Weinig vertrouwen in Bussemaker en Dekker

Minister Jet Bussemaker van OCW wint wat aan vertrouwen, maar staatssecretaris Sander Dekker verliest het juist. Dat blijkt uit de jongste politieke barometer van DUO Onderwijsonderzoek.

Voor de politieke barometer is gekeken naar het vertrouwen dat Bussemaker en Dekker hebben onder directeuren in het voortgezet onderwijs.

Een enkele directeur heeft zeer veel vertrouwen (1 procent) in de minister, 11 procent heeft veel vertrouwen in Bussemaker, 50 procent geeft haar het voordeel van de twijfel en 18 procent heeft (helemaal) geen vertrouwen in haar.

Ten opzichte van de vorige meting in november 2014 is het vertrouwen in de minister enigszins gegroeid, maar het blijft achter bij het vertrouwen dat directeuren direct na de installatie van het kabinet in november 2012 in haar hadden.

Wie heeft er nog vertrouwen in Sander Dekker?

Staatssecretaris Dekker verliest het vertrouwen van directeuren in het voortgezet onderwijs, ook ten opzichte van de situatie in november 2014.

Slechts 5 procent heeft (veel) vertrouwen in hem, terwijl 23 procent hem het voordeel van de twijfel geeft. Ruim de helft (52%) heeft (helemaal) geen vertrouwen meer in de staatssecretaris.

Lees meer…

Geld direct aan scholen uitkeren is niet efficiënter

Als het onderwijsgeld direct aan de scholen worden uitgekeerd in plaats van aan hun besturen, levert dat geen besparing op. In tegendeel: de kosten zouden dan hoger kunnen zijn dan nu het geval is. Dat stelt minister Jet Bussemaker van OCW in een reeks antwoorden op Kamervragen.

Naar aanleiding van het jaarverslag over 2013 van het ministerie van OCW was vanuit de Tweede Kamer de vraag gekomen of het voordeliger zou zijn om het onderwijsgeld voortaan direct aan de scholen uit te keren in plaats van aan de schoolbesturen. Volgens Bussemaker lukt het op die manier niet om meer geld in de klas terecht te laten komen.

‘Als de bekostiging direct aan scholen wordt uitgekeerd zal dat op zich geen besparing opleveren. Ook in dat geval zal er een administratie moeten worden bijgehouden, zullen keuzes moeten worden gemaakt en verantwoord worden en zal er dus een zekere mate van overhead nodig zijn. Als iedere school dat voor zichzelf gaat organiseren zouden de kosten wel eens hoger kunnen uitpakken en is er dus geen sprake van een opbrengst’, aldus de minister.

Bussemaker erkent dat niet duidelijk is hoe de verhouding is tussen de bedragen die ten goede komen aan het primaire proces en het geld dat in het onderwijs aan overhead wordt besteed: ‘De regels voor de inrichting van de jaarverslaglegging schrijven voor op welke manier de besturen van onderwijsinstellingen hun uitgaven moeten verantwoorden. Hierbij zijn diverse rubrieken verplicht. Binnen deze rubrieken vormen het primaire proces en de overhead geen aparte verslaggevingscategorieën.’

Ze concludeert dat de uitsplitsing van de uitgaven in primair proces en overhead ‘lastig is en zeker niet eenduidig vast te stellen.’

Bussemaker wil aandacht seksuele diversiteit vasthouden

Minister Jet Bussemaker van OCW reageert verheugd op de uitkomsten van het rapport Anders in de klas van het Sociaal en Cultureel Planbureau. In dat rapport over de aandacht in het onderwijs voor seksuele diversiteit staat onder andere dat lesbische, homoseksuele en biseksuele leerlingen en transgenders (lhbt) zich veiliger zijn gaan voelen.

‘Het is blijkbaar effectief om al op de basisschoolleeftijd aandacht te hebben voor seksuele diversiteit’, aldus Bussemaker in een brief aan de Tweede Kamer. Wat betreft het voortgezet onderwijs merkt ze op dat ook daar niet-heteroseksuele leerlingen zich veiliger zijn gaan voelen.

‘Leerlingen zijn aan het denken gezet, leraren zijn alerter geworden, en er is meer draagvlak op school’, schrijft de minister. Ze verwacht dat aandacht voor seksuele diversiteit op de lange termijn zijn vruchten blijft afwerpen, maar dan moeten scholen hier wel actief op blijven.

