Hoe goed sluit onderwijs aan op jeugdhulp?

Samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs zijn over het algemeen negatiever over de aansluiting van onderwijs en jeugdhulp dan gemeenten. Dat blijkt uit een landelijke inventarisatie, die is uitgevoerd in het kader van de evaluatie passend onderwijs.

Uit de landelijk inventarisatie komt naar voren dat het merendeel van de gemeenten en samenwerkingsverbanden op weg is om de aansluiting tussen onderwijs en jeugdhulp tot stand te brengen. Ongeveer de helft zit in de opbouwfase en ongeveer een kwart is bezig met verankering van de samenwerking. Ruim een kwart verkeert echter nog in de start- of oriëntatiefase.

Samenwerkingsverbanden zijn naar eigen zeggen met kerngemeenten wat verder dan met de overige gemeenten in de regio. De aansluiting van jeugdhulp met speciaal onderwijs loopt volgens beide partijen achter op die met het reguliere onderwijs.

De helft van de samenwerkingsverbanden en tweederde tot driekwart van de gemeenten heeft de indruk dat de aansluiting tussen onderwijs en jeugdhulp op dit moment al meerwaarde genereert. Dan gaat het bijvoorbeeld om meer hulp en ondersteuning in de eigen omgeving, minder kinderen die zonder onderwijs thuiszitten en meer maatwerk.

Ruim de helft van de gemeenten ziet nog meer opbrengsten, zoals tevreden ouders, preventie van problematiek bij leerlingen en tijdige inzet van hulp en ondersteuning. De meeste samenwerkingsverbanden zien die opbrengsten echter (nog) niet.

Download de Landelijke inventarisatie aansluiting onderwijs en jeugdhulp 2018.

Samenwerkingsverbanden afschaffen goed idee?

In de Tweede Kamer klinkt de roep om voor schoolbesturen de wettelijke verplichting te schrappen om aangesloten te zijn bij één of meer samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs. Wat vindt u? Is dat een goed idee?

Schoolbesturen zijn volgens de Wet passend onderwijs verplicht om met elkaar in een samenwerkingsverband te zitten. Dat heeft tot taak om tot een dekkend aanbod van te komen, zodat er voor elke leerling in de regio een passend onderwijsaanbod kan worden gerealiseerd. Als het zo is dat een schoolbestuur scholen heeft in meer dan één regio, moet het bestuur deelnemen in meer dan één samenwerkingsverband.

In de Tweede Kamer wordt deze manier van werken gezien als een bureaucratische belasting. Kamerlid Lisa Westerveld van GroenLinks wil dat de samenwerkingsverbanden worden afgeschaft. Dat zou volgens haar de scholen meer vrijheid geven om zonder wat zij als een bureaucratische tussenlaag ziet te komen tot een passend onderwijsaanbod in de regio.

D66 profileert zich in de Tweede Kamer als de grootste tegenstander van de samenwerkingsverbanden. Paul van Meenen wees er in de Tweede Kamer op dat zijn partij altijd al tegen het idee is geweest om samenwerkingsverbanden in te richten. Volgens hem loopt het helemaal niet goed met passend onderwijs en ligt dat aan de samenwerkingsverbanden.

Wat vindt u?

VOS/ABB wil graag weten hoe u denkt over het idee om voor scholen de wettelijke verplichting te schrappen om bij één of meer samenwerkingsverbanden aangesloten te zijn. Is dat een goed idee? En waarom vindt u dat (niet)?

U kunt uw reactie mailen aan senior beleidsmedewerker Rozemarijn Boer van VOS/ABB: rboer@vosabb.nl.

Onderwijs (hoog)begaafde leerlingen moet gratis

Het onderwijs voor (hoog)begaafde leerlingen moet – net als voor alle andere leerlingen – vrij toegankelijk en kosteloos zijn, maar scholen mogen er wel een vrijwillige ouderbijdrage voor vragen. Dat meldt onderwijsminister Arie Slob in antwoord op Kamervragen.

De Kamerleden Lisa Westerveld van GroenLinks en Peter Kwint van de SP wilden van de minister weten hoe hij denkt over scholen die ouders voor onderwijs aan (hoog)begaafde leerlingen ‘soms duizend euro’s’ laten betalen.

Slob reageert hierop door te benadrukken dat de samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs verantwoordelijk zijn voor een dekkend onderwijsaanbod in hun regio. ‘Het onderwijs voor (hoog)begaafde leerlingen moet – net als voor alle andere leerlingen – vrij toegankelijk en kosteloos zijn’, aldus de minister.

