Op 14 oktober spreekt de Tweede Kamer in het commissiedebat Stichting, sturing en toezicht in het funderend onderwijs over de verhouding tussen overheid, schoolbesturen en scholen. In de aanloop naar dat debat wordt steeds duidelijker welke fundamentele vraag daaronder ligt: waar houdt de verantwoordelijkheid van de overheid op en waar begint de ruimte en verantwoordelijkheid van het onderwijs zelf?

VOS/ABB sprak daar op 9 september al met Kamerleden over tijdens een gezamenlijke kennisbijeenkomst met Verus. Centraal stond artikel 23 van de Grondwet en het onderscheid tussen het ‘wat’ en het ‘hoe’: de overheid bepaalt wat leerlingen van goed onderwijs mogen verwachten en legt daarvoor heldere deugdelijkheidseisen vast; scholen en professionals moeten ruimte houden om zelf te bepalen hoe zij daaraan voldoen. Daarbij benadrukte VOS/ABB dat artikel 23 niet alleen over vrijheid gaat, maar ook over verantwoordelijkheid – van zowel overheid als onderwijs.

Experts aan het woord

Een volgende stap in de aanloop naar het Kamerdebat is het rondetafelgesprek over sturing en bekostiging in het funderend onderwijs op 1 oktober. De Kamer spreekt dan met onder anderen de hoogleraren Edith Hooge, Klaas van Veen, Marlies Honingh, Melanie Ehren en Tjerk Budding. 

In de position papers die voorafgaand aan het gesprek zijn ingediend, herkent VOS/ABB veel van de boodschap die ook op 9 september aan Kamerleden is meegegeven. De deskundigen waarschuwen onder meer voor de gedachte dat meer centrale sturing automatisch leidt tot beter onderwijs.

Zo stelt Marlies Honingh dat er maar beperkt bewijs is voor een directe relatie tussen afzonderlijke sturingsinstrumenten en betere leerlingresultaten. Juist verschillen tussen scholen en hun lokale context vragen volgens haar om bestedingsvrijheid en ruimte op het niveau van onderwijsorganisaties. Een generieke landelijke aanpak doet volgens haar onvoldoende recht aan die verschillen.

Edith Hooge legt eveneens nadruk op de verhouding tussen sturing en autonomie. Zij wijst erop dat onderwijsbekostiging bij voorkeur stabiel, structureel, geconcentreerd en eenvoudig moet zijn. Specifieke financieringsstromen kunnen de beleidsvrijheid beperken en leiden tot extra administratieve en verantwoordingslasten. Bij gerichte bekostiging bestaat bovendien het risico dat de rijksoverheid steeds verder opschuift naar beslissingen die eigenlijk bij bestuur, schoolleiding en onderwijsprofessionals liggen.

Eerst helderheid over verantwoordelijkheden

Daarmee raakt het rondetafelgesprek aan dezelfde kernvraag die VOS/ABB eerder met Kamerleden besprak. Dat de overheid verantwoordelijkheid draagt voor de kwaliteit, toegankelijkheid en deugdelijkheid van het onderwijs staat buiten discussie. De vraag is hoe zij die verantwoordelijkheid het beste waarmaakt.

Voor VOS/ABB begint dat met heldere doelen en deugdelijkheidseisen, voldoende en stabiele bekostiging en goed toezicht. Binnen die kaders moet ruimte blijven voor schoolbesturen, scholen en professionals om vanuit hun eigen situatie te bepalen hoe zij goed onderwijs realiseren. Meer grip vanuit Den Haag is daarbij niet vanzelfsprekend hetzelfde als betere sturing.

Het rondetafelgesprek van 1 oktober vormt daarmee een inhoudelijke opmaat naar het commissiedebat Stichting, sturing en toezicht in het funderend onderwijs op 14 oktober.

Deel dit bericht: