Alle effecten in kaart brengen voor beleid nieuwe scholen

Bij het opstellen van beleid voor het stichten van scholen is het van belang om alle mogelijke effecten van voorgestelde maatregelen goed in kaart te brengen. Dit het voornaamste punt in de adviesnotitie Meer ruimte voor nieuwe scholen? Analyse van het gekozen beleidsscenario dat in opdracht van het ministerie van OCW is opgesteld.

De adviesnotitie volgt op de brief Meer ruimte voor nieuwe scholen: naar een moderne interpretatie van artikel 23, die in juli jongstleden door staatssceretaris Sander Dekker van OCW naar de Tweede Kamer is gestuurd. In die brief trekt hij in twijfel of het onderwijsaanbod op basis van de verschillende denominaties nog wel houdbaar is nu de meeste ouders niet meer op basis van religie voor een school kiezen.

In de brief van Dekker staat dat ‘de manier waarop we in de praktijk met artikel 23 omgaan’ twee problemen met zich meebrengt. ‘In de eerste plaats zit het onderwijssysteem, in tegenstelling tot wat de Grondwet doet vermoeden, nagenoeg op slot. Het is enorm ingewikkeld om een nieuwe school te beginnen – zeker als deze niet behoort tot een traditionele geloofsovertuiging.’

Integraliteit
In de adviesnotitie staat dat bij het beleid voor nieuwe scholen altijd een scherp oog moet worden gehouden voor ‘integraliteit’. ‘Het is bijvoorbeeld verleidelijk om de toets op voorwaarden voor kwaliteit bij de start van de bekostiging op allerlei onderdelen van de school uit te voeren en strikte eisen te hanteren om zo de kwaliteit te waarborgen. Dit leidt echter onvermijdelijk tot vermindering van de toetreding, ook van toetreders die potentie hebben en wellicht juist van toetreders met innovatieve ideeën’, zo staat in de notitie.

Een scenario waarin louter positieve effecten zijn te verwachten, is waarschijnlijk niet mogelijk, zo staat in de notitie. ‘Er blijft altijd sprake van een zekere mate van afruil tussen meer nieuwe scholen, kwaliteitscontrole of minder segregatie. Bij de uitwerking van de maatregelen is het dus ook zaak duidelijk voorop te stellen welke beleidsdoelen prioriteit krijgen. Op die manier kan bijvoorbeeld beoordeeld worden of een maatregel gewenst is die de kwaliteit iets verhoogt, maar de toetreding belemmert.’