Wat mag een onderwijsassistent of leraarondersteuner doen als een leraar uitvalt? Hoe zit het met bevoegdheid, beloning en functiewaardering? VOS/ABB zet vijf veelgestelde vragen over waarneming in het primair en voortgezet onderwijs op een rij.
1. Mag een onderwijsassistent of leraarondersteuner een klas overnemen bij ziekte van een leraar?
Ja, tijdelijke opvang van een groep of klas is mogelijk wanneer een leraar onverwacht afwezig is. Daarbij blijft de verantwoordelijkheid voor het onderwijs echter bij een bevoegde leraar.
Het maakt daarbij verschil of sprake is van een incidentele situatie van enkele uren of een dag, of van een terugkerende inzet gedurende langere tijd. Naarmate de inzet structureler wordt, neemt ook het belang toe van duidelijke afspraken over verantwoordelijkheid, begeleiding en beloning.
Voorbeeld: een onderwijsassistent vangt een groep op omdat de leerkracht onverwacht ziek naar huis moet. Dat is iets anders dan gedurende meerdere maanden wekelijks dezelfde groep begeleiden vanwege een lerarentekort.
2. Wat is de maximumtermijn van een waarneming?
Wet- en regelgeving kennen geen harde maximumtermijn voor een waarneming.
De beoordeling hangt af van factoren zoals:
- de duur van de inzet;
- de frequentie;
- de aard van de werkzaamheden;
- de mate van zelfstandigheid;
- de beschikbaarheid van een bevoegde leraar.
Een waarneming van enkele dagen zal doorgaans anders worden beoordeeld dan een situatie die maanden of zelfs jaren voortduurt. Hoe langer de situatie duurt, hoe kritischer gekeken moet worden naar de vraag of feitelijk sprake is geworden van structurele vervanging.
3. Mag een leraarondersteuner zelfstandig lesgeven?
Dat hangt af van wat onder zelfstandig lesgeven wordt verstaan.
Een leraarondersteuner kan vaak zelfstandig instructies geven, leerlingen begeleiden en onderwijsactiviteiten uitvoeren. De pedagogisch-didactische eindverantwoordelijkheid voor het onderwijs blijft echter bij een bevoegde leraar.
Hoe hoger de functie is gewaardeerd, hoe meer zelfstandigheid mag worden verwacht. Dat betekent echter niet automatisch dat ook sprake is van een onderwijsbevoegdheid.
4. Wanneer ontstaat recht op een toelage?
Dat hangt af van de sector en de gemaakte afspraken.
In het primair onderwijs hebben cao-partijen afspraken gemaakt over een vergoeding voor OOP’ers die een leraar waarnemen. Daarnaast kan een toelage aan de orde zijn wanneer medewerkers tijdelijk werkzaamheden verrichten die duidelijk boven het niveau van hun eigen functie uitstijgen.
In het voortgezet onderwijs zal vaker worden gekeken naar een tijdelijke toelage, taakuitbreiding of de vraag of de huidige functiewaardering nog passend is.
Als vuistregel geldt: hoe groter de extra verantwoordelijkheid, hoe relevanter de vraag naar een aanvullende beloning.
5. Wanneer moet een functie opnieuw worden gewaardeerd?
Niet iedere tijdelijke taakuitbreiding leidt direct tot functiewaardering.
Een nieuwe beoordeling komt vooral in beeld wanneer:
- zwaardere werkzaamheden structureel en substantieel worden opgedragen;
- de werkzaamheden duurzaam onderdeel zijn geworden van de functie;
- de feitelijke functie-inhoud afwijkt van de vastgestelde functiebeschrijving.
De vraag is daarbij niet wat een medewerker incidenteel doet, maar wat gedurende langere tijd daadwerkelijk van hem of haar wordt verwacht.
Wat is verstandig beleid?
Voor zowel PO- als VO-scholen geldt dat duidelijke afspraken veel discussie voorkomen.
Goed beleid bevat in ieder geval afspraken over:
- wanneer waarneming wordt gevraagd;
- welke werkzaamheden daarbij horen;
- hoe begeleiding en toezicht zijn geregeld;
- welke beloning van toepassing is;
- wanneer sprake is van een structurele situatie die opnieuw moet worden beoordeeld.
Zo wordt voorkomen dat tijdelijke oplossingen ongemerkt uitgroeien tot een nieuwe structurele praktijk.
Vragen of meer informatie?
Heb je vragen of wil je meer informatie op het gebied van HRM? Onze adviseurs staan voor je klaar. Neem contact op via hrm@vosabb.nl.