Hij voegt daaraan toe: ‘Indien voorzieningen nodig zijn om in de ondersteuningsbehoefte van een leerling te voorzien, dan dient de eigen school of het samenwerkingsverband dit te regelen. De toelating hiertoe mag niet
afhankelijk worden gesteld van een financiële bijdrage van de ouders.’

Maar dit betekent volgens hem niet dat een ouderbijdrage voor (hoog)begaafdenonderwijs verboden is. ‘Het is wettelijk toegestaan dat scholen een ouderbijdrage vragen en dat deze wordt gebruikt voor extra personeel en lesmateriaal. Het betreft echter altijd een vrijwillige ouderbijdrage.’

Slob meldt verder dat de oudergeleding in de medezeggenschapsraad instemmingsrecht heeft op de hoogte en de bestemming van de vrijwillige ouderbijdrage.

‘Elk samenwerkingsverband één coördinator jeugdzorg’

Het grote probleem van passend onderwijs is dat er te veel organisaties bezig zijn met één kind. Daarom moet elk samenwerkingsverband één coördinator jeugdzorg krijgen. Dat benadrukt oud-VOS/ABB’er Henk Keesenberg, die nu manager is bij het Overijsselse samenwerkingsverband 25-05, tegenover de NOS.

Hij pleit ervoor om terug te gaan naar één coördinator jeugdzorg en een goede onafhankelijke toezichthouder. Zijn wens is dat leerkrachten naar één kantoor kunnen bellen als ze extra hulp nodig hebben voor een kind en dat er dan in de praktijk gekeken wordt wat er voor het kind echt nodig is.

‘Van elf kapiteinen op een schip, terug naar één kapitein, dat lijkt me een stuk eenvoudiger’, aldus Keesenberg. Daarmee doelt hij op ‘één budget, één bestuur en één raad van toezicht’. Het liefst wil hij ook dat elk samenwerkingsverband samenvalt met de regionale indeling van de jeugdzorg.

Lees meer…

 

Overal doorzettingsmacht nodig voor minder thuiszitters

Alle samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs moeten doorzettingsmacht hebben. Zo kan het aantal leerlingen dat zonder onderwijs thuiszit omlaag worden gebracht, benadrukt onderwijsminister Arie Slob.

Op de vraag uit de Tweede Kamer hoe het komt dat er nog steeds veel kinderen thuiszitten zonder onderwijs, terwijl elk samenwerkingsverband een dekkend onderwijsaanbod zou moeten hebben en scholen zorgplicht hebben, antwoordt Slob dat kinderen soms thuiszitten doordat er nog geen overeenstemming is over een aanbod.

‘In sommige gevallen heeft een samenwerkingsverband langer tijd nodig om tot een passend aanbod te komen’, aldus de minister. Daarvoor bestaan volgens hem verschillende oorzaken, omdat de situatie van iedere thuiszitter uniek is en een eigen oplossing behoeft.

‘Vaak is deze oplossing niet alleen in het onderwijs gelegen, maar ook in de zorg. Mede vanwege de veelvoud aan partijen die betrokken zijn bij de thuiszitter, kan het veel tijd kosten om te komen tot een gedragen inschatting van de behoefte van de leerling en een besluit over (de financiering van) het aanbod’, zo licht Slob toe.

In dit kader benadrukt hij dat doorzettingsmacht van het samenwerkingsverband kan helpen, maar dat dit nog niet in alle regio’s is geregeld. ‘Daarom heeft dit kabinet zich de ambitie gesteld dat in alle samenwerkingsverbanden doorzettingsmacht geregeld wordt’, aldus Slob.

Lees meer…

Actieplan: Alle kinderen hebben recht op kansen!

De ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Jeugd en van Justitie en Veiligheid hebben het actieprogramma Zorg voor de jeugd gepresenteerd. Daarin staat onder andere dat alle kinderen recht hebben op kansen om zich te ontwikkelen.

Daarvoor is het van belang dat er flexibele onderwijs-zorgarragementen komen. In het actieprogramma staat dat samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs daarin een belangrijke taak hebben. Zij moeten zich met jeugdhulpregio’s inspannen om te komen tot ‘een meerjarig plan waarin ze aangeven hoe ze de inzet van onderwijsmiddelen en zorgmiddelen beter op elkaar afstemmen’.

Het doel is ‘dat in 2020 geen enkel kind langer dan 3 maanden thuis zit zonder een passend aanbod uit het onderwijs, de zorg, of beide’, zo staat in het actieprogramma.

Ga naar het actieprogramma Zorg voor de jeugd

 

 

Schoolverzuim daalt, maar aantal thuiszitters niet

Het aantal spijbelaars is vorig jaar licht gedaald, maar het aantal kinderen dat langer dan drie maanden zonder onderwijs thuiszit, blijft stabiel: rond de 4000. Minister Slob kondigt maatregelen aan om het aantal thuiszitters omlaag te krijgen.