Bussemaker pleit voor open bestuurscultuur

Schoolbestuurders moeten aanspreekbaar zijn en nieuwsgierig en geïnteresseerd. Dat heeft minister Jet Bussemaker benadrukt in haar toespraak voor het congres van de PO-Raad in Harderwijk.

Haar toespraak ging onder andere over goed onderwijs, waarvoor het nodig is kansen te zien en te creëren. ‘Reflecteren op waar je mee bezig bent – als bestuur, als school, als team – is daarbij essentieel. In het voortdurende besef dat de definitie van ‘goed onderwijs’ niet statisch is. Maar afhankelijk van en dienend aan wat er gebeurt in de klas, op school en in de wereld.’

‘Voor bestuurders vind ik het daarom essentieel, dat ze aanspreekbaar zijn. Nieuwsgierig en geïnteresseerd. Dat ze ruimte laten voor discussie. Debat faciliteren en entameren. Bijvoorbeeld door intervisie onder leraren te stimuleren’, aldus Bussemaker.

Ze zei ook dat het organiseren van tegenkracht erbij hoort. ‘Bijvoorbeeld door medezeggenschap serieus te nemen. Het is niet voldoende als docenten, leerlingen en ouders zich alleen betrokken voelen. Het gaat erom dat ze betrokken zijn. Dat ze hun stem niet alleen laten horen, maar die ook kunnen laten gelden.’ Dit vraagt volgens de minister van bestuurders een ‘stimulerende en uitnodigende opstelling’.

Speciale editie Donald Duck over digitaal programmeren

Minister Jet Bussemaker van OCW heeft dinsdagochtend het eerste exemplaar van de DigiDuck in ontvangst genomen.

De speciale Donald Duck-editie wordt in een oplage van 300.000 stuks verspreid. Met het initiatief wordt aandacht gevraagd voor de noodzaak om in het onderwijs meer aandacht te besteden aan het leren van digitaal programmeren.

Minister Bussemaker zegt te hopen dat de speciale uitgave meer jongeren enthousiast maakt voor techniek: ‘De DigiDuck nodigt kinderen uit tot nieuwsgierigheid, tot doordenken en doorvragen. Om samen met elkaar of met je ouders aan de hand van het verhaal te praten over hoe dingen werken. Wat het verband is tussen a en b? Vaardigheden die kinderen goed kunnen gebruiken in de 21e eeuw.’

Lees meer op de website van Kennisnet.

Kwaliteit is kwestie van samenwerking op alle niveaus

‘Waar het beter kan, moet het ook beter, want goed onderwijs is cruciaal voor de samenleving.’ Dat stellen minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker van OCW in hun beleidsreactie op het Onderwijsverslag 2012-2013 van de Inspectie van het Onderwijs.  

Ze willen samen met schoolbestuurders, schoolleiders, toezichthouders, leraren en andere betrokkenen ‘consequent verder werken aan de stap van goed naar beter onderwijs’. De minister en de staatssecretaris schrijven dat ze daarvoor het Regeerakkoord, het Nationaal Onderwijsakkoord, de Lerarenagenda en binnenkort de sectorakkoorden willen gebruiken. ‘Met onze plannen willen we de gewenste kwaliteitscultuur in de praktijk van de klas realiseren zodat de leerling (…) optimaal in de gelegenheid wordt gesteld om zijn talenten te ontwikkelen. Daar willen we maximaal op inzetten.’

Deskundigheidsbevordering neemt in de beleidsreactie een prominente plaats in. Daarbij richten Bussemaker en Dekker hun aandacht niet alleen op de leraren, maar ook op de schoolleiders en zeer zeker op de schoolbestuurders. ‘Verbetering van de bestuurskracht van de onderwijssector is een blijvende opdracht aan iedereen en een proces van continue verbetering.’

De beleidsreactie gaat tevens in op het feit dat kwaliteit van onderwijs van meer factoren afhangt dan alleen prestaties op rekenen en taal. ‘De inspectie vraagt terecht aandacht voor het belang van een brede kijk’, zo schrijven de minister en de staatssecretaris. Ze willen ‘samen met schoolleiders en schoolbestuurders nader onderzoeken of en zo ja hoe het curriculum verder versterkt moet worden’.

