De Hoge Raad verduidelijkt en scherpt de regels aan voor de leerplichtvrijstelling. Reden daarvoor is dat het recht op onderwijs, dat door onder meer het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (het EVRM) wordt gewaarborgd en steeds meer betekenis krijgt, grenzen stelt aan de mogelijkheid van een vrijstelling. Dit geldt in het bijzonder bij het openbaar onderwijs. Daarvoor is een leerplichtvrijstelling alleen in uitzonderlijke gevallen mogelijk. Van de overheid mag actief handhavend optreden worden verwacht, zo nodig langs strafrechtelijke weg.
Oordeel Hoge Raad
Uitgangspunten wettelijke regeling
Op grond van de Leerplichtwet is degene die het gezag over en de feitelijke verzorging van een jongere heeft, verplicht te zorgen dat de jongere staat ingeschreven op een school en deze school na de inschrijving geregeld bezoekt. Daarmee wordt beoogd het recht op onderwijs voor het kind te garanderen, met oog voor het belang dat een kind, samen met andere kinderen, kan deelnemen aan het onderwijs op een school en zich zo kan ontwikkelen en vormen.
Op grond van ‘overwegende bedenkingen’ kan een beroep worden gedaan op vrijstelling van deze verplichting. Deze vrijstellingsgrond is in het leven geroepen met het oog op de eerbiediging van ernstige gemoedsbezwaren. Het beroep op deze vrijstellingsgrond moet voldoen aan in de wet omschreven voorwaarden.
Als een beroep is gedaan op de vrijstellingsgrond moet de rechter onderzoeken of het bezwaar de richting van het onderwijs betreft.
Verduidelijking en aanscherping toetsingskader
De Hoge Raad zet in zijn uitspraak uiteen wat het toetsingskader is voor de beoordeling van een beroep op de genoemde vrijstelling van de inschrijfplicht. De eerdere rechtspraak van de Hoge Raad wordt daartoe verduidelijkt en op onderdelen nader ingevuld en aangescherpt.
De reden daarvoor is allereerst dat in de praktijk vragen bestaan over de manier waarop dat toetsingskader moet worden toegepast. Daarnaast beoogt de Hoge Raad met de nadere invulling en aanscherping van het toetsingskader duidelijkheid te verschaffen over de grenzen die het recht op onderwijs, zoals dat in de loop van de tijd vorm heeft gekregen in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het EHRM) en in internationaalrechtelijke en Europeesrechtelijke bepalingen, stelt aan de mogelijkheid om een beroep op vrijstelling van de inschrijfplicht te honoreren wegens overwegende bedenkingen. Deze begrenzing houdt verband met de toegenomen betekenis van het recht op onderwijs voor een volwaardige deelname aan de samenleving, sinds de introductie van de vrijstellingsgrond in de Leerplichtwet 1900 en de handhaving daarvan in de nu geldende Leerplichtwet 1969.
De Hoge Raad is van oordeel dat met betrekking tot openbare scholen alleen nog met succes een beroep kan worden gedaan op de vrijstellingsgrond als komt vast te staan dat het onderwijs op alle openbare scholen binnen redelijke afstand van de woning, voor zover dat onderwijs godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is, niet plaatsvindt op een objectieve, kritische en pluralistische manier. Dit zal in de praktijk betekenen dat een beroep op deze vrijstellingsgrond, waar het gaat om openbaar onderwijs, nog slechts onder uitzonderlijke omstandigheden zal kunnen slagen.
De positieve verplichting voor de Nederlandse Staat om de maatregelen te nemen die nodig zijn om te garanderen dat kinderen onderwijs krijgen en om te zorgen dat het onderwijssysteem effectief is, brengt verder met zich dat actief optreden van de Staat nodig is om de Leerplichtwet 1969 te handhaven, zo nodig langs strafrechtelijke weg, als een kind verstoken dreigt te raken van het door het verdragsrecht gegarandeerde onderwijs.
De gehele uitspraak kunt u hier vinden. (uitspraak ECLI:NL:HR:2026:659)