Dit schrijft minister Slob vandaag aan de Tweede Kamer. Een kind dat zonder onderwijs thuiszit, is wel een uitzondering. Het gaat om 0,14 procent van het totaal aantal leerlingen in het funderend onderwijs. Maar Slob wil dat er in 2020 geen enkel kind meer langer dan drie maanden verstoken blijft van onderwijs.

Actieweek Thuiszitters in juni

Om dat doel te bereiken is eerder al de Landelijke Thuiszitterstafel opgericht, die zich richt op betere samenwerking in de regio om het aantal thuiszitters terug te dringen. Medio 2016 werd Marc Dullaert aangesteld als aanjager van een pact met verschillende ministeries, de sectororganisaties in het onderwijs en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Dullaert blijft langer aan, meldt Slob. Op een landelijke ‘thuiszitters-top’ in juni worden de resultaten van het pact gedeeld met alle betrokken partijen. Van 2 tot 8 juni 2018 wordt een Landelijke Actieweek Thuiszitters  georganiseerd.

Rol voor samenwerkingsverbanden

Slob ziet verder een rol voor de samenwerkingsverbanden bij het terugdringen van het aantal vrijstellingen van de leerplicht. Dit betreft onder meer kinderen die worden vrijgesteld van onderwijs om lichamelijke of psychische redenen. Hun aantal blijft stijgen, maar Slob vindt het ‘niet aannemelijk’ dat er steeds meer kinderen zijn voor wie het onmogelijk is onderwijs te volgen, terwijl scholen juist meer maatwerk leveren. Hij wil daarom de expertise van samenwerkingsverbanden inzetten bij de totstandkoming van deze vrijstellingen. ‘Het is belangrijk dat de mogelijkheden voor maatwerk optimaal worden benut voor leerlingen die dat nodig hebben’, aldus Slob in zijn brief.

Meer eisen aan thuisonderwijs

Ook het aantal vrijstellingen van onderwijs wegens bedenkingen tegen de richting van de scholen is gestegen, meldt Slob. Deze kinderen krijgen thuisonderwijs, omdat hun ouders vinden dat hun religie niet past bij de richting van de scholen in de omgeving. In het regeerakkoord is afgesproken dat dit thuisonderwijs aan meer eisen moet gaan voldoen op het gebied van kwaliteit, bekwaamheid, burgerschap en veiligheid. Daar komt Slob later dit jaar op terug, geeft hij aan.

Lees de brief van minister Slob met in de bijlage de verzuimcijfers van de vier grote gemeente en 32 middelgrote gemeenten, en een interview door OCW met Marc Dullaert over het Thuiszitterspact.

Inrichtingsvrijheid swv’s kent voor- en nadelen

De inrichtingsvrijheid van de samenwerkingsverbanden (swv’s) voor passend onderwijs heeft voor- en nadelen. Dat staat in het rapport Juridisch perspectief op de governance van samenwerkingsverbanden.

Een voordeel is van de inrichtingsvrijheid dat er ‘bestuurlijk maatwerk’ is ontstaan, wat in lijn is met ‘de wettelijke ruimte voor verschillende rechtsvormen en bestuursmodellen van samenwerkingsverbanden’, zo staat in het rapport.

In dit kader wordt opgemerkt dat in de wettelijke systematiek de autonomie van de schoolbesturen het uitgangspunt is geweest en dat swv’s nu binnen de wettelijke kaders zelf kunnen bepalen welke taken zij op zich nemen en welke niet.

Een nadeel dat aan de veelvormigheid van de swv’s en de sterke positie van de autonome schoolbesturen kleeft is dat het toezicht lastig kan zijn, terwijl deugdelijke governance van groot belang is voor het goed functioneren van de swv’s.

Lees meer…

Slob tegen maximale reserve samenwerkingsverbanden

Onderwijsminister Arie Slob voelt er niets voor om voor samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs een maximum in te stellen voor de reserves die zij mogen aanhouden. Dat onderbouwt hij in antwoorden op Kamervragen van GroenLinks.

Kamerlid Lisa Westerveld wilde van Slob weten wat hij ervan vindt ‘dat de 152 samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs in het basis- en voortgezet in 2016 samen bijna vijftig miljoen euro aan hun reserves hebben toegevoegd’. Ook vroeg zij aan de minister hoe hoog volgens hem de ‘maximale risicobuffer voor samenwerkingsverbanden’ zou moeten zijn.