Lees ook Schoolbesturen moeten meer doen voor goed onderwijs.

Lat gaat omhoog: voldoende is niet goed genoeg

Niet alleen (zeer) zwakke scholen, maar ook scholen die voldoende presteren moeten zich verbeteren. Dat benadrukken minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker van OCW in een brief aan de Tweede Kamer over de transitie van het inspectietoezicht.

‘Wij willen in het onderwijs toe naar een kwaliteitscultuur waarbij het voor alle partijen vanzelfsprekend is om te blijven streven naar verbetering, ook al is het basisniveau op orde. Dat komt ten goede aan alle leerlingen (…) zodat zij hier optimaal van kunnen profiteren in alle leer- en vormingsgebieden’, zo staat in de brief.

Bussemaker en Dekker gaan bij hun streven uit van ‘een hoge mate van autonomie voor scholen in combinatie met het afleggen van publieke verantwoording’. Dat is volgens hen ‘het beste recept voor goede resultaten’. Ze willen naar een verbetercultuur toe ‘die door alle betrokkenen intrinsiek wordt beleefd’. Ze vinden dat dit ook zichtbaar moet zijn.

Daarom komen er in het primair, speciaal en voortgezet onderiwjs naast de al bestaande oordelen ‘zeer zwak’, ‘zwak’, ‘basiskwaliteit’ en het predicaat ‘excellent’ de oordelen ‘voldoende’ en ‘goed’. Het inspectie-oordeel ‘goed’ moet van de minister en de staatssecretaris voor alle scholen het streven zijn, en niet slechts de basiskwaliteit.

Elke school krijgt een kwaliteitsprofiel. De inspectie kijkt daarvoor niet alleen aar leerprestaties en de sociale opbrengsten, maar ook naar de wijze en de voorwaarden waaronder deze tot stand komen. Ouders, leerlingen en leraren moeten met het kwaliteitsprofiel ‘een handzaam en informatief beeld over de kwaliteit van de school’ krijgen.

‘Het kwaliteitsprofiel en het daarop gebaseerde oordeel zullen actief en breed openbaar worden gemaakt, onder andere via de website van de inspectie’, aldus Bussemaker en Dekker in hun brief.

Het kwaliteitsprofiel en het daarop gebaseerde oordeel van de inspectie worden gebaseerd op vijf kwaliteitsgebieden:

  • Onderwijsresultaten
  • Onderwijsproces
  • Schoolklimaat en veiligheid
  • Kwaliteitsborging en ambities
  • Financiële en materiële voorzieningen

In de brief benadrukken de minister en de staatssecretaris dat de schoolbesturen eindverantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van hun scholen en dat de besturen de inspectie met informatie moeten voeden. ‘Naarmate besturen zelf over betere informatie beschikken en zich daarover verantwoorden, zal de inspectie minder zélf verzamelen en minder eisen stellen aan de vorm en inhoud van de door besturen geleverde informatie.’

Wat vindt VOS/ABB van de transitie van het inspectietoezicht? Lees het commentaar van adjunct-directeur Anna Schipper, die namens VOS/ABB in de zogenoemde eerste ring van de Inspectie van het Onderwijs zit.

Informatie: Helpdesk, 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, helpdesk@vosabb.nl

Inspectie onderzoekt voorlichting seksuele diversiteit

De Inspectie van het Onderwijs gaat volgend jaar onderzoek doen naar de invoering van de verplichte voorlichting op scholen over seksuele diversiteit. Dat heeft minister Jet Bussemaker van OCW toegezegd in het Kamerdebat over het emancipatiebeleid voor lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen en transgenders (LHBT).

Basis voor het onderzoek van de inspectie worden de resultaten van een aantal lopende onderzoeken, zoals een onderzoek naar de uitwerking van het nieuwe kerndoel in lesmateriaal en docentenhandleidingen en de veiligheidsmonitor over de positie van LHBT-leerlingen. Minister Bussemaker verwacht dat het onderzoek van de inspectie in de eerste helft van 2016 klaar zal zijn.

