsnog niet tot betere prestaties van de leerlingen. Dat staat in de Kennis en Innovatie Agenda 2011-2020 (KIA), die maandag door KIA-voorziter Wiebe Draijer is aangeboden aan minister Henk Kamp van Economische Zaken en staatssecretaris Sander Dekker van OCW.

De prestaties van de basisschoolleerlingen stijgen noch dalen als wordt gekeken naar rekenen en taal, zo staat in de KIA. Nederland scoort goed bij de zwakke leerlingen (vierde plaats), maar slecht bij de best presterende leerlingen (27e plaats). Met het natuuronderwijs staat Nederland internationaal gezien op de veertiende plaats.

Het Nederlandse voortgezet onderwijs doet het internationaal gezien goed met wiskunde. De doelstelling om in OESO-verband tot de top 5 te behoren, is tot nu toe alleen met wiskunde gelukt. Voor natuurwetenschappen geldt dat Nederland op de achtste plaats staat. Met leesvaardigheid is Nederland gezakt naar plaats 10.

Dat Nederland niet omhoog gaat in de ranglijstjes, komt doordat in het buitenland hard aan de weg wordt getimmerd om het onderwijs op een hoger peil te tillen. In de KIA staat dat Nederland daarom harder moet aanpakken om de concurrentie bij te houden. De KIA noemt dat voor de toekomst van ons land een ‘cruciale ambitie’.

OESO ziet in Nederland stijging onderwijsuitgaven

Nederland behoort tot de lidstaten van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) waar in de periode 2000-2010 de uitgaven voor onderwijs als deel van het bruto binnenlands product (bbp) met meer dan 1 procentpunt zijn gestegen. Dat staat in het rapport Education at a Glance 2013.

De stijging was het grootst in Brazilië. Daar bedroegen de uitgaven voor onderwijs in 2000 nog 3,5 procent van het bbp, terwijl dat in 2010 was gestegen naar 5,6 procent. In Nederland ging het van 5,1 procent naar 6,3 procent. Denemarken is het land met het hoogste percentage. Daar wordt 8 procent van het bbp uitgegeven aan onderwijs. Hongarije is hekkensluiter met 4,6 procent.

De OESO keek ook naar de gevolgen van de economische crisis voor de uitgaven aan onderwijs. In Nederland daalde in 2008 en 2009 het bbp, terwijl de uitgaven aan onderwijs bleven toenemen. In landen waar de crisis toen al hard toesloeg, werd het onderwijs geconfronteerd met een absolute daling van de inkomsten. Voorbeelden zijn Estland en IJsland.