Slob antwoordt dat hij van samenwerkingsverbanden verwacht ‘dat zij een risico-inschatting maken en op basis daarvan sturen op de aan te houden reserve’. Daarbij staat volgens hem voorop ‘dat het geld goed besteed moet worden aan de ondersteuning van leerlingen’. Sparen mag geen doel op zich zijn, benadrukt hij.

Wat betreft de door Westerveld gewenste maximaal aan te houden reserves, merkt Slob op dat de samenwerkingsverbanden allemaal van elkaar verschillen. ‘Zo mag verwacht worden dat een samenwerkingsverband dat eigen personeel in dienst heeft, een hogere reserve aanhoudt dan een samenwerkingsverband dat dat niet heeft’, aldus de minister. Hij acht het daarom onwenselijk een maximale reserve in te stellen.

Lees meer…

Wijzigingen verantwoording samenwerkingsverbanden

Samenwerkingsverbanden (swv’s) voor passend onderwijs krijgen te maken met wijzigingen in hun verantwoording.

Het ministerie van OCW heeft hierover een brief gestuurd, waarin drie punten centraal staan:

  1. Aanpassingen in de jaarrekening en de taxonomie en XBRL;
  2. Notitie ‘Uitgangspunten en monitoring verantwoording door en binnen samenwerkingsverbanden passend onderwijs’;
  3. Aanpassing continuïteitsparagraaf.

In de brief wordt hier uitgebreid op ingegaan.

Download de brief

Informatie: Onderwijsjuristen, 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, onderwijsjuristen@vosabb.nl

Leerlingenvervoer niet in ontwikkelingsperspectief

De verantwoordelijkheid voor het leerlingenvervoer ligt bij de gemeenten en niet bij de samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs. Daarom kan het leerlingenvervoer niet worden opgenomen in ontwikkelingsperspectief voor leerlingen die extra ondersteuning op school nodig hebben. Dat meldt onderwijsminister Arie Slob in een brief aan de Tweede Kamer.

Slob reageert met zijn brief op het voorstel van het netwerk Ieder(in) voor mensen met een beperking of chronische ziekte om het leerlingenvervoer op te nemen in het ontwikkelingsperspectief. Ieder(in) trok dit najaar aan de bel, omdat veel ouders bij de start van het nieuwe schooljaar klaagden over problemen met het leerlingenvervoer.

De minister wijst er in zijn brief op dat de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in de modelverordening leerlingenvervoer heeft opgenomen dat de gemeente bij de beoordeling van de aanvraag van een vervoersvoorziening het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband zou moeten betrekken. Maar dat betekent volgens hem niet dat het in het ontwikkelingsperspectief thuishoort.

Hij wijst er verder op dat het de taak van de gemeenteraden is om te controleren of de kwaliteit van het leerlingenvervoer voldoende is en dat hij geen basis ziet om de inspraak van ouders bij leerlingenvervoer wettelijk vast te leggen.

Lees meer…

Particuliere scholen laten zich betalen voor zorgleerlingen

Reguliere scholen overtreden de wet door particuliere scholen te betalen om zorgleerlingen op te vangen, meldt tv-programma De Monitor.

Maupertuus en Winford zijn volgens De Monitor particuliere scholen die door het samenwerkingsverband voor passend onderwijs worden betaald om zorgleerlingen op te vangen.

Het ministerie van OCW laat in een reactie aan De Monitor weten dat particulier onderwijs ‘in heel specifieke zaken een uitkomst kan bieden’, maar dat er geen ‘parallel systeem’ mag ontstaan.

‘Daarom gaan we het in zeer specifieke gevallen mogelijk maken om tijdelijk particulier onderwijs te volgen, mits de scholen er samen voor zorgen dat er ook een definitieve oplossing komt in het bekostigde onderwijs’, aldus een woordvoerder van OCW.

Lees meer…

Op 26 september bijeenkomst passend onderwijs

Op 26 september is er bij ons in Woerden weer een bijeenkomst over passend onderwijs. Het centrale thema van deze bijeenkomst is ‘verantwoording’. Deelname is gratis als uw organisatie bij ons is aangesloten.

Onder meer de politiek voert grote druk uit op de samenwerkingsverbanden om zich transparant te verantwoorden over een doelmatige inzet van hun geld. Eerder dit jaar deed ook de Algemene Rekenkamer hier in een rapport scherpe uitspraken over.

In het Tweede Kamerdebat over de elfde voortgangsrapportage over passend onderwijs kwam een gestandaardiseerd model van verslaglegging voor samenwerkingsverbanden aan bod. In de bijeenkomst wordt besproken wat dit zou kunnen betekenen.