Sinds december 2012 is voorlichting over seksuele diversiteit opgenomen in de kerndoelen van het primair en voortgezet onderwijs. Het onderzoek van de inspectie was een uitdrukkelijke wens van homobelangenorganisatie COC en de Tweede Kamerfracties van D66 en VVD.

Bussemaker wil geen toelatingstoets pabo’ers

Minister Jet Bussemaker van OCW ziet vooralsnog geen aanleiding om een toelatingstoets mogelijk te maken voor mbo-studenten die naar de pabo willen. Zij zei dit tijdens een debat met de Vaste Kamercommissie voor Onderwijs, meldt de Vereniging Hogescholen.

De Vereniging Hogescholen had de Tweede Kamer gevraagd om een toelatingstoets voor mbo-studenten mogelijk te maken. Aanleiding daarvoor is de grote uitval van mbo-studenten in het eerste jaar van de pabo.

Bussemaker erkende tijdens het debat dat er op dit moment veel mbo’ers uitvallen vanwege de reken- en/of taaltoetsen. Ze zei ook dat het van groot belang is dat mbo’ers goed worden opgeleid om zodoende de pabo aan te kunnen. Volgens haar zijn er al diverse maatregelen genomen om het instroomniveau van een mbo-student te verhogen.

Zij doelde daarmee onder andere op de verhoging van het huidige eindexamenniveau voor de vakken Nederlands en rekenen. Dat moet in respectievelijk 2015 en 2016 gerealiseerd zijn. De minister is ervan overtuigd dat dit haalbaar is en vindt daarom een selectie aan de poort nu niet nodig.

‘Docent krijgt waardering die past bij uitdaging’

‘Als docent krijg je een uitdaging van formaat en de waardering die daarbij past.’ Dat staat in de reactie van het kabinet op het advies Naar een lerende economie van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR).

De waardering van docenten uit zich volgens het kabinet in vertrouwen, status en arbeidsvoorwaarden. ‘Het in de spotlight zetten van excellente, inspirerende leraren kan daarbij katalyserend werken. Wij geven met de verdere uitwerking van de Lerarenagenda invulling aan die ambities’, zo melden de ministers Jet Bussemaker van OCW en Henk Kamp van Economische Zaken in hun reactie.

De ministers gaan ook in op de openheid die volgens hen in het onderwijs groter moet worden. ‘Onderwijsinstellingen en docenten leren nog onvoldoende van elkaar en hun omgeving. Het onderwijsveld moet zelf deze verantwoordelijkheid nog meer nemen.’

Bussemaker en Kamp schrijven voorts dat het onderwijsstelsel en de daarbij horende regelgeving ruimte moeten bieden om verbeteringen te realiseren. ‘Het kabinet gaat daarbij uit van verdiend vertrouwen en ruimte voor de professional’, aldus de ministers.

Digitaal
Over het gebruik van ICT in onderwijs, stellen ze dat op dit gebied nog veel mogelijkheden niet worden benut. ‘De stijgende lijn en alle goede initiatieven ten spijt wordt ICT nog steeds onvoldoende gebruikt als een instrument om de grote uitdagingen van het onderwijs aan te gaan.’

Dit is de reden, zo benadrukken ze, waarom het kabinet vorig jaar het startsein heeft gegeven voor het Doorbraakproject ICT en onderwijs. Dit project richt zich in eerste instantie op het beschikbaar krijgen van voldoende aantrekkelijke digitale leermiddelen.

Bussemaker overhandigt promotiebeurzen

Minister Jet Bussemaker van OCW heeft maandagmiddag aan 37 leraren een promotiebeurs overhandigd. Dat deed ze op een speciale bijeenkomst bij de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) in Den Haag.

De promotiebeurs bestaat sinds 2011. Deze beurs is bedoeld voor leraren uit onder andere het primair en voortgezet onderwijs die willen promoveren. Het ministerie van OCW wil leraren hiermee de kans bieden zichzelf verder te ontwikkelen en de aansluiting tussen universiteiten en scholen te versterken.

De gedachte is dat het goed is voor de kwaliteit van het onderwijs als er meer gepromoveerde leraren voor de klas staan. Belangrijk bij het promotieonderzoek is dat de opgedane kennis en onderzoekservaring direct ten goede komen aan de onderwijspraktijk.

