Minder geld voor hoogbegaafden en zomerscholen

Het ministerie van OCW bezuinigt 34,3 miljoen euro op onderwijssubsidies. Dat blijkt uit de Voorjaarsnota 2018. Er wordt onder andere gekort op onderwijs aan hoogbegaafde leerlingen en zomerscholen, meldt de Telegraaf.

De bezuiniging op de onderwijssubsidies heeft te maken met een misrekening van het ministerie van OCW. Dat had niet verwacht dat er dit jaar nog veel studenten zouden afstuderen die nog onder de oude prestatiebeurssystematiek vallen. Deze studenten krijgen hun studiefinanciering, als ze op tijd afstuderen, nog als gift. Verder blijkt dat het ministerie van OCW tevens verkeerd heeft ingeschat hoeveel mensen zijn gaan studeren. Dat levert ook een tegenvaller op.

OCW moet dus financiële gaten vullen, en dat doet het ministerie onder meer door te korten op subsidies. ‘Het gaat bijvoorbeeld om subsidies voor hoogbegaafde leerlingen en zomerscholen’, zo staat in de Telegraaf. Een woordvoerder van het ministerie van OCW bevestigt tegenover VOS/ABB dat dit ‘op hoofdlijnen’ klopt.

Het nieuws over de bezuiniging op onderwijssubsidies, die dus onder andere ten koste gaan van zomerscholen en onderwijs aan hoogbegaafde leerlingen, valt samen met het jubelbericht van het ministerie van Financiën dat de overheidsfinanciën ‘onverminderd een positief beeld’ vertonen.

Instroom pabo en lerarenopleiding keldert

Het aantal nieuwe voltijdstudenten op de pabo is tussen 2014 en 2015 met 35 procent afgenomen. Ook bij de lerarenopleidingen neemt het aantal nieuwe studenten af. Dat staat in een monitorrapportage over het hoger onderwijs.

Er is met name een enorme daling van de aantallen nieuwe studenten aan de pabo die afkomstig zijn uit mbo of havo. In 2015 waren die aantallen respectievelijk 55 procent en 26 procent lager dan in 2014. De totale instroom in de (voltijds)pabo was in 2015 ruim 3250, terwijl dat in 2006 nog ruim 7000 was.

Minister Jet Bussemaker van OCW meldde eerder dat de grote afname van het aantal mbo’ers dat naar de pabo gaat, samenhangt met strengere toelatingseisen. Met name studenten met een allochtone achtergrond zouden de pabo te moeilijk vinden.

Mannen en vrouwen

Het aantal vrouwen dat voor de pabo kiest, daalde met 36 procent, het aantal mannen met 30 procent. Hiermee verandert de man-vrouwverhouding in de pabo iets: het aandeel mannelijke pabostudenten in 2014 was 20 procent, in 2015 was dat 21 procent. In 2006 was het aandeel mannen in de instroom in de pabo 16 procent.

In de monitor staat verder dat de pabo de ‘betere’ vwo-hbo-doorstromer trekt. Vwo-gediplomeerden die kiezen voor de pabo, hebben doorgaans iets hogere eindexamencijfers behaald dan andere vwo’ers die kiezen voor het hbo.

Lerarenopleidingen

Ook de instroom in de eerstegraadslerarenopleidingen en onderwijsmasters in het hbo neemt af. In 2009 was nog sprake van een instroom van ruim 3700, in 2015 was dat ruim 2600. Aan de universiteiten starten jaarlijks ruim 1000 studenten met een eerstegraadslerarenopleiding. In 2013 waren dit er nog bijna 1200.

Leenstelsel en toegankelijkheid

Als wordt gekeken naar het hoger onderwijs in zijn geheel, dan wordt ook een daling van het aantal studenten gesignaleerd. De Vereniging Hogescholen legt hierbij een verband met de invoering van het leenstelsel voor studenten en maakt zich in het verlengde hiervan zorgen over de toegankelijkheid van het hoger onderwijs.

‘In het bijzonder de grote daling (7%) van het aandeel studenten waarvan geen van beide ouders een hogere opleiding heeft genoten is zorgwekkend en is een signaal dat de toegankelijkheid van het hbo onder druk staat’, aldus de Vereniging Hogescholen.

Boeggolfeffect

Minister Bussemaker stelt in aanbieidingsbrief bij de monitor dat de dip in de directe instroom ‘lijkt te passen bij een boeggolfeffect in de jaren 2013 en 2014’. Daarmee bedoelt zij dat de afgelopen jaren meer studenten ervoor kozen om direct na hun diploma aan een studie te beginnen, zodat zij nog een basisbeurs konden krijgen.

Nu studenten geen basisbeurs meer krijgen, maar moeten lenen als ze geld voor hun studie nodig hebben, kiezen meer jongeren voor een tussenjaar om bijvoorbeeld te werken of een lange reis te maken alvorens te gaan studeren.

Opwaartse sociale mobiliteit

Bussemaker noemt de toegankelijkheid van het hoger onderwijs nog steeds goed. ‘Nederland scoort hoog op dit gebied, ook in internationaal opzicht. Ons hoger onderwijs vervult nog steeds een emanciperende functie en draagt bij aan de opwaartse sociale mobiliteit’, aldus de minister. Zij baseert zich voor haar uitspraken op gegevens van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

Genoeg informatie over leenstelsel, vindt minister

Minister Jet Bussemaker van OCW vindt dat eindexamenkandidaten in het voortgezet onderwijs genoeg informatie kunnen vinden over het leenstelsel voor studenten.

Bussemaker reageert op Tweede Kamerlid Eppo Bruins van de ChristenUnie, die Kamervragen heeft gesteld over de resultaten van een enquête van het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) en het Landelijk Aktie Komitee Scholieren (LAKS) en een bericht daarover in de Telegraaf. Uit die enquête kwam naar voren dat het leenstelsel abracadabra is voor toekomstige studenten.

De minister denkt dat dat wel meevalt. Volgens haar zijn toekomstige studenten doorgaans goed op de hoogte van de grote lijnen van het stelsel van studiefinanciering. Heel specifieke informatie – zoals exacte bedragen of aflostermijnen – zoeken ze volgens haar op als ze die informatie daadwerkelijk nodig hebben.

Ze verwijst in haar reactie naar de website duo.nlstartstuderen.nl en studiekeuze123.nl.