Deelnemers aan de bijeenkomst worden uitgenodigd hun jaarverslag 2016 vooraf in te zenden en hier tijdens de bijeenkomst feedback op te ontvangen. Inzenden kan via rboer@vosabb.nl.

De bijeenkomst wordt geleid door Rick de Wit van Infinite. Namens VOS/ABB zullen Rozemarijn Boer en Eline Vrenken aanwezig zijn.

Wanneer en waar?

De bijeenkomst op dinsdag 26 september is van 09.45 tot 12.30 uur in ons kantoor in Woerden. Na afloop is er een eenvoudige lunch.

Als uw schoolbestuur of samenwerkingsverband bij VOS/ABB is aangesloten, is deelname gratis. Niet-leden betalen 100 euro per persoon (btw-vrij).

Aanmelden

U kunt zich aanmelden door een mailtje te sturen naar welkom@vosabb.nl onder vermelding van ‘Bijeenkomst passend onderwijs’. Vermeld in uw mail ook de organisatie waarvoor u werkt en het telefoonnummer waarop wij u kunnen bereiken.

Voor deze bijeenkomsten zijn onze Algemene voorwaarden van kracht.

Dekker weerspreekt rechtsongelijkheid passend onderwijs

Het klopt het dat het ene samenwerkingsverband voor passend onderwijs andere toelaatbaarheidsverklaringen kan afgeven dan het andere samenwerkingsverband. Dat staat in antwoorden van staatssecretaris Sander Dekker van OCW op Kamervragen van D66.

Dekker reageert op vragen van Tweede Kamerlid Paul van Meenen van D66, die bij de staatssecretaris aan de bel had getrokken naar aanleiding van een bericht op de website van de christelijke profielorganisatie Verus. In dat bericht wordt melding gemaakt van rechtsongelijkheid, omdat het ene samenwerkingsverband een toelaatbaarheidsverklaring voor het (voortgezet) speciaal onderwijs afgeeft tot 20 jaar, terwijl het andere samenwerkingsverband zo’n verklaring afgeeft tot 16 jaar.

Verschillende criteria passend onderwijs

Staatssecretaris Dekker antwoordt dat het inderdaad mogelijk is dat het ene samenwerkingsverband andere criteria hanteert dan het andere: ‘Elk samenwerkingsverband legt in zijn ondersteuningsplan de procedure en criteria vast op basis waarvan een leerling toelaatbaar kan worden verklaard (…).’

Hij wijst erop dat in de Wet op de expertisecentra staat dat leerlingen uiterlijk tot hun twintigste levensjaar ingeschreven kunnen blijven op het voortgezet speciaal onderwijs, maar dat dat geen absolute leeftijdsgrens is. ‘Het uitgangspunt is dat per leerling de afweging wordt gemaakt wat het beste bij zijn of haar ontwikkeling past: langer verblijf in het onderwijs of een vervolgbestemming buiten het onderwijs, zoals dagbesteding’, aldus Dekker.

Lees meer…

Passend onderwijs: media-aandacht verschuift naar leraren

Als het over passend onderwijs gaat, is in de media de aandacht in de loop van de tijd verschoven van thuiszitters naar leraren. Dat staat in het eerste deel van het onderzoeksrapport Passend onderwijs in pers en politiek.

De ‘logica van de praktijk’ prevaleert in de media, zo staat in het rapport. ‘Artikelen belichten het onderwerp voornamelijk vanuit de vraag wat passend onderwijs betekent in het dagelijks leven van ouders en leerlingen. Vanuit dat perspectief komen concrete moeilijk- en mogelijkheden in beeld.’

De aandacht ging aanvankelijk vooral uit naar thuiszitters en leerlingen met extra onderwijsbehoeften, maar vanaf het najaar van 2015 wordt dat volgens de onderzoekers wat minder. Sindsdien gaat in de berichtgeving over passend onderwijs meer aandacht uit naar de leraren.

Samenwerkingsverbanden passend onderwijs

De rol van de samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs komen in de media nauwelijks aan bod. Er is evenmin aandacht voor beleidsdoelen die met geld te maken hebben. ‘Wel gaat het in algemene zin over geld – te weinig – maar het gaat zelden over specifieke beleidsdoelen en instrumenten zoals kostenbeheersing door het rijk, verevening en een doelmatige besteding van middelen door swv’en.’

Lees meer…

Landelijke criteria praktijkonderwijs en lwoo loslaten?

Wij willen graag van u weten hoe u denkt over het loslaten van de landelijke criteria voor praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs (lwoo).

Sinds ruim een jaar vallen lwoo en praktijkonderwijs onder de verantwoordelijkheid van de samenwerkingsverbanden voortgezet onderwijs. Sindsdien zijn de samenwerkingsverbanden verantwoordelijk voor alle vormen van onderwijsondersteuning die leerlingen in de klas nodig hebben.

