Kamervragen over ‘wonderlijk laag loonbod’ VO-raad

D66 in de Tweede Kamer heeft staatssecretaris Sander Dekker van OCW vragen gesteld over het afgewezen loonbod van de VO-raad in de onderhandelingen over een nieuwe cao voor het voortgezet onderwijs.

Woensdag werd bekend dat de cao-onderhandelingen zijn vastgelopen. De Algemene Onderwijsbond (AOb) meldde dat het geen zin heeft om met de VO-raad verder te praten. AOb-bestuurder Ben Hoogenboom zei dat de sectororganisatie met een ‘wonderlijk laag’ loonbod van 0,2 procent was gekomen.

Over een hoger loonbod wilde de VO-raad volgens Hoogenboom alleen nadenken als er werd ingeleverd op andere arbeidsvoorwaarden. ‘Oftewel: of we onze eigen loonsverhoging maar even willen betalen’, schamperde de AOb-bestuurder.

Ver van elkaar
De VO-raad bevestigde dat ‘de partijen op een aantal grote punten ver van elkaar staan’. Onderhandelaar Marc Mittelmeijer van de sectororganisatie: ‘De bonden hebben in het overleg aangegeven alleen over loonruimte en de Wet Werk en Zekerheid te willen spreken.’ De VO-raad benadrukt dat het ook van belang is om afspraken te maken over meer beleidsvrijheid om belangrijke innovaties in het onderwijs te kunnen realiseren.

Vooralsnog is geen nieuw cao-overleg gepland. Volgens de VO-raad is de kans klein dat voor 1 augustus 2015, de datum waarop de huidige CAO VO afloopt, er een nieuwe cao voor het voortgezet onderwijs ligt.

Loonbijstelling 2015
De D66-Tweede Kamerleden Paul van Meenen en Steven van Weyenberg hebben naar aanleiding van het vastlopen van de cao-onderhandelingen vragen gesteld aan staatssecretaris Dekker. Zij willen van hem weten hoeveel de lonen in het voortgezet onderwijs gemiddeld kunnen stijgen als de loonbijstelling die in 2015 wordt uitgekeerd daar volledig voor wordt benut.

Ze willen ook weten of de daling van het werkgeversdeel van de pensioenpremies heeft geleid tot extra financiële ruimte voor vo-scholen. Ze vragen Dekker tevens wat hij ervan vindt dat de werkgevers de daling van de pensioenpremies ‘niet doorvertalen naar de werknemers’. Hun vragen zijn erop gericht om die doorvertaling alsnog te laten plaatsvinden teneinde de koopkracht van personeel in het voortgezet onderwijs te vergroten.