Meeste werkgerelateerde cursussen in onderwijs

Het onderwijs is de sector met het hoogste aandeel werknemers dat voor hun werk cursussen volgt. Bijna alle cursussen worden betaald door de werkgever, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Van de circa 560.000 mensen die in 2016 in het onderwijs werkzaam waren, volgden er 400.000 een cursus die te maken had met het werk. Dat komt overeen met 71,7 procent.

Daarmee stond het onderwijs in 2016 op de eerste plaats, gevolgd door de sectoren ‘Overheid en zorg’ (67,1 procent) en ‘Openbaar bestuur en overheidsdiensten’ (65,7 procent). Sectoren waar relatief weinig werknemers cursussen volgden, waren ‘Handel’ (34,4 procent), ‘Industrie’ (34,5 procent) en ‘Handel, vervoer en horeca’ (36,6 procent).

Uit de cijfers van het CBS blijkt bovendien dat bijna alle werkgerelateerde cursussen in het onderwijs (94,7 procent) in 2016 zijn betaald door de werkgevers. Dat percentage was in geen enkele andere sector zo hoog.

Lees meer…

In onderwijs veel van-werk-naar-werkbegeleiding

In het onderwijs vinden werkgevers het vaker hun taak om nieuw werk te zoeken voor medewerkers die hun baan verliezen dan in andere sectoren. Dat staat in het rapport Vraag naar arbeid 2015 van het Sociaal en Cultureel Planbureau.

Het SCP vroeg aan organisaties die te maken hebben met krimp wat voor soort ondersteuning zij bieden voor personeel dat zijn werk kwijt dreigt te raken. Onderwijsorganisaties blijken relatief vaak omscholingstrajecten, hulp bij loopbaanoriëntatie en bemiddeling bij het vinden van ander werk aan te bieden. In sectoren als de handel en de horeca gebeurt dat minder vaak.

In het SCP-rapport staat ook dat het onderwijs een sector is met relatief veel tijdelijke arbeidscontracten zonder uitzicht op vast werk. In het onderwijs wordt volgens het SCP ook opvallend weinig gebruikgemaakt van betaald overwerk.

CNV Onderwijs en Abvakabo verwerpen nieuwe cao

De leden van CNV Onderwijs en Abvakabo stemmen niet in met de nieuwe cao voor het voortgezet onderwijs zolang er geen goede overgangsregeling komt voor het onderwijsondersteunend personeel.

De overgangsregeling zoals die nu in het cao-akkoord is vastgelegd, leidt er volgens de christelijke onderwijsbond toe dat vooral de lagerbetaalden een hoge eigen bijdrage leveren.

Vice-voorzitter Joany Krijt van CNV Onderwijs: ‘Vooral onderwijsondersteunend personeel van 61 jaar en ouder vindt de verhoging van de eigen bijdrage onevenredig, ook omdat deze groep zes leeftijdsdagen gaat missen.’ Volgens haar ligt de bal nu weer bij de werkgevers, verenigd in de VO-raad. ‘Zij moeten besluiten of ze de cao aanpassen of het akkoord zonder ons sluiten.’

De leden van de Algemene Onderwijsbond (AOb) en de Federatie van Onderwijsvakorganisaties (FvOv) hebben wel ingestemd met het akkoord, maar onder hen leven dezelfde bezwaren.

De bezwaren worden ook gezien door leden van de VO-raad. ‘Dit is voor het bestuur en de cao-delegatie van de VO-raad aanleiding geweest om deze regeling nog eens nader te beschouwen. Momenteel worden de leden van de VO-raad geraadpleegd om te bezien of een aanpassing van het akkoord op dit punt mogelijk is’, zo meldt de sectororganisatie van de werkgevers.

Cao-onderhandelingen: bonden willen minder werkdruk

Het overleg over een nieuwe cao voor het primair onderwijs is in een nieuwe fase beland. De vakbonden hebben vrijdag hun voorstel aan de PO-Raad voorgelegd.

De Algemene Vereniging Schoolleiders (AVS) meldt dat alle voorstellen in principe onderhandelbaar zijn. Dit geldt echter niet voor de vitaliteitsregeling, die deels de BAPO-regeling zal vervangen.

In het voorstel van de bonden staat onder andere ook hoe zij denken de werkdruk te kunnen verminderen. Er wordt ook aandacht gevraagd voor de verdere professionalisering van onderwijspersoneel.

De verlengde CAO PO loopt nog tot 30 juni 2014.

Informatie: Helpdesk, 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, helpdesk@vosabb.nl

Bussemaker trekt mogelijk drie wetsvoorstellen in

Minister Jet Bussemaker van OCW heeft de Tweede Kamer per brief geïnformeerd over de mogelijke intrekking van drie wetsvoorstellen. Het gaat om de wetsvoorstellen voor de versterking van de positie van leraren, het wetsvoorstel voor incidentenregistratie in het onderwijs en het wetsvoorstel voor de maximale ouderbijdrage voor de peuterspeelzaal bij deelname aan voor- en vroegschoolse educatie.

De minister wil het wetsvoorstel voor de versterking van de positie van leraren intrekken als er conform de afspraken in de bestuursakkoorden professionele statuten zijn ontwikkeld voor het primair en voortgezet onderwijs. Ze schrijft dat ze de voorkeur geeft aan zelfregulering door werkgevers en werknemers boven wettelijke bepalingen.

Het wetsvoorstel voor incidentenregistratie in het onderwijs kan volgens de minister worden ingetrokken zodra bij wet is geregeld dat scholen wettelijk verplicht worden om pesten aan te pakken. Daar is nu een wetsvoorstel voor in de maak.

Het wetsvoorstel voor de maximale ouderbijdrage voor de peuterspeelzaal bij deelname aan voor- en vroegschoolse educatie kan volgens Bussemaker worden ingetrokken, omdat in het Regeerakkoord is afgesproken dat de peuterspeelzalen onder de Wet kinderopvang komen te vallen.

Informatie: Helpdesk, 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, helpdesk@vosabb.nl