Op dit moment gelden nog de landelijke criteria en duur van de toewijzing van lwoo en praktijkonderwijs en de lwoo-licenties. Middels een wetswijziging zal dit in de nabije toekomst worden losgelaten. De scholen in het samenwerkingsverband zijn dan vrij om – net als bij de zware ondersteuning – zelf te bepalen welke leerlingen lwoo-ondersteuning nodig hebben in het vmbo en welke leerlingen naar het praktijkonderwijs gaan.

Praktijkonderwijs gaat verloren?

Van leden horen wij dat gevreesd wordt dat door het loslaten van de criteria de identiteit van het praktijkonderwijs verloren gaat. Het zou een zelfstandige richting moeten blijven die net zoals vmbo, havo en vwo volwaardige bekostiging moet behouden.

Daarnaast vindt het praktijkonderwijs dat de leerlingen ervan verzekerd moeten zijn dat ze in een veilige leeromgeving komen waarin ze worden herkend en erkend. Door het loslaten van de landelijke criteria ontstaat de angst dat deze veilige omgeving niet meer kan worden gegarandeerd.

Wat vindt u?

Wij zijn benieuwd hoe u denkt over het loslaten van de criteria. Bent u daar voorstander van of juist niet (en waarom)? U kunt uw reactie mailen naar onze beleidsmedewerker Rozemarijn Boer: rboer@vosabb.nl.

Wij nemen de input mee in onze lobby-activiteiten bij de landelijke politiek.

Rekenkamer zeer kritisch over passend onderwijs

Het is onduidelijk waaraan het geld voor passend onderwijs wordt besteed, meldt de Algemene Rekenkamer.

In 2016 gaf het ministerie van OCW 2,4 miljard euro uit aan passend onderwijs in het primair en voortgezet onderwijs. ‘Hoewel een van de doelen van passend onderwijs was dat transparanter zou worden waaraan de gelden voor leerlingenondersteuning worden besteed, is het zicht op de besteding (…) niet verbeterd’, aldus de Algemene Rekenkamer.

Weinig informatie

Er valt volgens de rekenkamer uit de verantwoordingsstukken van de samenwerkingsverbanden passend onderwijs en schoolbesturen weinig informatie te halen over de besteding. Bovendien zijn er ‘indicaties dat de wel beschikbare informatie van onvoldoende kwaliteit is’.

Vooral horizontale verantwoording had voor meer transparantie moeten zorgen, maar dat is niet gebeurd. ‘Het intern toezicht in de meeste samenwerkingsverbanden is niet onafhankelijk: zowel in het bestuur als in het interne toezicht zijn vooral schoolbesturen vertegenwoordigd. Ook is het de vraag of de ondersteuningsplanraden (…) voldoende tegenwicht kunnen bieden.’

Zwak ontwikkeld

Ook over de interne checks and balances in de samenwerkingsverbanden is de Algemene Rekenkamer zeer kritisch: ‘al met al zwak ontwik­keld’. Dat leidt er volgens de rekenkamer toe dat schoolbesturen het instellingsbelang zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van de leerling.

De Tweede Kamer had gevraagd om inzicht in het aantal leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte, maar dat inzicht kan volgens de Algemene Rekenkamer niet worden geboden: ‘Het zogenoemde zorgvinkje – de registratie in het Basisregister Onderwijs (BRON) van ontwikkelingsperspectieven voor leerlingen die extra ondersteuning krijgen – biedt dit inzicht onvoldoende en is onbetrouwbaar.’

Meer inzicht

De Algemene Rekenkamer vindt het belangrijk dat er op het niveau van afzonderlijke samenwerkingsverbanden meer inzicht komt in waar zij hun geld aan besteden en welke resultaten zij daarmee bereiken. ‘Er zijn namelijk signalen dat de leerlingenondersteuning nog niet overal goed loopt.’

Lees meer…

Groeiregeling: nieuwe ‘kijkdozen’ in Toolbox

In onze online Toolbox zijn de ‘kijkdozen’ voor samenwerkingsverbanden en het (voortgezet) speciaal onderwijs geactualiseerd.

Deze instrumenten zijn een hulpmiddel om een goed beeld te krijgen van de bekostiging van de groei op basis van de peildatum 1 februari 2017.