Leraren met een promotiebeurs worden vier jaar lang maximaal twee dagen per week met behoud van salaris vrijgesteld om te werken aan hun promotieonderzoek. Scholen ontvangen een rijksbijdrage om de leraar te kunnen vervangen.

Op de website van NWO staat de lijst met gehonoreerde leraren.

Berichten over oppotten tendentieuze onzin

Een verantwoorde financiële buffer opbouwen is wat anders dan geld overhouden. Dat is de strekking van antwoorden van minister Jet Bussemaker van OCW op Kamervragen van de Partij van de Arbeid.

Kamerlid Mohammed Mohandis van de PvdA stelde vragen naar aanleiding van een artikel in NRC. De krant meldde op basis van een bericht van de Algemene Onderwijsbond (AOb) dat onderwijsinstellingen in 2012 ruim 300 miljoen euro hebben overgehouden. De AOb gebruikt de tendentieuze term ‘oppotten’.

De minister zet dit bericht voor Mohandis in een verhelderend kader: ‘Een incidenteel positief resultaat betekent niet per definitie dat de sectoren geld ‘overhouden’. Voor een prudent financieel beleid is het zaak om op de lange termijn naar evenwicht te streven. Dit sluit aan bij de bevindingen van de commissie Vermogensbeheer Onderwijsinstelling.’

Deze commissie, ook wel bekend als de commissie-Don, adviseerde dat onderwijsinstellingen een meerjarige financiële planning en een op de eigen omstandigheden toegesneden risicoanalyse moesten opstellen. ‘Instellingen kunnen zelf van jaar tot jaar een inschatting maken om in te teren, te lenen of te sparen om zo een financiële buffer op te bouwen voor het opvangen van risico’s of om te investeren’, aldus Bussemaker.

De situatie in het primair en voortgezet onderwijs relativeert het AOb- en NRC-bericht nog verder. Het basisonderwijs liet in 2012 een positief resultaat zien van 5 miljoen euro, wat overeenkomst met 0,1 procent van de totale baten. Het was voor het eerst sinds 2008 dat er een positief resultaat was. In de jaren 2010 en 2011 was het totale negatieve resultaat 233 miljoen euro (in de min dus).

Het voortgezet onderwijs had in deze jaren een totaal negatief resultaat van 140 miljoen euro. In 2012 was er een positief resultaat van 94 miljoen euro. Dat kwam overeen met 1,2 procent van de totale baten.

Weinig vertrouwen in Nationaal Onderwijsakkoord

Schooldirecteuren en leraren hebben maar weinig vertrouwen in het Nationaal Onderwijsakkoord (NOA). Dat meldt DUO Onderwijsonderzoek, dat onder mensen uit het basis- en voortgezet onderwijs een opiniepeiling heeft uitgevoerd.

DUO Onderwijsonderzoek meldt dat in het basisonderwijs 18 procent van de directeuren en leraren het NOA geloofwaardig acht. In het voortgezet onderwijs is met 10 procent het vertrouwen nog geringer. Bijna niemand gelooft dat de werkdruk zal afnemen.

Als het gaat om het vertrouwen in het tweede kabinet-Rutte, wordt in het funderend onderwijs een daling geconstateerd. Nog maar iets meer dan de helft van de directeuren en leraren in het basisonderwijs heeft vertrouwen in het kabinet. In het voortgezet onderwijs is dat nog maar iets meer dan eenderde. Minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker van OCW doen het onder schooldirecteuren en leraren ook slecht.

Het enige lichtpuntje uit de opiniepeiling is voor D66. De partij, die zich altijd al als dè onderwijspartij profileert, wint onder schooldirecteuren en leraren aan populariteit.

Minister Bussemaker jaagt woedende AOb op de kast

Het Nationaal Onderwijsakkoord is bedoeld om werkgevers en werknemers zover te krijgen dat ze doen wat in het regeerakkoord staat. Dat zegt minister Jet Bussemaker van OCW in de Volkskrant.

De minister voegt daaraan toe: ‘Anders kan ik stoer roepen: oudere leraren moeten gewoon doorwerken. Maar dan gaat het gewoon niet gebeuren, want dat is iets waar de schoolbestuurders en en vakbonden samen over gaan.’ De uitspraken van Bussemaker zijn koren op de molen van de Algemene Onderwijsbond (AOb), die uit de onderhandelingen is weggelopen en het akkoord niet heeft ondertekend.

