‘Aantal achterstandsleerlingen daalt niet’

Statistieken laten zien dat het aantal achterstandsleerlingen daalt, maar volgens wethouder Hugo de Jonge in Rotterdam is dat niet waar. Hij zegt dat de definitie van de achterstandsleerling, die het Rijk hanteert, niet klopt. ‘Scholen zien het aantal achterstandsleerlingen niet verminderen, alleen het geld ervoor’, twitterde hij. 

Etniciteit
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) meldde vanmorgen in een persbericht dat het aantal achterstandsleerlingen in het basisonderwijs de laatste jaren met een kwart is afgenomen. Op Radio Rijnmond gaf de Rotterdamse wethouder een toelichting op zijn twitter-reacite:  ‘Een kind wordt gezien als achterstandsleerling als zijn ouders een laag opleidingsniveau hebben. We zien inderdaad dat steeds meer ouders hoger opgeleid zijn, wat op zich mooi is, maar het zegt toch niet alles over de leerling. We hebben bijvoorbeeld kinderen uit Midden- en Oost-Europa met ouders die wel een goede opleiding hebben, maar hun kinderen kampen wel een taalachterstand in ons onderwijs’.
Voor deze kinderen krijgen de scholen geen achterstandsgelden, terwijl ze wel bijgespijkerd moeten worden. De Jonge vindt dan ook dat de definitie van een achterstandsleerling anders moet. Naar zijn idee moet er ook gekeken worden naar etniciteit en armoede. Hij heeft dat aangekaart bij de Tweede Kamer.

Advies en brandbrief
Overigens heeft ook de Onderwijsraad in 2013 geadviseerd dat etniciteit weer moet meetellen. De wethouders van de vier grote steden stuurden in april 2015 nog een brandbrief aan de staatssecretaris met een protest tegen de herverdeling van achterstandsgelden. De grote steden gaven toen ook aan dat migrantenkinderen kampen met een taalachterstand, ook als hun ouders niet laagopgeleid zijn. Eind 2015 wees staatssecretaris Dekker het verzoek om de regeling te veranderen wederom af. Hij vindt dat het gebruik van etniciteit als indicator stigmatiserend werkt.

Gewichtenregeling
Het CBS telde in het schooljaar 2015-2016 bijna 134.000 achterstandsleerlingen in het regulier basisonderwijs. Vier jaar daarvoor waren het er nog ruim 186.000. Scholen krijgen voor achterstandsleerlingen extra budget via de zogenoemde gewichtenregeling. Het leerlinggewicht wordt tegenwoordig bepaald op basis van het opleidingsniveau van de ouders, maar dat zegt dus niets over de verstandelijke vermogens of prestaties van de leerling zelf.

In percentages gezien is het aantal achterstandsleerlingen teruggelopen van 12 tot 9 procent, meldt het CBS. Rotterdam is de gemeente met de meeste achterstandsleerlingen: 20 procent. Maar volgens wethouder Hugo de Jonge is dat aantal dus nog veel groter. Op de site van CBS staat meer informatie en grafieken over de herkomst van de achterstandsleerlingen en de verdeling over het land.

 

Dekker blijft erbij: etniciteit niet in gewichtenregeling

Etniciteit keert als criterium niet terug in de gewichtenregeling, herhaalt staatssecretaris Sander Dekker van OCW in antwoord op vragen van SGP-Tweede Kamerlid Roelof Bisschop.

Volgens Bisschop signaleren onderwijsprofessionals dat voor kinderen van ‘buitenlandse ouders met een beperkt ontwikkelingsniveau’ geen aanvullende bekostiging beschikbaar wordt gesteld, terwijl de onderwijsachterstanden bij deze kinderen ‘onverminderd aanwezig zijn’. Het SGP-Kamerlid verwijst in dit kader naar het advies van de Onderwijsraad om etniciteit weer een plaats te geven in de gewichtenregeling.

Dekker gaat dat niet doen, zo herhaalt hij tegenover Bisschop. ‘Ik heb uw Kamer in 2014 mijn reactie gegeven op het advies van de Onderwijsraad. Een herintroductie van etniciteit – nadat deze indicator in 2006 is losgelaten – vind ik omwille van de volgende redenen niet wenselijk. Het gebruik van etniciteit als indicator werkt stigmatiserend door deze structureel aan achterstanden te koppelen. Het onderscheid tussen autochtonen en allochtonen is in de loop der jaren steeds diffuser geworden. Dat het CBS derde generatie immigranten als autochtonen aanmerkt, draagt hieraan bij’, aldus de staatssecretaris.

Hij vervolgt: ‘Bij een keuze voor etniciteit zou voor autochtone achterstandsleerlingen nog een andere indicator moeten worden bepaald. Een extra indicator naast etniciteit zou echter de complexiteit van de regeling vergroten.’