U kunt de ‘kijkdozen’ met toelichtingen downloaden uit de volgende mappen:

Samenwerkingsverbanden

(Voortgezet) speciaal onderwijs

Informatie: Helpdesk, 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, helpdesk@vosabb.nl

Passend onderwijs in Nederland en Vlaanderen

VOS/ABB en de Vlaamse onderwijskoepel van steden en gemeenten OVSG hebben onlangs in het Vlaamse Arendonk een expertmeeting gehouden over onderwijs aan kinderen met specifieke onderwijsbehoeften. U kunt de presentaties downloaden die tijdens deze bijeenkomst zijn getoond.

De bijeenkomst ging over het passend onderwijs in Nederland en het M-decreet in Vlaanderen. De M staat voor ‘maatregelen’. Het Vlaamse decreet heeft hetzelfde doel als passend onderwijs: kinderen gaan in principe naar de reguliere school of als het niet anders kan naar het speciaal onderwijs (buitengewoon onderwijs in Vlaanderen).

Tijdens de bijeenkomst gaf adviseur Theo Mardulier van het Vlaamse ministerie van Onderwijs een toelichting op het M-decreet. Bestuurder Theo van Munnen van Stichting Vitus Zuid voor speciaal onderwijs (cluster 2) in Limburg en Oost-Brabant sprak over passend onderwijs en de samenwerkingsverbanden in Nederland.

Directeur Jan Van Gorp van de Gemeentelijke Basisschool Sint-Jan in Arendonk, geïntegreerd-onderwijsbegeleider Tessa Maes en waarborgcoach Heleen Vervecken van de School voor Aangepast Individueel Gemeentelijk Onderwijs SAIGO in Mol vertelden over hoe het schoolbeleid en hun dagelijks werk eruitzien.

U kunt de presentaties downloaden via de website van OVSG:

M-decreet: stand van zaken in Vlaanderen
Passend onderwijs in Nederland
GON-aanbod SAIGO Mol
Waarborgproject SAIGO Mol
Zorg GBS Sint-Jan Arendonk

Expertmeeting over openbaar onderwijs

Op vrijdag 20 april 2018 organiseren VOS/ABB en OVSG een expertbijeenkomst over de identiteit van het openbaar onderwijs in Nederland en het neutrale openbare onderwijs in Vlaanderen. Deze bijeenkomst zal plaatsvinden in het zuiden van Nederland. De tijden en exacte locatie volgen later.

Landelijke Actieweek Thuiszitters

Van 8 tot en met 12 mei is de Landelijke Actieweek Thuiszitters. Dit is een initiatief van het Steunpunt Passend Onderwijs VO van de VO-raad in samenwerking met onder andere de PO-Raad.

Tijdens deze week kunt u deelnemen aan een groot aantal activiteiten, waarbij u nieuwe contacten kunt opdoen, bestaande samenwerkingen kunt versterken en aanpakken uit kunt wisselen.

Lees meer…

Verzekeringsaanbod voor samenwerkingsverbanden

Onze verzekeringspartner Aon heeft een speciaal aanbod voor regionale samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs.

De samenwerkingsverbanden hebben een aantal wettelijke taken die risico’s met zich meebrengen. U kunt daarbij denken aan de volgende taken:

    • Opstellen van een ondersteuningsplan.
    • Beoordelen of een leerling wordt toegelaten tot het speciaal onderwijs.
    • Verantwoording van het beleid afleggen in een jaarverslag.

De risico’s die deze taken met zich meebrengen liggen vooral op het gebied van aansprakelijkheid. Dat kan de organisatie raken, maar ook de bestuurder.

De risico’s zijn volgens Aon prima te verzekeren.

Lees meer…

Informatie: Helpdesk, 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, helpdesk@vosabb.nl

Geen extra geld voor hoogbegaafden

Er komt geen extra geld voor onderwijs aan hoogbegaafden, staat in een brief van staatssecretaris Sander Dekker van OCW.

Dekker reageert op een verzoek vanuit Den Haag voor extra geld boven op de reguliere rijksbegroting van schoolbesturen en samenwerkingsverbanden voor een aparte school voor hoogbegaafden.

De staatssecretaris schrijft in zijn brief dat er al voldoende mogelijkheden zijn om onderwijs aan hoogbegaafden te organiseren. Hij wijst onder andere op de taak die samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs op dit vlak hebben.

Over één ding is hij heel duidelijk: extra geld komt er niet.

Lees meer…

Grote steden willen veel minder thuiszitters

De gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht hebben samen met acht samenwerkingsverbanden concrete afspraken gemaakt om het aantal thuiszitters fors te laten dalen, meldt de website rijksoverheid.nl.

De vier grote steden en de betreffende samenwerkingsverbanden gaan onder meer regelen dat jongeren die thuiszitten sneller hulp krijgen vanuit de zorg, dat leerlingenvervoer geen probleem meer vormt als er een onderwijsplek is gevonden en dat alles op alles wordt gezet qua preventie.