‘Het is goed dat Bussemaker dit toegeeft, maar typerend dat ze ermee heeft gewacht tot de handtekeningen onder het akkoord staan. Behalve die van de AOb en de Abvakabo dan,’ zegt AOb-voorzitter Walter Dresscher in reactie op het interview in de Volkskrant.

‘De decentralisatie van de cao-onderhandelingen wordt door het kabinet kennelijk als probleem ervaren en dat is nu met chantage omzeild. Terwijl het onderwijspersoneel nooit om decentralisatie heeft gevraagd. Het was een politieke wens om de cao-onderhandelingen in het onderwijs weg te halen bij het ministerie en ons te laten praten met de diverse opgetuigde werkgeversclubs. Die zullen wel blij zijn met dit interview: feitelijk zet de minister ze weg als stromannetjes voor het departement’, aldus Dresscher.

Leerlingen moeten van minister emanciperen

Minister Jet Bussemaker van OCW roept op tot meer ‘genderdiversiteit’ in het onderwijs. Haar oproep staat in de Hoofdlijnenbrief Emancipatiebeleid 2013-2016.

Meisjes en jongens verschillen van elkaar in hun onderwijsloopbanen. Het gaat daarbij onder andere om onderwijsprestaties en opleidingsrichtingen. Het is echter te beperkt om alleen hiernaar te kijken, zo stelt de minister: ‘Onderwijs maakt deel uit van de samenleving én vormt de samenleving. Jongens en meisjes worden in de periode waarin ze onderwijs volgen, gevormd tot de mannen en vrouwen van de toekomst.‘

De minister noemt sociale uitwisseling binnen en buiten het onderwijs als een belangrijk vormend element voor jongeren. De verschillen tussen de schoolloopbanen van meisjes en jongens hebben volgens haar echter ook te maken met verschillen in werkhouding, gedrag en omgevingsinvloeden. ‘Een omgevingsinvloed is bijvoorbeeld de sterke groepsdruk onder pubers, die bij jongens vaak resulteert in het elkaar opleggen van een stoere anti-schoolhouding, terwijl meisjes wel ijverig en gehoorzaam ‘mogen’ zijn’, zo staat in haar brief aan de Tweede Kamer.

De minister ziet dat jongens en meisjes gevoelig lijken voor genderstereotypen bij het kiezen voor profielen, sectoren en vervolgopleidingen. Zo kiezen meisjes zelden voor techniek en jongens zelden voor zorg. Bussemaker stelt dat deze verschillen ‘vragen om duiding, om het versterken van gendersensitiviteit in het onderwijs, om het tegengaan van genderstereotypering, maar (…) ook om het in een bredere context verbinden van de thema’s seksuele weerbaarheid en geweld, uitval in het onderwijs, criminaliteit en jeugdwerkloosheid.’

Strakke regels voor bestuurders en toezichthouders

Minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker van OCW willen onderwijsbestuurders en -toezichthouders aan strakke regels binden. Dat schrijven ze in een brief aan de Tweede Kamer.

Bestuurders en toezichthouders kunnen straks niet alleen bij financieel wanbeleid, maar ook bij onderwijskundig falen worden aangepakt. Ook wordt het mogelijk om hen te schorsen of te ontslaan om daarmee de continuïteit van het onderwijs te kunnen garanderen. Als ze op onbehoorlijke wijze hun taak vervullen, kunnen bestuurders en toezichthouders hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld.

Bussemaker en Dekker schrijven dat de maatregelen pas in beeld komen als bestuurders zelf geen gebruik maken van het instrumentarium dat hun al ter beschikking staat, bijvoorbeeld in governance codes, en er blijk van geven dat hun 'moreel kompas niet goed genoeg staat afgesteld om in het onderwijs te kunnen werken'. Het doel van de maatregelen is het verbeteren van de kwaliteit van het bestuur van en het in- en extern toezicht op onderwijsinstellingen.

De brief volgt onder andere op het omvallen van onderwijskolos Amarantis en de bestuurscrisis bij Stichting BOOR voor openbaar onderwijs in Rotterdam.

​Op de website van het ministerie staat een uitgebreider bericht.