De afspraken zijn een regionale uitwerking van het landelijke Thuiszitterspact. Dat werd vorig jaar gesloten door staatssecretarissen Sander Dekker van OCW en Martin van Rijn van Volksgezondheid. Het doel van dat pact is dat in 2020 geen enkel kind langer dan drie maanden thuiszit zonder een passend onderwijsaanbod.

Lees meer…

Onderwijs staat er financieel beter voor

‘We zien dat de onderwijsinstellingen er in 2015 financieel weer beter voor staan dan het jaar daarvoor. Dat betekent dat ze voorzichtig met hun (extra) geld zijn omgegaan. ‘Dat meldt de Inspectie van het Onderwijs in De financiële staat van het onderwijs 2015.

Bij het positieve beeld past volgens de inspectie wel een kanttekening. ‘Tussen sectoren zitten soms belangrijke verschillen, net als tussen de scholen binnen een sector. Zo zijn er instellingen die een forse spaarpot hebben aangelegd omdat ze teruglopende inkomsten verwachten vanwege de daling van het aantal leerlingen in hun regio. Ook zien we instellingen die spaarden voor verbouwingen of voor andere noodzakelijke verbeteringen.’

Financiële marges

Bij de liquiditeitspositie valt op dat kleine besturen ruimere (procentuele) marges aanhouden dan grote besturen. Dat komt doordat een klein bestuur minder mogelijkheden heeft om potentiële tegenvallers op te vangen dan een groot bestuur.

Uit het rapport blijkt verder dat de schoolbesturen in het funderend onderwijs in 2015 meer geld hebben uitgegeven aan personeel dan in 2014. In het voortgezet onderwijs komt dat door een absolute stijging van het aantal docenten in verband met de stijging van het aantal leerlingen.

In het primair onderwijs is al enige jaren sprake van leerlingendaling, maar waar er tussen 2011 en 2012 sprake was van een forsere personeelsreductie dan op basis van de leerlingenontwikkeling mocht worden verwacht, zijn er in 2014 en 2015 weer meer leraren aangenomen.

Passend onderwijs

Voor het eerst heeft de inspectie ook cijfers opgenomen over de samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs. ‘Zij bleken in 2015 zeer voorzichtig. We zagen betrekkelijk weinig financiële beleidskeuzes en als ze er al zijn ontbreekt de onderbouwing ervan.’

De inspectie merkt verder op dat het verstandig als scholen een reserve aanhouden, ‘maar de appeltjes voor de dorst moeten wel in verhouding blijven staan tot de reële risico’s die scholen lopen’. Sparen mag geen doel in zichzelf worden, benadrukt de inspectie, ‘en het mag zeker nooit ten koste gaan van noodzakelijke en gewenste investeringen in de kwaliteit van het onderwijs’.

Lees het rapport

Dekker tempert angst praktijkonderwijs

Staatssecretaris Sander Dekker van OCW denkt niet dat het praktijkonderwijs te maken krijgt met een toeloop van leerlingen met gedragsproblemen. Hij reageert daarmee op een artikel in het AD waarin de directeur van een praktijkschool die angst uitspreekt.

PvdA-Kamerlid Loes Ypma had vragen gesteld aan Dekker naar aanleiding van het artikel in het AD. Daarin spreekt directeur André Dokman van het Futura College in Woerden zijn vrees uit dat het loslaten van de landelijke criteria van het praktijkonderwijs zal leiden tot de komst van onder anderen cluster 4-leerlingen.

Met zijn antwoorden probeert Dekker die angst te temperen. ‘Sinds de invoering van passend onderwijs wijzen de samenwerkingsverbanden leerlingen op een zorgvuldige en professionele wijze ondersteuning toe. Ik heb er vertrouwen in dat samenwerkingsverbanden dat ook voor het praktijkonderwijs kunnen doen’, aldus de staatssecretaris.

Maatwerk en praktijkonderwijs

Als de criteria voor het praktijkonderwijs zijn losgelaten, kunnen samenwerkingsverbanden die criteria laten aansluiten op de criteria voor andere vormen van ondersteuning in de regio. Zo kan er volgens Dekker in de regio worden bepaald op welke school een leerling het best op zijn plek is. ‘Hierdoor zullen samenwerkingsverbanden nog beter in staat zijn maatwerk te leveren’, zo schrijft hij.

Hij tekent daarbij aan dat bij de invoering van passend onderwijs ook vrees bestond voor een grote toeloop van leerlingen uit het (voortgezet) speciaal onderwijs naar het reguliere onderwijs. ‘Dit is niet gebeurd’, aldus Dekker.

Lees meer…